Omslag verhalenbundel De komeet

In een thriller hoeft niet op elke bladzij iemand het loodje te leggen, maar minimaal één lijk is toch wel een vereiste. Zo heeft ook speculatieve fictie haar eigen karakteristieken. Wat beide genres gemeen hebben is dat er meer vaart in zit dan in het gemiddelde literair prozaverhaal. Zeker, in speculatieve fictie mag gepraat worden. Er is niets mis met een verhaal waarin uitgebreid wordt koffiegedronken, nagedacht of teruggeblikt. Maar er moet wel iets gebeuren. Als lezer moet je het verhaal ingezogen worden, sluipend of met een schok die je overeind in je stoel doet schieten, doordat de verhaalwereld steeds angstaanjagender, vreemder of hilarischer wordt. Of doordat de actie steeds ijzingwekkender, absurder of wanhopiger wordt. Het zijn daarbij de personages die het werk doen. Dat doen ze niet door hun psychologische ontwikkeling. Ze hoeven niet eens per definitie breeduit uitgewerkt te zijn. De kunst van een goed speculatief verhaal is dat personages zich zo overtuigend in de verhaalwereld bewegen dat de lezer het onmogelijke gaat accepteren. Een verhaal dat dát klaarspeelt is een goed speculatief verhaal, of het nu enkel als vermaak is bedoeld of dat het ook iets wil zeggen.

De verhalen in de bundel De komeet, onder redactie van Vamba Sherif en Martijn Lindeboom, hebben het label ‘speculatieve verhalen’ gekregen én willen stuk voor stuk iets zeggen. De bundel is tot stand gekomen vanuit de wens om de speculatieve fictie in Nederland diverser en minder wit te maken. De gedachte was dat verhalen andere thema’s en personages voor het voetlicht brengen wanneer ze geschreven zijn vanuit een andere cultuur, achtergrond of traditie. De samenstellers zijn er twee jaar mee bezig geweest en hebben daarbij het kortverhaal De komeet van de Amerikaanse burgerrechtenstrijder W.E.B. Du Bois uit 1920 als kapstok gebruikt. Aan Nederlandse auteurs hebben ze gevraagd dat verhaal te lezen en vervolgens in een speculatief verhaal hun eigen visie op de zwart-witverhouding in de samenleving te geven.

Deze bespreking is het eerste deel van twee reflecties op De komeet. Hier bespreek ik de verhalen aan de hand van bovengenoemde kerneigenschappen van speculatieve fictie. Bij elk verhaal probeer ik de strekking samen te vatten zoals ik die heb opgemaakt, en geef ik mijn persoonlijke leesbeleving. In het tweede deel plaats ik de bundel in de bredere context van de Nederlandstalige speculatieve fictie en kom daarmee ook tot een eindconclusie. Daar is ook de bronverantwoording voor beide delen te vinden.

Het bronverhaal: De komeet van W.E.B. Du Bois

In dit kortverhaal treft een komeet New York en doodt vrijwel alle inwoners. Even lijkt de rassenongelijkheid weggevaagd te zijn, maar al snel keert de oude situatie weer terug. Het verhaal moet het hebben van de emoties van de verteller (de zwarte man Jim) en van de kleine en grote voorbeelden van rassendiscriminatie die hij overdenkt en ervaart. De stad wordt slechts sumier geschetst (vooral met straatnamen) en hoe de komeet die giftige dampen heeft geloosd zonder gebouwen te vernielen wordt niet duidelijk. Actie is er wel, in Jims paniekreactie, in zijn ontmoeting met de rijke, witte Julia, in hun vergeefse zoektocht naar andere overlevenden, en in de climax aan het einde. Het zijn Jim en Julia die het verhaal voortstuwen, waarbij de lezer Jim leert kennen als rustig en gevoelig maar met een vuur ‘dat nog steeds smeult’. Hij is eigenlijk de perfecte man. Julia is puur functioneel. Ze is stereotype weergegeven: wispelturig en in haar emoties alle kanten op schietend. Voelbaar is een religieus referentiekader, waarin Jim en Julia staan voor Adam en Eva. Het verhaal is pessimistisch: rassenongelijkheid verdwijnt weliswaar soms even door gedeelde sores maar keert altijd keihard terug dankzij degenen die het veroorzaken. Het probleem is enkel op te lossen als we weer helemaal opnieuw zouden beginnen. De stijl is lyrisch, soms ietwat gezwollen, de vertelwijze ‘tell don’t show’. Ik vond dit verhaal qua thematiek relevant, en het moment dat ze tegenover elkaar staan en beseffen dat ze het begin van een nieuwe mensheid zullen zijn, indrukwekkend. Verder kon het mij niet zo bekoren, maar dat heb ik vaker met oudere, rolbevestigende verhalen.

Chris Polanen, Under Water Surveiller

Dit toekomstverhaal ‘over liefde zonder lichaam op de bodem van de Surinamerivier’ (zoals de schrijver het op Facebook formuleerde) speelt zich inderdaad onderwater af. Een man en een vrouw hebben op hoge leeftijd hun mensenlichamen ingeruild voor een machinelichaam. Ze ontmoeten elkaar, praten, lachen en roepen emoties bij elkaar op, tot de vrouw een bepalende stap zet. Dit verhaal kent feitelijk geen actie. Er wordt enkel gedacht, gepraat en geobserveerd. De strekking lijkt te zijn dat je om écht te leven en lief te hebben, een lichaam nodig hebt – of dat je tenminste kunt dromen. Anders kun je alleen maar onder water (letterlijk en figuurlijk) observeren en je tijd uitzitten. Een direct verband met het thema van de bundel zag ik niet zo gauw. Persoonlijk vond ik dit verhaal op zich bekwaam verteld maar geen echte speculatieve fictie. Daarvoor miste ik te veel de stuwing vanuit verhaalwereld en/of actie. Het gaat eerder richting literair proza.

Rochita Loenen-Ruiz, Hymne van de overlevers

Ook dit verhaal rust hoofdzakelijk op denken, praten en observeren. Een vluchtelinge komt met zichzelf in conflict als anderen in haar samenleving openstaan voor contact met en vergeving van het volk dat verantwoordelijk was voor de situatie op haar thuisplaneet. Zelf heeft zij hier moeite mee. De planeet waar de verteller een nieuw bestaan heeft moeten opbouwen herbergt verschillende wezens (deels plantaardig) die naast elkaar bestaan. De verhaalwereld wordt vooral beschreven in termen van sfeer en in de gevoelens van verteller Fijra. Hoe de interplanetaire structuren eruit zien blijft vaag. Dit verhaal is ook eigenlijk een allegorie. De personages staan voor de verschillende aspecten van het dilemma. De les die het verhaal leert wordt letterlijk verwoord in de dialoog en betreft het belang van vergeven en om vergeving vragen. Verder is er de boodschap dat je moet wortelen in je nieuwe land, mét kennis van de historie van dat land en met wederzijds respect. Bij dit verhaal, dat hier en daar wat stroef is geformuleerd, miste ik node de actie. Het laat me de ontwikkelingen niet beleven; als lezer neem ik er enkel kennis van. De inleefbaarheid van Fijra’s ‘plantaardige’ gevoelens gaat ten koste van haar allegorische rol.

Rachid Novaire, Terugkeren

Dit verhaal speelt zich af in 18e-eeuws West-Afrika (de verwijzing naar de VOC begreep ik niet) waar de Nederlandse verteller per schip aanmeert om de autochtone bevolking hun grondstoffen te ontfutselen. Eeuwen later keert hij terug in een ander schip: dat van een vluchteling op weg naar Europa. Het verhaal geeft veel details over mensen en het landschap, steeds gezien door de ogen van de verteller, een arrogante en berekenende Nederlander. Wat er om hem heen gebeurt begrijpt hij niet en interesseert hem ook niet. De lezer weet het dus ook niet, waardoor die evenmin begrijpt waarom het bezoek aan de inheemse vrouw Kuyuna zo afloopt als het afloopt. Hiermee lijkt het verhaal de lezer een spiegel voor te houden. Uit een opmerking in het voorwoord blijkt dat de roman Le regard du roi (1954) van Camara Laye een inspiratiebron voor Terugkeren is geweest. Ook daar gaat een arrogante Europeaan Afrika in. Ik heb de roman niet gelezen maar begrijp uit internetbesprekingen dat dat een sterk symbolische roman is. In het tweede gedeelte van Terugkeren overheerst boosheid van (neem ik aan) de schrijver zelf, die bij monde van de verteller beschrijft hoe Europa in de moderne tijd omgaat met ‘gelukszoekers’ uit Afrika. Hiermee lijkt het verhaal als geheel te zeggen dat, ongeacht de richting van het contact, de Europeaan arrogant, directief en zonder interesse is. Jammer dat ook dit verhaal weer vooral een statement is met de nadruk op reflecties en dialoog, hoewel ik het goed geschreven vind en er relevante en pittig-geformuleerde uitspraken in staan.

Dido Michielsen, Achter het schild

Dit verhaal is het eerste in de bundel waarin actie duidelijk aanwezig is. Het is duidelijk geïnspireerd door de corona-ervaringen. Een vrouw raakt gescheiden van haar jonge kind en probeert achter het krachtschild te komen dat de overheid rond het quarantainegebied heeft opgetrokken. Hierbij krijgt zij hulp van haar ‘voormoeders’ en andere elementen uit haar Indische achtergrond. De gebeurtenissen vloeien logisch voort uit de overwegingen en de acties van de vrouw. De verteller ontwikkelt zich: ze accepteert langzaam haar wortels, die ze eerder afwees als ‘koloniale zooi’. De nevenpersonages zijn vooral functioneel maar overtuigen wel, zoals de twee criminelen en de arrogante echtgenoot die onderzoek doet ‘in een of andere rimboe aan de andere kant van de wereld’. Maleise termen verschaffen een couleur locale. Het verhaal lijkt te zeggen dat je voor echte hulp én voor een realistische blik op de wereld je culturele wortels nodig hebt. (De titel kan dan ook op twee manieren worden opgevat.) Het verhaal is daarnaast feministisch: de vrouwen hebben de wijsheid en de kunde, de mannen zijn arrogant, crimineel of berekenend. Er zijn subtielere hints naar de blindheid van de (witte) overheid tijdens de coronacrisis jegens de belangen en dilemma’s van mensen uit andere culturen. Uit een opmerking op Facebook blijkt dat de schrijver ‘voor het eerst sf/fantasy probeerde’. Doe het eens vaker, zou ik zeggen. De strekking is eentje die ik in de Nederlandstalige wereld van speculatieve fictie niet zo vaak tegenkom. Het verhaal is in zekere zin een pleidooi voor tradities, voor de kracht van traditionele vrouwrollen. Dat is tamelijk on-Hollands en, hoewel niet mijn persoonlijke visie, zeker verfrissend.

Mira Feticu, Ovidius

Het kortste verhaal in de bundel is een fictieve klaagbrief van Ovidius aan zijn vrouw, geschreven vanuit de stad Tomis waarnaar hij in 8 nChr verbannen werd. De verhaalwereld is een mengeling van mythologisch en realistisch en komt vooral over in impressies. Tomis (het modere Constanta in Roemenië) is een koud en ellendig oord vlakbij de Styx. Er is altijd oorlog en vanwege hun ‘kwantumstaat’ bestaan mensen soms meervoudig, deels boven en deels onder het ijs. We bezien dit alles door de ogen van Ovidius, die inderdaad een arrogante zeurpiet is maar ook een wanhopige ontheemde. Uit Wikipedia begrijp ik dat betwijfeld wordt of hij ooit wel in Tomis is geweest. Ja, de encyclopedie is hier nodig! Dit verhaal rust namelijk zwaar op een referentiekader van vooral verwijzingen naar de klassieke mythologie. De lezer die ‘Ovidius’ en ‘Tomis’ opzoekt, komt al een heel eind. Wie meer probeert te doorgronden is al gauw een avondje zoet met Geten, Scythen, Grieken en Romeinen, maar blijft met vragen zitten. Waarom spreekt de Romein Ovidius steeds in Griekse termen? En zitten er verwijzingen in naar de moderne tijd, zoals naar de Roemeense presidentsverkiezingen, en wat is hier dan de betekenis van? Actie is er niet. Het verhaal is een klaagbrief waarin Ovidius zich afvraagt of hij echt bestaat en niet de droom van een god is. Misschien kan Ovidius het beste worden aangeduid als een lang prozagedicht over de beelden en angsten in het hoofd van een vluchteling. Ik vond dit het meest complexe verhaal in de bundel. De inzet van een referentiekader (hier intertekstualiteit) schiet wat mij betreft wel wat door. Het is een van de gereedschappen van speculatieve fictie waarmee een enorme rijkdom aan symbolen en nuances verweven kan worden met de fantastische gebeurtenissen in een verhaal. De lezer die namen en termen niet kent mag wat mij betreft moeite doen om eens iets op te zoeken, maar hier lijkt erg vaak sprake te zijn van verwijzingen die door bijna niemand begrepen zullen worden maar wel aandacht van de lezer vragen. Dat stoorde mij wat, evenals de aanwezigheid van voetnoten. De sfeer vond ik wel erg sterk.

Roderick Leeuwenhart, Wat Moeten Wij Met De Wolf & Hoe Maken Wij Van Hem Een Nederlander?

In een niet te verre toekomst bevat de plantengroei op de Veluwe een synthetische intelligentie die binnenzwervende wolven verwelkomt. Die worden geïmplanteerd met bewustzijn en mogen zich er, als zij zich netjes aan allerlei regels houden, vrij vestigen. De verteller is wolf Fyodor, die al gauw gek wordt van zowel het bewustzijn als de regels. Beide botsen namelijk met zijn natuur. De verhaalwereld is hier overduidelijk allegorisch bedoeld. Actie is er genoeg, versterkt door de heftige gevoelens van de wolf. De personages zijn een tikje overdreven, waardoor een humoristisch effect onstaat. Van een referentiekader is niet echt sprake, op het Shakespeare-citaat na. Het verhaal lijkt een pleidooi te zijn om migranten niet in onnatuurlijke regeltjes te persen. Doe je dat wel dan loopt het subiet uit op spanningen en escalatie. Dit verhaal rust op actie, een symbolische verhaalwereld en observaties van een auctoriale aanwezigheid. Het is het enige verhaal in de bundel met humor, vooral door de wat over-the-top sfeer en het personage van Hilal, de pijprokende herderin die haar ‘wol’ wil beschermen. De toon is levendig. Ik vond het een van de geslaagdere speculatieve verhalen in de bundel.

Clarice Gargard, Zonnekind

Een middelbare scholiere komt via dromen in contact met een nazaat en kan zo een tragische gebeurtenis terugdraaien. Dat dit verhaal zich in Monrovia afspeelt blijkt niet direct uit het verhaal zelf, wel dat het vervlochten is met de Liberiaanse cultuur en (vooral) geschiedenis. De verhaalwereld is tweeledig: ten eerste is er het alledaagse leven van de 17-jarige Rhys, ten tweede is er een soort droomwereld die uiteindelijk de realiteit binnendringt. De eerste is vrij feitelijk en vanuit het perspectief van een puber beschreven, met details over tennissen, eten en overbezorgde ouders. De tweede is vooral kleurrijk. De actie is beperkt tot de droomwereld. De motieven en gevoelens van Rhys worden vooral letterlijk benoemd. Er is een referentiekader aanwezig in de vorm van geschiedenis: voormalige tot slaaf gemaakten uit Amerika koloniseerden eigenlijk het land ten koste van de oorspronkelijke bevolking. De strekking van het verhaal hangt hiermee samen en wordt eveneens letterlijk benoemd: ‘De geschiedenis en cyclus van geweld herhaalt zich altijd, wanneer er geen heling plaatsvindt. Dan blijf je vastzitten in het verleden. Dat gebeurt eigenlijk ook als een naaste onverwachts overlijdt.’ Voor mij kwamen deze strekking en de samenhang met het verhaal niet uit de verf. Hoe werkt die droomwereld bij benadering, waarom is na een droom haar slaapkamer deels verwoest? Waarom moest er een tijdreis plaatsvinden? Waarom is het belangrijk dat broer Ryan niet sterft? Verder zitten er details in het verhaal die geen functie lijken te hebben, zoals het parfum van de moeder en het gebruik van Engels in de dialoog. Rhys is erg stereotype. Als speculatief verhaal maar ook in algemene zin vond ik dit geen overtuigend geheel.

Sholeh Rezazadeh, Onder de sneeuw

Een naamloze man koopt warmte in ruil voor tijd en komt, al lopend door de stad, tot een persoonlijke inzicht over wat echt van waarde is in het leven. Dit is een vrij kort verhaal waarin hoofdzakelijk gedacht en geobserveerd wordt. Het is een allegorie waarin alles voor iets staat: de sneeuw op oogleden, de inwoner van de grote stad, de kinderen met hun spontane fysieke contacten. Hoe het precies zit met warmte, tijd en aanraking werd mij bij het lezen niet helemaal duidelijk, hoewel het een paar maal wordt uitgelegd. (Redactie had hier verbetering kunnen brengen.) De strekking komt in de loop van het verhaal wel voor het voetlicht: in een tijd van fysiek isolement en individualisme verliezen we juist tijd in plaats van dat we die uitsparen. We moeten de spontaniteit van kinderen terugvinden. Deze strekking komt voort uit het denken en observeren, en door inzet van een vogeltje als metafoor van de tijd. Er is geen actie. Ik miste een opbouw (door actie of wat dan ook) die ervoor zorgt dat je als lezer de boodschap steeds sterker gaat aanvoelen. Net als bij sommige eerdere verhalen in de bundel miste ik de stuwing en de kans om zaken te beleven in plaats van er enkel kennis van te nemen. Dit verhaal neigt eerder naar literair proza met een speculatief tintje.

De Chrononauten, In het groene maanlicht

Het Rotterdam van de verre toekomst wordt in dit verhaal beschreven met veel details, soms met termen zoals ‘carbonzuigers’ en ‘helofytenfilter’ die verder niet worden toegelicht. Een tijdreiziger die heeft bijgedragen aan een hersenimplantaat trekt zich terug uit de verdere ontwikkeling daarvan. Het implantaat heeft er namelijk voor gezorgd dat we walging, de basis voor onze doorgeslagen hygiëne en onze vreemdelingenhaat, hebben uitgebannen. Een getemde mensheid zonder conflicten en boosheid mist creativiteit. Deze strekking wordt overgebracht door middel van uitleg en dialoog, temidden van allerlei futuristische details en cynische observaties van verteller De Wolf. Inderdaad, ook in dit verhaal wordt de wolf als symbool voor het ongetemde gezien. Maar anders dan in Wat moeten wij met de wolf, waar het knelpunt hem in opgelegde regels zit (‘Nederlanders houden van orde en tucht voor alles en iedereen behalve henzelf’) gaat het hier om bewustzijn, om het begrijpen en vervolgens controleren van walging. Het implantaat is ook nog eens onder valse voorwendselen in onze hersens gebracht door de ‘Meent van Behoren’. Met deze stellingname tegen politiek-correctheid, woke, sensitivity of welke term je ook wilt gebruiken, wijkt dit verhaal duidelijk af van de rest van de bundel. Ondanks de vele details wordt weinig inzicht gegeven in de werking van zaken: is De Wolf letterlijk een tijdreiziger, en hoe reist hij uiteindelijk naar de maan? De actie en stuwing zijn minimaal, de statement staat voorop, een spanningsboog ontbreekt. Ik vond het daarom een wat saai verhaal, met te veel infodumps en commentaar.

Shantie Singh, De tijdlus

In een post-pandemiewereld is India het centrum van vooruitgang geworden. Men heeft een methode ontwikkeld waarmee lussen in de tijd kunnen worden gemaakt, zodat mensen meer tijd hebben voor bijvoorbeeld sportbeheersing of goed leren lezen. De verteller doet als slachtoffer van huiselijk geweld mee aan een experiment waarin de methode kan worden toegepast om plegers hun geweld zelf te laten ervaren. In dit verhaal zit veel uitleg over het hoe en waarom van de ontwikkelingen. De actie zit enkel in het experiment, waarin een huiselijk geweld-ervaring wordt beschreven. Dat de verteller vernieuwing in haar leven wil komt duidelijk over. In het verhaal is de metafoor van de lus terugkerend, o.a. in het gebouw waar het experiment plaatsvindt, in reflecties over macht, in de dansvorm kathak die de verteller beoefent. Daarnaast komen we spiegels en instituten tegen. Al deze componenten (verhaalwereld, uitleg, metaforen) komen samen in een tweetrapsstrekking. De vicieuze cirkel van huiselijk geweld is te doorbreken als het slachtoffer de zeggenschap krijgt en kan bepalen hoe de dader dingen beleeft. Maar uiteindelijk is dat slechts een doorgeven van macht en doorbreek je helemaal niets. Het verhaal had voor mij te veel uitleg, details die er niet toe doen en andere elementen die juist onderbelicht zijn. (Zo is mij niet duidelijk geworden wat nu het verband is tussen de tijdlusmethode en het experiment, en evenmin waarom er ineens schrikbarend minder vrouwen in de wereld zijn.) Ik vond de stijl prettig en het is duidelijk dat de schrijver inleefbare actie kan schrijven. Dit verhaal had, met een paar goede proeflezers en/of een verhaalchirurg erg sterk kunnen worden.

Khadija al Mourabit, Proxima (Simulacra)

Dit verhaal is een allegorie. Op een planeet, Proxima, gaat een vrouw volgens opdracht met een koffer een gebouw binnen en wordt daar ‘geoptimaliseerd’ . De verhaalwereld is volledig ondergeschikt aan de strekking rond de ongelijkheid tussen wit en zwart in de wereld. Awalan Bayda (‘Blanken eerst’, als mijn basale kennis van het Arabisch het goed ziet) is een miljardenstad waar Witte Gewaden de dienst uitmaken. Dit is gekomen door de inslag van een komeet, ‘de Grote Oordelaar’. De actie bestaat uit de tocht van verteller Aenarr naar en door het gebouw, en wat zij daar meemaakt. Een deel van haar avontuur vindt in een soort virtuele wereld plaats, zo lijkt het. Haar drijfveren zijn onduidelijk, ook waarom Helios haar beste vriend is en waarom uitgerekend zij uitverkoren wordt. De personages, kortom, zijn puur allegorisch. De strekking wordt duidelijk geformuleerd: ‘Als onze samenleving zo gelijkwaardig is, waarom staan de Witte Gewaden dan boven iedereen? En wij, de rest, moeten maar dankbaar zijn. Onze plek kennen, onder hen.’ Het verhaal sluit af met een gedicht van de Afro-Amerikaanse dichter Paul Lawrence Dunbar over jezelf moeten verbergen achter een masker. Voor mij was dit verhaal een statement, geen verhaal. De speculatieve setting prikkelde me niet. De stijl vond ik moeizaam, de afwezigheid van drijfveren van het hoofdpersonage een groot gemis, de actie niet echt stuwend. Fictie moet in mijn optiek allereerst goede fictie zijn, die de basis van en niet het excuus is voor een statement, hoe waardevol een statement ook kan zijn.

weegbree, De dans van de kiezelwieren

In deze verhaalwereld leven mensen samen met gevluchte wieren. De laatsten kunnen zich fysiek aanpassen aan het mensenbestaan maar dit is pijnlijk. Liever komen ze samen in een bron waar ze weer als wier verbonden zijn. Pas als ze met mensen informeel samen zijn en ze over hun verleden kunnen vertellen, met alledaagse details en herinneringen, kunnen ze zich thuisvoelen. De wereld en beleving van de wieren komt sterk naar voren. Hier en daar worden Latijnse organismen genoemd die klinken als andere volkeren: Eisenia, Diatomeeën en de sponzen die een soort oudsten lijken. De verteller (een wier dus) heeft duidelijke drijfveren, alleen haar ‘patroontekenen’ blijft wat vaag. Blijkbaar gaat dat over plannen om weer terug te keren naar het land van origine en daar dingen structureel te veranderen. De strekking volgt uit het verhaal, een toegevoegd pleidooi voor saamhorigheid volgt uit uitleg, de pijn van je moeten aanpassen wordt duidelijk uit de ervaringen van de verteller. Dit verhaal beviel mij goed, door de sterke verhaalwereld maar ook door de kwaliteit van de taal. De poëziestukjes geven eigenheid en passen in het vreemde perspectief. Ze hielden het verhaal niet op. Het is een ‘klein’ verhaal dat goed in evenwicht is met zichzelf.

Liang de Beer, De terugkeer van de komeet

Rond 2035 zijn de verhoudingen in de wereld drastisch veranderd. Nederland is onleefbaar geworden door een stijgende zeespiegel, Jakarta is ook getroffen door klimaatschade maar is voor de verteller (een vrouw met Indische wortels) een plek om naar terug te gaan. Een dag lang reist ze met een oude jeugdvriend door Jakarta en praat ze met mensen. Aan het einde van de dag, als een komeet passeert, maakt ze de balans voor zichzelf op. Het Jakarta van het verhaal komt sterk over, met bureaucratie (voor een naturalisatie moet men kennelijk naar Oost-Borneo) en heel gewone mensen die zo goed mogelijk proberen te overleven in een systeem waar opleiding, ras/geboorteland en wel of niet de juiste documenten hebben bepalen wat je mogelijkheden zijn. De personages komen vooral in zicht via de dialoog. De strekking lijkt te zijn dat er wezenlijk niet veel in de wereld verandert. Ook al draai je onze huidige machtssituatie in de wereld om, ‘de kolonie’ is er nog steeds en de komeet blijft terugkomen. Tegelijkertijd is de komeet voor de verteller ook een symbool voor haar keuze om er hier het beste van te maken. Dit verhaal rust ook weer sterk op praten, denken en observeren. Het lijkt eerder op literair proza. De stijl is solide, wel zijn er erg veel zijpaadjes in de dialoog waardoor mijn aandacht soms verslapte. De LHBTQ+-invalshoek aan het einde werd er voor mijn gevoel wat kunstmatig bij gesleept, hoewel het wel laat zien hoe stug oude patronen zijn en hoe snel er dan een schijnwereld ontstaat.

Vamba Sherif en Martijn Lindeboom, Gloed van de wederhelften

Op het noordelijk halfrond zijn na een komeetinslag de maatschappelijke structuren verdwenen. Mensen zenden straling uit waardoor zij afgestoten of juist aangetrokken worden door elkaar. Twee vrouwen die elkaars straling van verre herkennen, reizen door een verwoest Groningen naar elkaar toe. De een is een Caribische vrouw die altijd in Groningen heeft gewoond, de ander een Hollandse vrouw die na de ramp jarenlang als vluchteling in Afrika heeft gewoond en nu is teruggekeerd. De verhaalwereld is sumier geschetst. Hoe de maatschappij er nu uitziet (mensen maken moestuintjes samen maar toch wordt het er ‘met de dag gevaarlijker’) en wat de gevolgen van de straling voor de samenleving zijn, wordt niet echt duidelijk, en ook niet waarom de komeetscherf die is ingeslagen in de Grote Markt van belang is. De personages komen op zich overtuigend over, hoewel de schetsmatige verhaalwereld niet goed duidelijk maakt waarom ze naar elkaar op zoek gaan. Hun beide wandeltochten zijn actief beschreven. Die eindigt op de Grote Markt, waar de komeetscherf een ruimteschip blijkt te zijn. De strekking lijkt te zijn dat we als mensheid alleen een volgende stap kunnen zetten als we onze verschillen overwinnen en één worden. Anders blijven we in de puinhopen zitten. Als stad-Groninger was ik natuurlijk aangenaam verrast door deze verhaalachtergrond. Jammer genoeg blijft het bij name-dropping. Een ultramoderne torenflat in de Oude Kijk in ‘t Jatstraat klinkt intrigerend maar kwam voor mij niet tot leven. Daarnaast kwam ik wat onjuistheden tegen. Zo ligt de Emmastraat niet in de buurt van het Emmaplein maar in de Oosterpoort. Verder rust dit verhaal erg op de statement, wat ten koste gaat van vooral de verhaalwereld. Dit verhaal viel ook uit de toon door de vele stijlfouten, met name in het onjuiste of onduidelijke gebruik van komma’s. Het kon mij al met al niet zo bekoren.

 

Lees ook

 

Publicatiehistorie van deze bespreking

Deze bespreking verscheen in juni 2023 als het eerste deel van een blog op Hebban, onder de titel De komeet: lijnen tussen werelden.