Omslag verhalenbundel De laatste verkenner van Johan Klein Haneveld

De speculatieve romans en verhalenbundels die bij de kleine, onafhankelijke Nederlandse of Belgische uitgeverijen verschijnen, schoppen het zelden tot een recensie in een groot dagblad. Verrassend dus dat dat in mei 2023 ineens wel het geval was. George van Hal schreef in de Volkskrant een recensie van de verhalenbundel De laatste verkenner van Johan Klein Haneveld, geen onbekende schrijver in het Nederlandstalige genrewereldje.

‘Sciencefiction,’ schrijft Van Hal, ‘zegt men vaak, is een genre van ideeën. Als dat klopt zit je met De laatste verkenner van Johan Klein Haneveld wel goed. In de 27 hier verzamelde verhalen spelen vervreemdende en geestverruimende concepten steevast de hoofdrol. Geen lukrake fantasietjes, overigens: Klein Hanevelds ideeën borduren altijd voort op de wetenschappelijke actualiteit, of hij nu schrijft over een buitenaards ecosysteem dat lijkt op een onderzees zenuwstelsel of over de belevenissen van de laatste intelligentie op aarde.’ Hij kenschetst Klein Hanevelds schrijfstijl vervolgens als ‘licht verteerbaar proza, de zinnen kort en doeltreffend, zonder te veel stilistische tierelantijntjes.’

In de loop van de jaren heb ik naar schatting 25-30 kortverhalen van Klein Haneveld gelezen, in anthologieën en tijdschriften, online en als jurylid bij EdgeZero. De aandacht voor De laatste verkenner in de Volkskrant en elders maakte me nieuwsgierig. In deze bespreking kijk ik, na een korte reflectie op de structuur en thematiek van de bundel, naar twee van de aspecten die Van Hal aanstipt, namelijk de noemer ‘sciencefiction’ en de stijl. Ik sluit af met een persoonlijke leesbeleving.

Structuur en thematiek

De verhalen in De laatste verkenner vertonen een opbouw. In het eerste deel, tot en met Het huis op de heuvel, spelen de verhalen zich grotendeels af op een dystopische Aarde in een niet al te verre toekomst. Daarna bewegen we ons vooral in het buitenaardse of op zijn minst het onbekende: in de diepzee of de wouden van exoplaneten, in ruimteschepen of op een Aarde die net zo goed een andere planeet zou kunnen zijn. Na Droomboot waaiert het uit. In Het moeras en Waar je goed in bent blijkt de mens niet meer te zijn dan een element in een grotere entiteit. Vanaf De tuinman kijken we zelfs op zo’n grote afstand in ruimte en tijd naar het universum dat de mens niet meer herkenbaar ‘mens’ is. We zijn dan miljoenen, soms miljarden jaren verder in de evolutie. Het laatste verhaal, Het bezoek van de tovenaar, sluit af met het opblazen van onze zon, als een signaal aan andere intelligenties in het universum. ‘Hopelijk doen zij het beter dan wij,’ besluit verteller Leon.

Inderdaad is het klimaat het sterkst aanwezige thema in de verhalen, met de nadruk op de rol van de mens in de opwarming van de aarde en de vervuiling van het milieu. Met de klimaatontwikkelingen is vrijwel steeds vervlochten de schuld van de commercie en het eigenbelang van bepaalde mensen. Machthebbers trekken zich terug in veilige luxe-oorden en laten de rest van de mensheid aan hun lot over. Dissidenten verzetten zich, anderen vluchten of trekken zich in onmacht terug. Verhalen als De wachtende vrouw en Wereld van monsters spreken de gedachte uit dat de Neanderthaler of de Denisovamens het er misschien beter van had afgebracht dan de homo sapiens sapiens.

Een ander thema is de verhouding tussen lichaam en geest. Er zijn androïden die opvolgers van de mens zijn: begaafder en in veel opzichten ethischer. In verhalen als Kille ontmoeting en Droomboot hebben personages via een simulatie ervaringen. Hun lichaam is dan op een veilige plek, hun geest neemt waar en handelt. Regelmatig wordt de herinnering gezien als de basis van identiteit en keuzemacht. Dat zet wel de deur open voor misbruik, zoals in Een kwestie van perspectief en Wraakneming, waarin machthebbers geïmplanteerde indrukken gebruiken om de vertellers te manipuleren. Misbruik is juist niet aan de orde in In elkaars ogen, een liefdesverhaal over de menselijke vluchtelinge Jody en haar bezielde ruimteschip. ‘Hoe weet ik dat je niet meer hebt gemanipuleerd dan alleen mijn waarneming?’ vraagt Jody. ‘Dat weet je niet,’ antwoordt het schip. ‘Dat zul je ook nooit weten. Je moet zelf kiezen of je mij vertrouwt.’

Eveneens terugkerend, hoewel minder uitgesproken, is kennis van en interesse in het onbekende. Ik proefde hier sterk de stem van de schrijver, die ik van Facebook ken als een gepassioneerd lezer over alles wat te maken heeft met de prehistorische fauna en de diepzee. In de drie diepzeeverhalen halverwege de bundel (Grafplaneet, Ongeluk en Kille ontmoeting) komt dit duidelijk naar voren. In De hemel op aarde zijn de helden twee nerds gedreven door een oprechte liefde voor ‘dat bewegende slijm’ – en bereid om daarvoor de kluit te belazeren.

Wetenschappelijk overtuigende extrapolatie?

Over de definitie van ‘sciencefiction’ kan men lang en breed discussiëren. In het algemeen is men het er wel over eens dat het zich onderscheidt van bijvoorbeeld fantasy doordat de sense of wonder die zo kenmerkend is voor speculatieve fictie in het algemeen, een wetenschappelijke invalshoek heeft. Geen lukrake fantasietjes dus, om Van Hals woorden te gebruiken, en die invalshoek wordt geacht te corresponderen met hoe we vanuit de huidige stand van de wetenschap tegen mogelijkheden of ontwikkelingen aankijken.

Frederic Pohl zei ooit dat goede sciencefiction niet de auto voorspelt maar de file. Dat vind ik een mooie uitspraak omdat volgens de meeste definities van ‘verhaal’ de menselijke ervaring centraal staat. Al hoeven personages of hun psychologische ontwikkeling bepaald niet de kern van een verhaal te zijn, wie over de toekomst schrijft kan niet volstaan met technische snufjes. Een mens die zich realistisch beweegt tussen al dat verwonderlijke is een must. Het is ook niet voldoende om een enkel aspect te extrapoleren in de tijd en rest gelijk te laten blijven aan het hier en nu. Sciencefiction moet met het verstand kloppen, al hoeft zeker niet alles uitgeduid te worden of als geheel rationeel te zijn.

Op de achterkant krijgt De laatste verkenner de term ‘SF-verhalen’ mee. In de verhalen komen inderdaad futuristische elementen voor. Er zijn kleren en matrassen die zich om je lichaam heen sluiten, er zijn 3D-printers die winkels overbodig maken en er zijn communicatievormen die rechtstreeks de netvliezen of de hersens in gaan. Toch is er weinig terug te vinden van Pohls file. De elementen zijn gadgets die vooral dienen om de verhaalwerelden een bepaalde sfeer mee te geven. De zweefschaatsen in De hemel op aarde deden me denken aan Back to the future. Ook de digitale interactie in de verhalen riep regelmatig vragen bij me op. Zelfs een eeuw na ‘de klimaatoorlogen’ (De ijzeren vrucht) is er nog steeds sprake van likes en voorgeschotelde advertenties. Dit is hoe we het gewend zijn van de social media van de afgelopen vijftien jaar. Kijkend naar de enorme snelheid waarmee dit soort technieken maar bovenal gebruikers zich ontwikkelen, hoe waarschijnlijk is het dat zoiets de decennia, laat staan de eeuwen, gaat overleven?

Al met al is in de bundel de techniek van de toekomst niet vernieuwend of doorgedacht. Er is ook geen samenhang tussen nieuwe mogelijkheden of een reactie-op-een-reactie die de indruk wekt dat de verhaalwereld groter is dan enkel datgene wat bij de verhaalhandelingen hoort. Sterker nog: er is hier en daar sprake van extrapolatie van zaken die in onze tijd al wetenschappelijk achterhaald of gewoonweg onrealistisch zijn.

In Een kwestie van perspectief, bijvoorbeeld, kan de persoonlijkheid van mensen, zoals die is vastgelegd in hersencellen, worden opgeslagen. ‘Hun levenservaringen, hun manier van praten, hun diepere gevoelens. Die werden vervolgens in het geheugen van de ruimtevaarder overgebracht en daarna was het alsof hij ze al een eeuwigheid kende.’ Dit is de historische scheiding tussen lichaam en ziel. Menselijk gedrag komt voort uit een combinatie van biologische en sociale factoren, zo weten we al minstens 25 jaar. Wat een individu tot een individu maakt zit niet in ‘hersencellen’. Het zit zelfs nergens. Het is de totale samenhang van het fysieke en het mentale (wat dat ook wezen moge) en zelfs de darmen schijnen erbij betrokken te zijn. Daarnaast is menselijke interactie waanzinnig complex. De herkenning en emoties die een medemens bij je oproept worden niet alleen bepaald door die medemens maar ook door jezelf. Een kwestie van perspectief berust daarmee op een wetenschappelijk achterhaalde opvatting.

Ook de ICT reflecteert geen overtuigende extrapolatie. Het is vooral aanwezig als een soort magie die veel vermag op tamelijk onnavolgbare wijze. In Het breukvlak heeft een enkel persoon in een privéproject iets bedacht waarmee op revolutionaire wijze de bindende programmering van androïden verbroken kan worden. In De bevrijder brengt de verteller met één druk op de knop de beschaving ten einde. Zo eenvoudig is het in onze tijd niet en zal dat in de toekomst ook niet zijn, lijkt mij. Verder valt in sommige verhalen op dat mensen, ondanks de dictaturen waarin ze leven, toch tamelijk gemakkelijk toegang hebben tot ‘het netwerk’. De verteller van De bevrijder mag die toegang tijdens haar detentie nota bene gewoon behouden. Ook de verteller in De strijd der dryaden weet haar boodschap op de valreep nog naar Aarde te sturen, dit terwijl ze fysiek en mentaal volledig overgeleverd is aan de gewetenloze commerciële firma waarvoor ze werkt. Ze is biologe, lezen we, maar om zoiets klaar te spelen zou ze, ook al in het hier en nu, een zeer begaafde hacker moeten zijn.

Complexiteit en menselijke dilemma’s?

Het leven is ingewikkeld. Als we in lijn met Pohls metafoor over een file praten, dan heb je het meteen ook over de sluiproutes die ontstaan, over boze omwonenden, over de juridische strijd rond flitspalen. In een kortverhaal kan dit natuurlijk niet allemaal in beeld komen. Toch wil je als lezer op zijn minst het gevoel hebben dat de schrijver de effecten van zo’n file in het achterhoofd heeft gehad. En het is evident dat er iets niet klopt als de weg niet gebouwd is terwijl men toch op de bestemming arriveert alsof men 100 km/uur heeft kunnen rijden. Of als er nooit autopech is. Met andere woorden: wat nu complex is voor wat betreft zowel de techniek als de maatschappelijke effecten, moet dat in een toekomstige of anderszins fantastische verhaalwereld ook zijn.

Een typisch voorbeeld van zo’n complex onderwerp is het klimaat. Als de cijfers over de opwarming van de aarde inderdaad zijn wat we horen, dan zal dat proces een enorme keten van effecten teweegbrengen, op heel veel niveaus van ons leven en over een lange periode. En elke actie, of het nu gaat om het vertragen van die opwarming of om spontane menselijke reacties op de effecten, levert weer nieuwe ketens van effecten op. Wie schrijft over het klimaat en dat onder de noemer ‘sciencefiction’ doet, mag geacht worden in het verhaal glimpen van die complexiteit te laten zien.

De klimaatverhalen in De laatste verkenner laten echter geen complexe effecten of menselijke dilemma’s zien. Ze bieden een eenvoudige oplossing voor het probleem: de rijken en machtigen zijn de schuld van alles en als zij anders gaan handelen dan komt het goed. In Het moeras, een symbolisch verhaal over de bemanning van een enorm lichaam-annex-machine, ligt de bal bij ‘de kapitein’ die de balans in haar binnenste naar de andere kant moet laten doorslaan. Dat doet ze. ‘De oorlog was voorbij. Ze had besloten te vechten.’ Onduidelijk is welke oplossing hier nu concreet geboden wordt. Gaan we in opdracht van onze regeringen de bevolkingsgroei op aarde terugdringen? Wat betekent dat dan voor de vergrijzing, voor samenlevingen waar kinderen de oudedagsvoorziening vormen? Gaan we het welvaartsniveau in een rijk land als Nederland terugschroeven? Als lezer van De cactus liep voorbij kan ik evenmin aanvoelen hoe de toekomst eruit ziet als ik samen met die jonge vrouwen en mannen wegren van de logge machine die staat voor alles wat de zittende generatie heeft verprutst. Wat moeten we als individu en als gemeenschap opgeven als we zouden kiezen voor zo’n eenvoudig en circulair bestaan? Is daar bijvoorbeeld nog plaats voor zieken en gehandicapten? Zo nee, hoe is dat dan emotioneel? Hoe zal het in zo’n kleinschalige samenleving werken met onze instinctieve drang om status te verwerven? Of kunnen individuele mannen en vrouwen zich daaraan ontworstelen? Waarom wel of niet?

Het mensbeeld in de bundel sluit aan bij dit wel erg eenvoudige beeld van complexe kwesties. Dat Tarlan in Ongeluk na 20 jaar vriesslaap ontwaakt en uitgezaaide kanker blijkt te hebben en dat hij en zijn collega zich, ondanks zijn naderende overlijden, nog regelmatig aan elkaar ergeren, is realistisch. Dit alledaagse, echt menselijke is echter niet vaak terug te vinden. Vooral in het eerste, dystopische gedeelte van de bundel wordt de mensheid overwegend zwart-wit afgeschilderd. De indruk ontstaat dat er maar drie soorten mensen zijn. Ten eerste foute mensen (= rijken). Ten tweede dissidenten (= helden). Ten derde een rest-van-de-mensheid die slaaf is of dom en agressief (‘werkloze tieners en verslaafden’). In Gevallen engel zijn het de handelaars, de investeerders en de machthebbers die het probleem hebben veroorzaakt en zich nu hebben teruggetrokken in een soort ‘hemel’ van ruimteschepen. ‘Maar ook wetenschappers, filosofen en zelfs kerkleiders waren opgestegen.’ De rest van de mensheid is blijkbaar opgegaan in die futloze en nogal onprettige grijze massa. Maar, denk je dan, waar zijn dan de loodgieters, de logopedisten, de buurtmoeders, de voetbaltrainers? Kennen zij geen daadkracht en empathie? Is de mensheid afhankelijk van filosofen? Al met al is het mensbeeld in De laatste verkenner niet heel prettig en ook niet realistisch. Net als bij de opslag van gedachten in hersencellen in Een kwestie van perspectief klopt ook hier de basis van de extrapolatie niet.

Geen SF, wel een persoonlijk document

Ik zie dus weinig terug van de wetenschappelijke actualiteit waar Van Hal van spreekt. De laatste verkenner bundelt vooral verhalen waarin klassieke sciencefictionelementen worden ingezet om de thema’s vorm te geven. In termen van Pohls metafoor voorspellen deze verhalen geen file maar hoogstens een voertuig met een ontwerp dat aansluit bij tamelijk verouderde sciencefictionconcepten, primair bedoeld om de visie van de schrijver op het verkeer over te brengen. Er zijn uitzonderingen (zoals Grafplaneet) maar de toekomstwerelden dienen overwegend als vehikel voor het overbrengen van een boodschap. Bij deze schrijver verrast me dit trouwens niet zo. De verhalen van Klein Haneveld die de de twee meest recente edities van de jaarlijkse anthologie EdgeZero haalden, namelijk Ontsnappingspoging en Het groene meer, waren ook geen sciencefiction te noemen. In Ontsnappingspoging werd zonder veel contextonderbouwing een sfeer van psychologische horror neergezet. Dat verhaal vraagt daar ook niet om, het wil iets zeggen over de terreur van reclame. Ook in Het groene meer ontbrak het element ‘wetenschap’, overigens volstrekt geen gemis in een verhaal dat draait om die aloude en oermenselijke vraag: wat gebeurt er als je sterft?

De ondertitel van De laatste verkenner is ‘Verre werelden, verre toekomsten’. Dit dekt de lading beter dan ‘sciencefiction’. Hierbij betrek ik ook het machteloze dat ik in verhalen zoals Wereld van monsters aantrof, het schuldgevoel over deel uit te maken van de mensheid die al die prachtige natuur te gronde richten. Deze bundel is geen sciencefiction maar een persoonlijk, sterk dystopisch document van een schrijver die elementen uit de traditionele sciencefiction gebruikt om te zeggen wat hem hoog zit. Dan is het ook geen probleem als het allemaal niet sluitend is. Weliswaar worden in Het bezoek van de tovenaar ook ‘gedachten’ overgebracht naar machines en blijven die systemen, hoogst onwaarschijnlijk, ook nog eens vier miljard jaar zonder defecten bestaan, maar wetenschappelijke waarschijnlijkheid is hier ook niet de kern van de zaak. Dit verhaal wil iets zeggen over de waarde van echt leven.

Stijl en verhaalopbouw

Klein Haneveld is een schrijver van de ‘klare lijn’. Zoals Van Hal het formuleert: ‘de zinnen kort en doeltreffend, zonder te veel stilistische tierelantijntjes.’ Hij heeft een goed gevoel voor register, niets is te formeel, te bloemrijk of juist te simpel, en er zit in de regel afwisseling in de zinnen. Zijn taalgebruik is vrij tijdloos; ik schat dat we het over een jaar of dertig niet als bijster ouderwets zullen ervaren.

Nu ik voor het eerst een hele bundel met verhalen van zijn hand las, viel me wel op dat hij veel gebruikmaakt van een bepaald type verhaalopbouw. Daarin beginnen we in het hoofd van de verteller (ik-persoon of derde persoon enkelvoud) die op dat moment een intense fysieke actie uitvoert (klimmen, zwemmen, rennen) of intens iets waarneemt. De beschrijving daarvan is zeer gedetailleerd en beslaat regelmatig een of twee pagina’s, waarbij als het ware elke vingerbeweging wordt benoemd. Door terloopse opmerkingen reikt de passage de lezer ook vragen aan: wat is hier aan de hand, waarom doet de verteller dit-of-dat? Deze vragen worden beantwoord in het volgende gedeelte, waarin de verteller een of andere ontdekking doet. Daarop volgt een inzicht, in de vorm van reflectie of van uitleg door een ander personage. Dat inzicht levert vervolgens een besluit en een actie op.

Verbale bouwtekeningen

De blow-by-blow-beschrijving aan het begin leveren niet altijd een duidelijk beeld op van wat er aan de hand is. Bijvoorbeeld de openingspassage van De strijd der dryaden:

De oorlogself leunde tegen de sponsachtige stam van de boom. Soraya hield haar linkerbeen gestrekt, met haar hak in het mos gestoken om zich overeind te houden. Haar hoofd lag achterover tegen de meegevende schors. Haar linkerarm hing naar beneden, onaangenaam strakgetrokken door het gewicht van de granaatwerper, naadloos aan haar pantser verbonden. Haar rechterhand, met daarin haar straalwapen, rustte op haar borst. Ze had nog slechts genoeg energie voor één schot.

Pas twee pagina’s verder werd mij duidelijk dat Soraya en de oorlogself twee verschillende entiteiten zijn: de oorlogself is een voertuig dat zij bemant. Maar of Soraya nu staat (omdat haar linkerarm naar beneden hangt) of ligt (omdat haar rechterhand op haar borst rust) begrijp ik niet. En leunt de oorlogself schuin tegen de stam aan en leunt zij daar weer tegenaan?

De schrijver van sciencefiction, fantasy of welk ander subgenre binnen de speculatieve fictie dan ook, loopt per definitie aan tegen het gegeven dat de lezer niet meteen bekend is met de ins en outs van de verhaalwereld. De kunst is dan om dingen dan toch zodanig uit te leggen dat de lezer mee kan komen in de omgeving en de gebeurtenissen. Als lezer hoef je niet elk woord te snappen, maar je moet wel een totaalgevoel krijgen van wat er aan de hand is. De schrijver moet daarom uit alle informatie die hemzelf ter beschikking staat over wat hij, al dan niet wetenschappelijk onderbouwd, heeft verzonnen, die details halen die het geheel overbrengen.

Een gedetailleerde maar toch onduidelijke beschrijving zoals die over de oorlogself is geen uitzondering in De laatste verkenner. Vooral in die beginpassages kon ik de verhaalsituatie vaak niet visualiseren. In De smaak van aardbeien, bijvoorbeeld, verkent de verteller in een duikerspak een onder water staand flatgebouw, daarbij geholpen door sensoren in zijn masker die hem informatie verschaffen.

De scans tonen meer entrees van woningen om me heen, maar die doen er niet toe. Belangrijker zijn de treden, aflopend tot ze uit het zicht verdwijnen en omhoog tot voorbij het plafond, waar mijn gevoelige sensoren een beetje meer licht waarnemen.

Ik kan me hier weinig bij voorstellen, behalve dat er kennelijk een trap is. Even later, als hij een verdieping heeft bereikt die boven de waterspiegel is, ontdoet hij zich van zijn kieuwen en zwemvliezen en propt ze ‘bij elkaar onder een camouflagedoek’. Propt hij ze onder zijn kleding? Of ligt er in het gebouw een camouflagedoek waar hij ze onder legt? Of legt hij het zaakje neer en dekt hij het vervolgens af met een camouflagedoek die hij bij zich heeft? (Valt en camouflagedoek niet ongelooflijk op in een betonnen trappenhuis?) Ik kwam er niet uit.

Een paar maanden geleden las ik IJsbrekers, Klein Hanevelds bijdrage aan de Zwijgende aarde-serie, en liep ook daar regelmatig aan tegen beschrijvingen die in hun gedetailleerdheid hun vertellende doel voorbij schoten. Bijvoorbeeld:

Toch sloop ik op mijn tenen naar de dichtstbijzijnde sluis [in] het centrale gedeelte. Via de kantine kwam ik bij het midden uit, een cirkelvormige ruimte met opzij de deuren van de liften.’

Even later:

Ik stond op een smalle rand om een ronde vijver. Op vier plekken liepen kanalen naar de omringende ruimtes en van daar via de sluizen naar de buitenste ring. De metalen bodem van de poel liep af naar het midden, waar zich een grauwe cirkel bevond. De luiken op die plek waren nu gesloten (…)

De schrijver ziet het kennelijk visueel en ruimtelijk allemaal precies voor zich maar doet geen moeite om het aan de lezer over te brengen op zo’n manier dat die zich er kan wanen. Een dergelijke beschrijving voelt niet aan als een vertelling maar als een verbale bouwtekening. Soms neemt het zelfs de spanningsboog en samenhang weg, zoals in De wachtende vrouw. In dat verhaal kijken we door de ogen van verteller Ronald. Hij klimt, bereikt plekken, ziet daar dingen en trekt op de laatste pagina een conclusie voor zichzelf. Ik kreeg niet scherp wat nu de bedoeling was van het geklauter en van de diverse obstakels die hij onderweg tegenkwam.

Dat de redactie van De laatste verkenner beslist te wensen overlaat, versterkt regelmatig de onduidelijkheden. Bijvoorbeeld een zin als ‘Ik weet dat ze ver gaan om kostbaarheden op te duiken, tot slavernij aan toe’ (in In de Rotterdamse haven). Of in De ijzeren heuvel: ‘[De aashonden] hadden een duivels karakter, maar ze smaakten prima en hun huiden hielpen de mensen tijdens de lange nachten warm te blijven. De rest van het jaar droegen ze geen kleding, behalve een grauwe lendendoek.’ Of een passage in De strijd der dryaden, waarin Soraya eerst bewegingen waarneemt ‘in de kruin van de boom tegenover haar’ maar waar de dryade even later kennelijk nog ‘tussen de takken door’ slingert. Of Ronald in De wachtende vrouw, die ‘s nachts in een grot slaapt en de volgende morgen zijn spullen in zijn rugzak pakt. ‘Licht voorovergebogen liep hij naar de wand van de zaal links van hem.’ Onduidelijk is of het de wand is of de zaal die links van hem is.

Persoonlijke leesbeleving

Johan Klein Haneveld heeft veel in huis. Een sterke troef is zijn passie voor de natuur en zijn kennis van allerlei wonderlijks in de diepzee en de prehistorie, waaruit hij schijnbaar moeiteloos verhalen kan destilleren. Die fantasie en passie lijken ook nog eens onuitputtelijk. Daarnaast heeft hij op zich een fijne pen. De reden dat zijn verhalen me over het algemeen niet echt weten te boeien is omdat hij nogal de neiging heeft om expliciet uit te leggen wat de lezer moet concluderen. Heel vaak is er een moment, op ongeveer 80% van het verhaal, dat de verteller het inzicht krijgt dat in de meeste gevallen ook de strekking van het verhaal is. Deze wordt dan bij monde van personages aan de lezer uitgelegd. Omdat personages ook regelmatig letterlijk worden beschreven als onethische types, hoeft er geen twijfel te bestaan over wat we moeten vinden. Ook in De laatste verkenner is dit aan de orde. Ik heb geen enkel probleem met een standpunt, met engagement, maar een ervaren schrijver als Klein Haneveld mag wat mij betreft meer ‘show don’t tell’ aan de dag leggen.

Wat het mensbeeld betreft wil ik nog kwijt dat ik bij het lezen van deze bundel regelmatig erg viel over het demoniseren van iedereen met een bepaald soort baan of inkomen. Welke gruwelijke excessen zo’n denkwijze kan opleveren blijkt uit de geschiedenis van de Sovjet-Unie in de jaren 30. De schrijver heeft grote zorgen over het klimaat. Daarin wil ik best met hem meegaan. Maar waar principes boven mensen worden geplaatst kan alleen maar ellende komen.

Niettemin heb beslist een aantal fijne verhalen in De laatste verkenner aangetroffen. Het moeras vond ik beeldend en vervreemdend, de drie diepzeeverhalen in het midden overtuigden me. Ook de twists aan het einde van sommige verhalen vond ik leuk. Een of twee verhalen aan het einde hadden een weemoedige sfeer die me wel raakte. Je beseft hoe minuscuul we op deze rare, rondtollende bol eigenlijk zijn in het totaal van ruimte en tijd.

Voor wat betreft de niet-inhoudelijke kanten van de bundel mag Klein Haneveld stilistisch en ook redactioneel wat mij betreft flink zelfkritischer worden, wat overigens voor iemand met zijn taalgevoel geen enkel probleem hoeft te zijn. Zijn verhalen zouden veel sterker worden als hij na het voltooien ervan eens de tijd neemt om te kijken hoe het resultaat voor lezers is. Wat moeten de lezer zien, horen, ruiken en voelen om er te kunnen zijn en alles te kunnen ervaren zoals hij het zelf voor ogen heeft? Hoe wordt het verhaal evenwichtig en niet topzwaar aan één kant? Welke details zijn wanneer nodig om de juiste puzzelstukjes in het hoofd van de lezer neer te leggen, en welke hoeven enkel in het hoofd van de schrijver te bestaan? En (als hij het label ‘sciencefiction’ belangrijk vindt) hoe kunnen de toekomstwerelden echt realistisch en visionair worden? Al deze zaken hebben te maken met afstand nemen tot het verhaal maar ook met bijvoorbeeld proeflezers inschakelen. Mijn beeld is dat Klein Haneveld zoveel plezier in het schrijven heeft dat hij de lezer uit het oog verliest. Dat is jammer. Hij heeft veel te bieden. Maar als de meeste van zijn verhalen blijven steken op het niveau van een haastig aan papier toevertrouwd idee dan zullen ze, vrees ik, de tand des tijds niet doorstaan.

 

Lees ook

 

Deze bespreking verscheen in februari 2024 als blog op Hebban onder de titel Haastig persoonlijk document. De tekst is in 2026 tekstueel uitgebreid herzien, hoewel de strekking inhoudelijk niet is veranderd.