Is speculatieve fictie pulp voor wereldvreemde nerds? De jaarlijkse anthologie Edge Zero heeft als ondertitel ‘de beste Nederlandse genreverhalen’. Aan de hand van de editie van 2022 (met verhalen uit 2021) en enkele skeptische vragen bekijk ik of deze bundel de mensen om me heen er eindelijk eens van kan overtuigen dat sciencefiction, fantasy en horror geen pulp voor wereldvreemde nerds is.
Wie bepaalt dat dit de beste Nederlandse speculatieve verhalen zijn?
Niemand. Deze Nederlandstalige verhalen zijn het hoogst geëindigd bij de jaarlijkse verhalenwedstrijd Edge Zero, waarvoor alleen verhalen mogen worden ingezonden die óf ergens gepubliceerd zijn geweest óf hebben meegedongen in een verhalenwedstrijd. Kijkend naar de 24 verhalen dan zie ik dat er tien in een verhalenbundel hebben gestaan, waarvan zeven in de bundel Poe in de polder. Vijf konden gratis gelezen worden via een online forum (Fantasize, Modern Myths) of tijdschrift (Twist). Vijf deden mee aan een verhalenwedstrijd (Waterloper), waarbij de gemiddelde positie van het vijftal de 11e plaats was. Vier stonden in een papieren tijdschrift (Fantastische Vertellingen, HSF, SF Terra). Het is dus maar een deel van wat er daadwerkelijk circuleert en niet per definitie ‘het beste’ – wat dat trouwens ook wezen moge.
Raketten, zombies en elfen?
Beslist niet. Er is zegge één verhaal dat zich in een ruimteschip afspeelt en er loopt een enkele verdwaalde trol rond. De onderwerpen zijn heel breed. Er is een klassiek horrorverhaal over een vanuit gene zijde bestookte weduwe en een dito idem over een lifter from hell. Er is een lugubere moord in 1813, een reis naar een piramide op de zuidpool in 1927 en er wordt wel eens in de tijd gereisd. Er blijken gruwelen te kunnen komen uit ‘ferro-gaten’ maar net zo goed uit de schiettent of de buffetkast. Er zijn ruimtesteden, er is een zomerse hel, en een miniatuurwereld onder water. De lezer treft broers met een sterke band, een onscrupuleuze speurder-avonturier, een rustminnende componist, vampiers, een overspannen DJ, busbesturende engelen en vele anderen. Horror is vrij sterk vertegenwoordigd, niet verrassend gezien het aantal verhalen uit Poe in de polder, maar alles bij elkaar is de bundel een vergaarbak van verhaalonderwerpen, vormen, thema’s en taalcomplexiteit.
Nerderig?
Absoluut niet. Ik ben geen detail tegen gekomen dat de indruk wekte bij de NASA geverifieerd te zijn, net zo min als fantasywerelden uitgewerkt tot het niveau van de manchetknoopjes van de keizerlijke garde. Omdat de nadruk in de meeste verhalen ligt op mens en maatschappij, zijn de universums waarin de verhalen zich afspelen ondanks de speculatieve verhaalelementen vooral herkenbaar. Het enige voorbeeld van ondeugdelijk research trof ik dan ook op dat punt aan, in De wachtkamer van Frank Roger, waar sprake is van een hoofdverpleegster die paniekerig doet.
Lekker boekje voor op de bank als je moe bent dus?
Dat weet ik niet zo net. Verschillende van de verhalen zijn in een toekomst gesitueerd. Opvallend is dat het toekomstbeeld in die verhalen vrijwel zonder uitzondering negatief is. Technische vooruitgang is nogal eens de oorzaak van sociale misstanden. Daarbij is vaak sprake van een ‘ze’: een dictatoriale macht, vaak niet concreet benoemd, die techniek inzet om mensen te onderdrukken. Indirect reflecteren deze verhalen hiermee de zorgen die veel mensen hebben over ontwikkelingen in onze huidige maatschappij. In Gesynchroniseerde bezieling van Paul van Leeuwenkamp, bijvoorbeeld, leidt marktwerking op kosmische schaal tot complete chaos omdat de gevolgen van de invoering niet overdacht zijn. Ruimtesteden twinkelen niet van Tais Teng schetst een toekomst met megalomane ruimtesteden waarin menselijke arbeidsverhoudingen zoek zijn. De dominantie van reclame is zo extreem geworden in Ontsnappingspoging van Johan Klein Haneveld dat je er voor op de vlucht slaat. In De glimlachende dode van Guido Eekhaut zijn zelfs overledenen machteloos overgeleverd aan gerechtelijke procedures. Oplossingen worden in deze verhalen niet geboden. Dat is wel het geval in Het water kruipt waar het niet gaan kan van Kelly van der Laan en Wendy Torenvliet, waarin mensen uit de werkende klasse radertjes zijn geworden, en in Tribunaal van Mike Jansen en Maarten Luikhoven, waar we in een toekomst vol interstellaire oorlogen leven. In beide weet men het tij te keren. Maar van alle verhalen is De doorbraak van Anaïd Haen en Django Mathijsen eigenlijk het enige dat een optimistisch toekomstbeeld schetst: over tien á twintig jaar is de wereld niet heel erg veranderd, alleen is er grote medische vooruitgang.
Aha, deprimerend en moraliserend…
Deels wel. Maar dat is ook een kwestie van je persoonlijke smaak en maatschappijvisie. Veel mensen vinden het prettig om hun zorgen over de toekomst verwoord te zien, en speculatieve fictie is nu eenmaal een uitgelezen manier om ze in verhaalvorm te gieten. Het woord ‘moraliserend’ vond ik zelf wel regelmatig van toepassing, dit omdat in verschillende verhalen de onderliggende boodschap verweven is met de gebeurtenissen. Er wordt over de boodschap gesproken en gedacht door hoofdpersonages, waardoor het er dus vrij dik op ligt. Maar ik trof ook enkele verhalen aan waarin een strekking wat meer verborgen is. Opvallend vond ik dat de oorzaak van het onheil in deze verhalen ook niet wordt gelegd bij de grootconglomeraten, de militairdictaturen en de -ismen maar bij onszelf. Ze gaan daarmee over het hier en nu, over mens, maatschappij en meute. Zo is De bron van Mike Jansen op het eerste gezicht een avontuurlijke reis naar de Zuidpool. Tussen de regels door zegt het echter iets over de verspreiding van informatie en waar de ‘bron’ van sommige kennis zou kunnen liggen. Glazen tellen van Debby Willems is complex en zegt voor mijn gevoel iets over traditionele verwachtingspatronen ten aanzien van vrouwen, over intolerantie en over de kloof tussen wat we openlijk belijden maar eigenlijk nog altijd denken. Schuldgevoel is hierin zowel een last als een instrument van manipulatie. Op de wadden waait het altijd van Rick Vermunt is directer en kan ook aantrekkelijk zijn voor lezers die een hekel hebben aan fantasie in een verhaal. Een man die op zoek gaat naar de historie van zijn vader ontdekt het belang van de erkenning van oud leed.
Moet ik deze anthologie lezen als ik enthousiast wil worden over speculatieve fictie?
Mwoah. Je kunt slechter beginnen. Houd er wel rekening mee dat de verhalen heel divers zijn in sfeer, mate van spanning en verhaalwereld. Niet alles zal aansluiten bij je smaak of verwachtingen. Maar alle verhalen zijn online te lezen, dus wat houdt je tegen?
Welke drie verhalen zou jij zonder gêne of twijfels aanraden aan wie dan ook?
Ten eerste Glazen tellen van Debby Willems, alhoewel niet vanwege de schrijfstijl die hier en daar ronduit stroef is. Maar het is een mooi gestructureerd, inleefbaar en gelaagd verhaal waarover ik nog steeds niet uitgedacht ben. Ten tweede Anaïd Haen, die met Poes haat een uiterst vuil maar tegelijkertijd aandoenlijk horrorverhaal neerzet. Laat dit verhaal lezen door je puber en de generatiekloof wordt gegarandeerd kleiner. Ten derde De vis, geschreven door Jan J.B. Kuipers, dat oersterke merk binnen de Nederlandstalige speculatieve fictie. Kuipers is de uitvinder van de Zeeuwse horror, een eenmansgenre dat gekenmerkt wordt door een prachtig taalgebruik en een sfeer waarin zelfs een kuiltje jus niets vermag. Altijd een genot om te lezen.
Lees ook
Deze bespreking werd eerder in oktober 2022 gepubliceerd als blog op Hebban. Er zijn enkele inhoudelijke en tekstuele aanpassingen gedaan.
