In een verre toekomst onderschept een inspecteur een ruimteschip, duizenden jaren geleden vertrokken, dat de invloedssfeer van haar thuisplaneet binnendringt. Dit verhaal, Sloombootinspecteur, staat in de meest recente verhalenbundel van Tais Teng, De zoon van de basiliskenporder (2025). In een duister en vermoedelijk vergeten hoekje van de website van de uitgeverij trof ik een PDF-versie aan. Doe er je voordeel mee, zou ik zeggen, al is het natuurlijk veel leuker om de bundel te kopen. Die bevat nog meer fijne verhalen én is door de schrijver voorzien van prachtige illustraties.
Wat valt me op bij de eerste lezing?
Op het eerste gezicht niet veel. Het lijkt gewoon een korte, bekwaam geschreven space opera bestaande uit een inleiding, een verwachting, een conflict, een oplossing en een reflectie. Toch vallen me dingen op. Een aantal nadrukkelijke getallen, een kennelijk historische Chinese naam die me niets zegt, en enkele opmerkingen over o.a. recyclen, decoreren en DNA die me het gevoel geven dat er misschien meer onder zit.
Verwachting
Het lezen van Welkom, mijn prooi heeft me doen beseffen dat Tengs verhalen zelden enkel zijn wat ze lijken. De getallen lijken me een tijdpad of periode te schetsen, de opmerkingen over xenofobie en de agressie van de ratten doen me denken aan de PVV en de ‘War on Terror’. Wat ik met vertelster Chang Mei moet en met haar reflectie aan het einde, kan ik niet goed bepalen. Is zij sympathiek of niet?
Wat valt me op bij het her(her)lezen?
- De getallen suggereren inderdaad een periode, hoewel niet heel consequent. Als ik bij 90 (eerste zin) 20 (percentage lichtsnelheid) optel, beland ik in 2010. Met 5 (ballonbots) erbij komen we op 2015, plus 3 (koppen groter) = 2018. Aan het einde zit een verwijzing naar de ‘corona’, hier in astronomische zin, die ik interpreteer als 2020. Mogelijk zegt dit verhaal dus iets over het tweede decennium van onze eeuw. Het ‘schijfje’ dat Rigel niet meer ‘heeft’ deed mij denken aan de floppydisk, die definitief verdween in die periode.
- ‘Groothertogdom van Rigel’. Het klinkt zowel protserig als kneuterig. Luxemburg heeft een historische band met Nederland.
- De opmerking over het decoreren van het ruimteschip is vreemd. Dat is ‘kunstig’ gedaan, maar door een volk dat ‘weinig tot niets om handen had’. Kunst is blijkbaar nutteloos. Ik proef hier enig sarcasme. Er zijn ook verwijzingen naar duurzaamheid: recycling, de pels van de ratten als bescherming tegen koude, en dat de verlichting omlaag draaien ‘ook wel zo verstandig [was] als je nog duizend jaar voor de boeg had’. Dat laatste klinkt wat ironisch. Beide zaken (klimaatmaatregelen en bezuinigingen op cultuur) zeggen net als het ‘schijfje’ ook iets over deze periode, met name dan over de (rechtse) politiek.
- Zheng-ho blijkt een beroemde Chinese ontdekkingsreiziger uit de 15e eeuw te zijn. Hij was oorspronkelijk moslim. Toen hij terugkeerde van wat zijn laatste reis zou zijn, was de politieke realiteit thuis inmiddels veranderd. China ging een periode van cultureel en politiek isolement in waar geen ruimte meer was voor de onderzoekende geest.
- Mei heeft haar ‘kameleonmantel’ aangetrokken maar heeft ‘haar gezicht en handen onbedekt gelaten’. Wat zie je dan voor je? En wat zegt de ‘kameleonmantel’ dan over wie de reizigers van het ruimteschip zijn?
- Tweemaal wordt uitgelegd wat iemand tot een mens maakt: je moet zowel menselijk DNA hebben als taal. De rat-reizigers zijn geen mens want ze hebben niet het juiste DNA, de oorspronkelijke menselijke bemanning (inmiddels overmeesterd door de ratten en tot slachtvee gemaakt) spreken niet meer. Chang Mei is er duidelijk over: wie niet voldoet aan beide criteria is geen mens, punt. De naam ‘mens’ moet je ‘verdienen’.
- Een onopvallende maar veelzeggende formulering: ‘Het was vrijwel altijd een munt opgooien of een arriverend schip bemand werd door ratten of kakkerlakken.’ De uitdrukking is ‘kop of munt gooien’, waarbij dan twee verschillende uitkomsten mogelijk zijn. Hier niet. Logisch: ratten of kakkerlakken is lood om oud ijzer.
- Mei doet geen moeite om in gesprek te komen met de ratten die, geschrokken omdat zij kan praten, een wapen trekken. ‘Maak ze af!’ roept ze.
- De zin ‘Laat ze maar opbranden in de corona’ interpreteer ik als een verwijzing naar vluchtelingenkamp Moria op Lesbos, dat in de periode na de vluchtelingencrisis van 2015 door mensenrechtenorganisaties meermalen is aangemerkt als ‘concentratiekamp’. In 2020, toen de omstandigheden daar door de lockdown nog slechter waren dan anders, brak er ook nog eens brand uit.
Conclusie
Dit verhaal gaat over een ontmoeting tussen twee elkaar wezensvreemde volkeren, waarbij de poortwachter van de twee precies het soort xenofobie heeft waarvan ze de binnenkomers beschuldigt. Zij is degene die besluit dat de binnenkomers geen mensen zijn en gedood moeten worden. De vele details plaatsen het verhaal in de recente geschiedenis van Nederland, waar de menselijkheid het onderspit delft te midden van bureaucratische definities en onbenullige politiek. Daarmee voegen deze details een enorme zeggingskracht toe aan dit op zich tijdloze en daarmee ‘makkelijke’ verhaal. De terloopse verwijzing naar Moria is volmaakt in haar gruwelijkheid, Meis afsluitende reflectie is intriest en blind te noemen. Zolang je vluchtelingen niet ziet als mensen, is het inderdaad wild onwaarschijnlijk dat je ze ooit als mensen de hand zult kunnen schudden.
