Het woud dat runen ritst. Over Jack Schlimazlniks ‘Het lied van de pijn’

PDF-versie

 

‘Give a dog a bad name and hang him.’ Of in het Nederlands, want dit gaat tenslotte over een verhaal van Jack Schlimazlnik: ‘Wee de wolf die in een kwaad gerucht staat.’ Daar waar onjuiste informatie klakkeloos voor waarheid wordt aangenomen, vallen slachtoffers. Een schrijnend voorbeeld hiervan is de justitiële dwaling waarvan verpleegkundige Lucia de Berk het slachtoffer werd. In 2003 werd zij tot levenslang veroordeeld voor zeven moorden. Ze zou een psychopathische seriemoordenaar zijn die haar patiënten, waaronder enkele baby’s, gif toediende. In 2008 werd haar zaak heropend en twee jaar later werd ze vrijgesproken van alle aanklachten. Geen van de sterfgevallen was onnatuurlijk geweest, zo oordeelde de rechtbank.

Wat er mis ging? De veroordeling was vooral gebaseerd op statistische argumenten: het kon geen toeval zijn dat Lucia zo vaak in de buurt van een patiënt was geweest wanneer deze overleed. En dat moord in enkele gevallen bewezen werd geacht, was voldoende reden om de overige dan ook maar als bewezen aan te nemen. Daarnaast speelden Lucia’s ‘dagboeken’ een belangrijke rol. In deze schriften pende ze emoties en gedachten neer en maakte ze notities voor de thriller die ze ooit hoopte te schrijven. In sommige passages leek te worden gesuggereerd dat ze een dwangmatige neiging had om mensen te vermoorden. Hier en daar waren pagina’s uitgescheurd. Lucia’s verleden werkte ook niet mee. In Canada, waar ze opgroeide, ging de gezinswoning in vlammen op toen zij veertien was. Er waren geen slachtoffers en de Canadese politie had geen enkele reden om kwade opzet te vermoeden, maar brandstichting paste in het beeld van een psychopaat, net als het gegeven dat ze als jonge vrouw twee jaar als escort had gewerkt en had gelogen over een schooldiploma.

Het beeld van de ‘Engel des Doods’ werd door de media uitvergroot en verspreid. Tijdens en na het proces had de gemeenschap dan ook haar oordeel klaar: deze onbetrouwbare, borderline-achtige vrouw met haar korte rokjes was overduidelijk een seriemoordenaar. Toen de toenmalige minister van Justitie haar in 2010 excuses aanbood voor het aangedane leed, noemde hij de gang van zaken ‘ijzingwekkend’.

IJzingwekkend is het. Je zal maar zesenhalf jaar onschuldig vastzitten. Of zelfs gaan denken dat je de dader van een vreselijke moord bent maar dat je het bent vergeten, zoals Cees Borsboom dacht toen hij onterecht werd beschuldigd en veroordeeld voor de Schiedammer parkmoord (2000). Je zal maar vrijgesproken worden van de Zaanse paskamermoord (1984) maar in de gemeenschap veertien jaar lang in een kwaad gerucht blijven staan, zoals Rob van Zaane overkwam. Je zal maar de noodklok luiden, zoals rechercheur Sjoerd Bos in die laatste zaak deed, en professioneel op een zijspoor belanden.

‘Het lied van de pijn’ is een kort verhaal van 7.600 woorden, geschreven in 2016 door Jack Schlimazlnik. Het verhaal laat zien hoe ijzingwekkend gemakkelijk hokjes en beelden ontstaan en, vooral, hoe diep en blijvend slachtoffers daardoor beschadigd kunnen worden.

 

 

‘Waar komt die angst om te vertellen waar het over gaat toch vandaan? Een boek wordt er niet slechter op als je weet waar het over gaat.’ (Jack Schlimazlnik)

Dit artikel bevat spoilers.

 

 

Samenvatting van het verhaal

In ‘Het lied van de pijn’ onderzoekt inspecteur Einar Nilsson de dood van een jonge vrouw, Asta Ekdahl, in een stuga (vakantiehuisje) in de bossen bij het Zweedse stadje Uddevalla. De snijwonden over haar hele lichaam wijzen op zelfbeschadiging, maar ze heeft ook inkervingen in haar rug die ze onmogelijk zelf kan hebben aangebracht. Einar (de ik-figuur) gaat met de zaak aan de slag. Hij heeft een drankverleden en ook geheugenproblemen, waardoor hij alles wat hij doet en waarneemt inspreekt op een voicerecorder en nadien vastlegt in een dagboek. Daarin schrijft hij ook stukjes poëzie. Dat hij niet goed in zijn vel zit blijkt uit zijn ongemakkelijke bezoeken aan het nabijgelegen pijnboombos. Daar staat een runensteen, in de nabijheid van een uitgebrand huis.

Van een nicht van Asta hoort hij dat Asta’s ouders zijn omgekomen bij een brand toen zij veertien was. Asta deed mogelijk aan zelfbeschadiging uit overleversschuldgevoel. Einar beseft dat de inkervingen in haar rug runen zijn die erg lijken op die op de runensteen in het bos. Kort daarna haalt zijn chef hem van de zaak af. Uit het forensisch onderzoek blijkt namelijk dat Einars eigen sporen in de stuga aanwezig zijn. Desgevraagd kan hij niet vertellen waar hij de avond van de moord was. Als hij vervolgens van Asta’s nicht hoort dat Asta enkele maanden voor haar dood een relatie had met ene Einar, begint hij te vermoeden dat hij zelf de dader is. Precies over die periode ontbreken er pagina’s in zijn dagboek. Omdat hij zelf aan zelfbeschadiging heeft gedaan en de pijn van trauma kent, voelt hij een verwantschap met haar. Nu gaat hij denken dat er meer aan de hand was. Hadden ze een relatie met elkaar die uitmondde in een fataal conflict?

Hij bezoekt weer de runensteen en het uitgebrande huis in het pijnboombos, waar zijn eigen ouders omkwamen toen hij vijftien was. Daarna gaat hij terug naar Asta’s stuga. Hij wil proberen te achterhalen of hij nu wel of niet de dader is. In de stuga breekt een brand uit die zich onnatuurlijk snel verspreidt. Een stem uit het woud vraagt hem of de waarschuwing op de steen niet voldoende was. Einar vlucht. Enige tijd later ontwaakt hij in het ziekenhuis. Zijn collega’s vragen hem wat er is gebeurd maar hij weet niet meer of de klauwen die hij tijdens zijn vlucht voelde, echt waren.

Van een runenexpert die hij had ingeschakeld hoort hij dat de runen op Asta’s rug overeenstemmen met die op de runensteen in het pijnboombos. Ze zijn ook elders aangetroffen, steeds bij nieuwbouwwijken, en ze zijn niet authentiek zesde-eeuws maar van recente datum. De strekking van de vijfregelige inscriptie is dat het woud ongeschonden moet blijven: ‘De beschermer van het woud zal pijnigen’. Einar merkt nu dat er ook in zijn eigen rug runen zijn ‘geritst’.

 

 

Germaans woud

Op het eerste gezicht is ‘Het lied van de pijn’ een Nordic Noir (Scandinavische politiethriller) die zich ontwikkelt tot horrorverhaal.

Het verhaal is doorvlochten met elementen uit de Noordse mythologie, zoals die is terug te vinden in Hávamál en andere gedichten uit de anonieme dertiende-eeuwse Edda. De nadruk ligt daarbij op het ‘ritsen van runen’. Deze kunde deed oppergod Odin op toen hij negen nachten lang aan de takken van de wereldboom Yggdrasil hing. Hij verkreeg er macht mee. Aan de voet van de boom verbleven de nornen (schikgodinnen) die de wetten en het noodlot van stervelingen bepaalden door runen in stokken te kerven. Via Odin komen we ook bij hoofdpersoon Einar terecht. Zijn naam houdt verband met de Einherjar, de gesneuvelde helden die in het Walhalla wachtten tot ze door Odin werden opgeroepen voor de Laatste Slag. De voicerecorder en het dagboek die hij gebruikt om zijn geheugengaten te compenseren, kunnen worden gezien als Huginn (geheugen) en Muninn (gedachten), de twee raven die Odin van advies voorzagen. Ook zijn drankprobleem past in het geheel. In sommige gedichten in de Edda wordt namelijk een verband gelegd tussen alcohol en poëzie: de ‘mede van poëzie’ staat voor dichterlijke inspiratie en wijsheid. Met deze associaties worden verschillende verhaalelementen dus aan elkaar geknoopt.

Eveneens uit de Noordse context komt de belangrijke rol voor het woud. Einar bezoekt er de runensteen en Asta’s stuga bevindt zich aan de rand ervan. Bovendien hebben vrijwel alle personages in het verhaal achternamen die iets met bomen te maken hebben. Wouden waren belangrijk voor de oude Germanen. Heilige plaatsen hadden vaak iets van ‘bos’ in de naam en in historische bronnen is regelmatig sprake van heilige bomen.

Het zijn deze Noordse elementen die de eerste betekenislaag aan de oppervlakte brengen. De niet nader beschreven gruwel die Einar aanvalt met vlammen en met inkervingen in zijn huid, verzet zich tegen een ieder die huizen in het bos bouwt en zo het heilige Germaanse woud ‘schendt’:

Zoals het licht volgt op de duisternis,
Zoals de koude komt na de zomer,
Zo blijft dit woud ongeschonden.
Leef mijn wet en buig ernaar!
De beschermer van het woud zal pijnigen.

We horen hier de stem van extreem-rechts die zich met gebruikmaking van oude Germaanse symbolen verzet tegen de komst van vreemdelingen. Uitsluiting is dan ook het centrale thema van het verhaal. Dat Einars oude Volvo behoort tot een serie die niet in Zweden maar bij NedCar in Born is geproduceerd zal geen toeval zijn. In Born vond in 1309 de eerste jodenpogrom op huidig Nederlands grondgebied plaats, waarbij tientallen mensen het slachtoffer werden van een opzettelijk gestichte brand.

 

 

Onschendbaar woud

De tweede betekenislaag van het verhaal wordt duidelijk aan de hand van de parallellen met de casus van Lucia de Berk: de brand vroeger, de ‘dagboeken’ met emoties en gedachten, de pagina’s die eruit zijn gescheurd. In ‘Het lied van de pijn’ wordt het justitiële systeem verbeeld als een onschendbaar woud, ‘diep en duister’ voor wie erin terecht komt. De pijn(boom) staat voor het aangedane onrecht dat slachtoffers voor het leven tekent. De bomen laten zich aanhoudend horen met gefluister, geruis en geloei, maar ze werpen vooral hun schaduw over het leven van de slachtoffers. Verbetering is er niet, want justitiële dwalingen komen met de cyclische onvermijdelijkheid van de seizoenen terug. Het rechtssysteem dat bedoeld is om mensen te beschermen, beschermt enkel zichzelf. Wie het lef heeft zich ertegen te verzetten, zoals Lucia de Berk (die altijd bleef ontkennen) en rechercheur Sjoerd Bos (die de echte dader aanwees) deden, wordt zelf voor het leven beschadigd.

Deze betekenislaag blijkt niet alleen uit de details maar ook uit de manier waarop het verhaal wordt verteld. Einar lijkt geen betrouwbare verteller. De lacunes in zijn geheugen betreffen opvallend vaak momenten dat hij mogelijk samen met Asta was. Of we hem kunnen vertrouwen als hij tegen zijn chef zegt dat hij al maanden niet heeft gedronken weten we eigenlijk niet. Uit de vier poëziestukjes die hij in zijn dagboek noteert valt op te maken dat hij zelf het slachtoffer is van pijn maar dat hij ook pijn heeft toegebracht. Mogelijk is hij door zijn trauma’s zelf tot dader verworden. Daarmee ontstaat bij de lezer het vermoeden dat hij en Asta toch een relatie hadden en dat hij op de avond van de moord inderdaad bij haar was.

Het verhaal lijkt een thriller te zijn waarin een politieman een moord moet oplossen, maar Einar gaat in zijn hoedanigheid als rechercheur nogal vreemd te werk. Hij bekijkt weliswaar de plaats delict en praat met de schouwarts maar hij heeft geen contact met het forensisch team. De nicht wordt niet gevraagd het lichaam te identificeren. De ochtend na de vondst van het lichaam drinkt Einar koffie, werkt hij zijn verslag bij en gebruikt hij Facebook om een beeld van Asta te krijgen. Hij zoekt niet naar sporen bij de stuga, hij doet geen huiszoeking in haar appartement en bevraagt noch haar buren noch haar werkgever. Zijn chef lijkt er allemaal geen probleem mee te hebben. Als ze Einar schorst omdat er in de stuga sporen van hem zijn aangetroffen, laat ze hem naar huis gaan met zijn smartphone en dienstpistool. Voordat hij vertrekt kan hij nog snel politiedossiers vanaf zijn laptop naar een USB-stick kopiëren. Het meest verbijsterende is de wijze waarop hij een runendeskundige zoekt: hij zet een foto van Asta’s gekerfde rug op internet en nodigt deskundigen uit om hem een vertaling te mailen.

Naast dit onrealistische politieonderzoek vinden we in het verhaal veel inconsequentheden en fouten. Een mandje wordt een bestekbak, een luciferdoosje duikt zomaar op, een droge pol gras vat vlam terwijl het even tevoren nog pijpenstelen regende. Auto’s blijven de ene keer wel en de andere keer niet vastzitten in de modder. Appartementen in een complex zijn aan de buitenkant allemaal hetzelfde en deuren zijn ‘openslaand’. Er rijdt een ‘undercover patrouilleauto’ en twee mensen zijn mogelijk ‘samen intiem geweest’. Het lijk van Asta droeg lingerie maar lijkt later een coltrui te hebben gedragen en hoewel Einars gezinsdrama zich in een verleden afspeelde, is de runensteen ‘nog steeds een getuige van de tragedie’. Driemaal wordt een tegenwoordige tijd gebruikt terwijl het verhaal in de verleden tijd is geschreven. Er is de klassieke fout van ‘hebben/zijn vergeten’ en er zijn anglicismen zoals ‘een snelle beslissing maken’.

Dit zijn maar enkele voorbeelden. De tekst is een aaneenschakeling van onzorgvuldigheden, open deuren en vaagheden. Samen met het absurde politieonderzoek kunnen we maar één ding concluderen: dit is een bar slechte thriller.

Met die constatering krijgt de parallel met de justitiële dwaling een extra dimensie. De lezer maakt dezelfde fout als de pers en de gemeenschap door zich kritiekloos te laten meeslepen door een sfeervol verhaal met fijne Noordse elementen. De lezer neemt de slechte thriller voor zoete koek aan en merkt Einar met zijn problemen en belaste verleden aan als mogelijke verdachte, mede op basis van persoonlijke poëzie. Want waar rook is, is tenslotte vuur.

 

 

Maatschappelijke kwesties

Om de derde betekenislaag van ‘Het lied van de pijn’ te zien, eentje waarbij hij een sterke persoonlijke betrokkenheid voelde, moeten we eerst kijken naar Schlimazlniks bredere oeuvre en naar zijn visie op gelaagdheid en verhaalpersonages. Vervolgens moeten we inzoomen op twee andere van zijn verhalen die raakvlakken hebben met het verhaal, namelijk ‘De knipoog van de meermin’ en ‘Tijd en ruimte’.

‘Wat ik niet begrijp is hoe sommige mensen – schrijvers – op Facebook en elders reageren op maatschappelijke en politieke discussies, maar daarvan niets laten zien in wat ze schrijven. Dat je als schrijver een mening hebt en die op Facebook uit, dat wil ik best begrijpen. Maar waarom vind ik die passie of woede niet terug in het fictiewerk van die schrijvers? Dat begrijp ik niet. Ik denk dat veel verhalen er heel erg op vooruitgaan als die opinies van de schrijver er een rol in gaan spelen. Niet dat een verhaal altijd zegt wat de mening van de schrijver is, maar wel dat bepaalde thema’s waar de schrijver zich druk over maakt erin voorkomen, misschien van de ene kant gezien, of van de andere kant, maar wel als aanzet tot diepgang waardoor je als lezer moet nadenken over hoe je zelf tegenover die maatschappelijke kwesties staat.’ 1)

Jack Schlimazlnik (1970-2020) was actief als schrijver, blogger en criticus binnen de Nederlandstalige wereld van sciencefiction, fantasy en horror. Hij publiceerde verhalen in tijdschriften en via het medium Smashwords. Ook deed hij mee aan verhalenwedstrijden, waar hij soms hoog scoorde. Onder een andere naam, mede in de context van een tweejarig polderdichterschap, schreef hij poëzie.

Zijn verhalen kenmerken zich door sterke sfeerbeschrijvingen. Het Nederlandse landschap en de pogingen van de mens om het water te temmen, spelen vaak een rol in zijn verhalen, hoewel hij regelmatig uitstapjes maakte naar andere verhaalwerelden. Voor mythologie en (lokale) legenden had hij van jongs af aan belangstelling. Dat interesse in het Germaanse culturele erfgoed door sommige mensen als twijfelachtig wordt gelabeld omdat het wordt geassocieerd met neonazisme, kon hem furieus maken. Verder hadden taal en etymologie zijn grote belangstelling. Niet voor niets staat op zijn website dat ‘woordmagie’ een van de terugkerende thema’s in zijn verhalen is en prijkt de Etymologiebank op het lijstje van handige websites voor schrijvers. Ook uit de online beschikbare poëzie die hij onder zijn andere naam schreef, blijkt een passie voor woorden in al hun betekenissen en toepassingen.

De negentiende eeuw fascineerde hem, mede omdat dat een tijd van verandering was waarin haarscherp de botsingen tussen natuur en mens, tussen slavernij en kapitalistische machthebbers, en tussen seksuele conventies en dubbele moraal zichtbaar werden. Met verhalen in het subgenre ‘steampunk’ liet hij deze botsingen zien, bijvoorbeeld in ‘Van oude goden, de dingen die niet voorbij gaan’ (2017). Machtsmisbruik is een terugkerend thema in zijn oudere, veelal wat sprookjesachtige verhalen. ‘Gekwetter’ (2011) gaat over de macht van het gerucht: een valkenier leert toevallig vogels verstaan, staat open voor hun niet-aflatende geroddel en laat zich vervolgens door een gewetenloze tovenaar niet alleen zijn vriendin maar ook zijn seksuele potentie afhandig maken.

 

 

Het hoe en het wat van overbrengen

Hoewel hij zichzelf beschouwde als schrijver van sciencefiction, fantasy en horror en niet als schrijver van ‘literatuur’, vond hij gelaagdheid een voorwaarde voor een geslaagd verhaal. ‘Gelaagdheid werkt naar mijn mening alleen als de bovenste laag redelijk eenvoudig toegankelijk is,’ schreef hij in 2014. ‘Dus een simpel verhaal zonder al te veel gedoe, bij voorkeur een boeiend verhaal (dit verhaal kan ook zonder de lagen diepgang hebben). Daaronder kunnen een of meer lagen zitten. De “goede verstaander” pikt die lagen op, wie ze niet ziet of snapt wordt niet gehinderd bij het lezen van het verhaal.’ 3)

In verschillende van zijn verhalen is sprake van een dergelijke gelaagdheid. Vaak gebruikt hij namen van personages of plaatsen om toegang te geven tot een onderliggende laag, zoals bijvoorbeeld in ‘Op ons kunt u bouwen’ (2011), ‘De witte dood, of: het laatste taboe’ (2015) en het ingenieuze ‘De halszaak’ (2012). In ‘Het lied van de pijn’ vormen de Noordse verwijzingen de sleutel tot de eerste betekenislaag. In ‘De knipoog van de meermin’ gaat dit een stuk verder. Daar ligt de metafoor van inkt uitgespreid over het hele verhaal op een manier die op de lezer volkomen natuurlijk overkomt. We zien hierin het denken van de dichter terug. In poëzie vormt beeldspraak immers vaak de brug tussen wat de dichter concreet zegt en wat hij wil overbrengen.

In Schlimazlniks verhalen stonden verhaalwereld en verhaal voorop. De personages zag hij enkel als acteurs die helpen het verhaal te vertellen. Als recensent stoorde hij zich aan fictie waarin allerhande details over personages de lezer een gevoel van herkenbaarheid moeten geven. ‘Meeleven als dogma’, concludeerde hij, waarmee lezers niet worden uitgenodigd om uit hun comfortzone te treden. ‘[W]at mij zorgen baart, is dat degenen die zo om diversiteit roepen vrij weinig geïnteresseerd zijn in anderen, ze willen alleen over zichzelf lezen. Dat staat haaks op wat literatuur is, die spiegel van de maatschappij door de ogen van de schrijvers. Hoe divers ben je als individu? Hoe beperkend ben je in je denken als je niet in staat bent een personage als een type te zien dat vrij universeel toepasbaar is?’ 2) Personages in zijn verhalen zijn daarom in de regel ‘default’. Zo is bij veel ik-figuren niet vast te stellen of ze man of vrouw zijn omdat dit vaak feitelijk niet relevant is. Hij verzette zich ook vaak tegen stereotype beelden van mannen in vrouwen. In verhalen als ‘De verborgen prinses’ (2008) en ‘Epische profetie’ (2017) is hij ironisch over de klassieke mannelijke held. Ook over de seksuele geaardheid van personages is hij vaak neutraal. Over Einar schrijft hij: ‘De hoofdpersoon heeft geen nadrukkelijke seksuele geaardheid en hoewel er ergens sprake is van een vriendin kun je dat makkelijk anders uitleggen, namelijk als lotgenoot of zelfs als waanbeeld, en dat ambivalente is met opzet. 2)

Tegelijkertijd vroeg hij zich af hoe een schrijver in een verhaal kan overbrengen dat een personage tot de LHBT-community behoort als dat wél relevant is. Zelf wilde hij zoiets als lezer gewoon zelf kunnen ontdekken en inschatten, dus zonder dat de schrijver het expliciet mededeelt. Dat is ook logisch, stelt hij. ‘De homoseksuele mensen die ik ken zijn namelijk (bijna) allemaal heel normaal. In de zin dat hetero’s ook niet van de daken afroepen dat ze hetero!!! zijn. Ze doen gewoon wat ze doen, met een vanzelfsprekendheid die het onopvallend maakt.’ 3) Het is de omgeving van het personage waarmee je laat zien dat iemand is wat hij is. Dat niet alleen: het verhaal werkt niet als die omgeving geen betekenis heeft in de gebeurtenissen. Als je bijvoorbeeld wilt vertellen over uitsluiting van Afro-Amerikaanse mensen in Amerika dan moet je dat laten zien via de interactie van het personage met de cultuur, het tijdsbeeld en de sociale verhoudingen van de verhaalwereld.

 

 

Tijdreizen en meerminnen

In ‘Tijd en ruimte’ en ‘De knipoog van de meermin’ past hij deze principes over de wisselwerking tussen personage en omgeving en over gelaagdheid toe.

‘Tijd en ruimte’ (2015) werd opgenomen in het jaarboek Ganymedes 2016. Een ouderpaar met kind ontmoet in een verlaten huis een uitvinder uit 1956 die in de tijd kan reizen. De uitvinder wilde met innovatieve techniek de wereld verbeteren, maar zoals hij met een walgende blik op het paar (twee mannen) zegt: ‘De cultuur, de gedachten overbrengen, dat is een verbeterpunt’. Hij verdwijnt, blijkbaar terug naar het verleden, waarop de negenjarige Krijn met de feilloze intuïtie van een kind opmerkt dat de geschiedenis geen ooggetuigen heeft. De lezer blijft achter met het onaangename gevoel dat de uitvinder in het verleden iets zal teweegbrengen waardoor gezinnen met twee ouders van dezelfde sekse in het hier en nu niet zullen kunnen bestaan.

Nergens in dit verhaal staat wat de biologische en juridische aard is van de relatie tussen verteller Jeroen, partner Chris en zoon Krijn. Dat is ook feitelijk niet relevant. Waar het om gaat is dat de twee mannen een hecht stel zijn met liefde en verantwoordelijkheidsgevoel voor Krijn. Het is de wisselwerking tussen omgeving en personages die laat zien wat er aan de hand is. Want pas door de reactie van de uitvinder uit het verleden wordt de man-manrelatie voor het voetlicht geplaatst, met alle gevolgen van dien. ‘Alsof we niet bestonden,’ denkt Jeroen, ‘alsof we in de toekomst niet zouden kunnen bestaan. Een rilling liep over mijn rug, alsof iemand over mijn dan reeds vergeten graf liep.’ Al leef je in een veilige en tolerante tijd, zodra je in een hokje wordt geplaatst loop je gevaar. Ook in dit verhaal is uitsluiting het centrale thema.

‘De knipoog van de meermin’ werd in 2015 gepubliceerd in Wonderwaan 35. Het steampunkverhaal vertelt hoe Nelson, bemanningslid van een luchtschip, tijdens het passagieren op een tropisch eiland inktvis eet. Hij pikt een matroos genaamd Taylor op die al jaren wacht op een mogelijkheid om het eiland te verlaten. Toevallig is Nelsons maat Arthur in een bordeel op het eiland overleden, dus de kapitein is blij met een extra kracht. Nadat het luchtschip is vertrokken trekt Nelson zich misselijk terug in zijn kooi. Taylor, een grote, oudere man met indrukwekkende tatoeages van onder meer een meermin, heeft seks met hem. Daarbij wringt een drakentatoeage zich uit Taylors huid, met medeneming van diens rugwervels. Taylor sterft en krijgt een zeemansgraf. Als Nelson ineens ziet dat de meermin, met een drakenei in haar hand, zich nu op zijn eigen huid bevindt, springt hij abrupt over boord, ‘de vrijheid van geest en een wisse dood tegemoet’.

Schlimazlnik vond het nadrukkelijk een steampunkverhaal, geen fantasy. ‘Ik vind dat belangrijk om te noemen, omdat dat het verhaal in een andere context zet. Het gaat over “punk”, het gaat uiteindelijk over slavernij in zijn ergste vorm.’ 4)

In dit verhaal heeft hij consequent zijn opvattingen over het beschrijven van default personages en over gelaagdheid toegepast. Nergens staat expliciet wat Nelsons seksuele geaardheid is. De uitspraken over bordelen, vrouwen en Taylor kunnen op meerdere manieren worden opgevat. De twintigjarige matroos leidt zijn leven als luchtschipbemanningslid, kan het goed vinden met zijn collega’s, gaat in zijn eentje op pad in plaats van samen met de anderen naar het enige aanwezige bordeel te gaan, en heeft aan boord seks met een ouder bemanningslid. Hij neemt het leven zoals het is en is vooral bezorgd over de geroosterde inktvis die hij op het eiland heeft gegeten en die hem maagproblemen heeft bezorgd.

Het is de wisselwerking met de omgeving die de lezer op het spoor zet van de onderliggende boodschap. In de negentiende eeuw, waarin een steampunkverhaal als ‘De knipoog van de meermin’ is gesitueerd, was heteroseksualiteit de norm. Daarnaast waren hiërarchische verhoudingen veel duidelijker dan nu, zeker aan boord van een schip. De gang van zaken op het luchtschip is daarom vreemd te noemen. De kapitein gaat amicaal om met Nelson (een hooploper, dus de laagste rang onder de matrozen) en noemt hem zelfs ‘maat’. De bootsman accepteert het meteen als Nelson zegt dat hij zich niet lekker voelt. Als Nelson later bovendeks Taylors dood komt melden en de bootsman mee naar beneden neemt, lijkt deze geen enkele belangstelling aan de dag te leggen voor het overduidelijke feit dat er seks tussen Nelson en Taylor heeft plaatsgevonden. Taylors lichaam ligt immers in ontklede toestand in Nelsons kooi. Op dat moment duiken er inconsequentheden op in de tekst. Waar Taylors lichaam zich bevindt en wat hij aan kleding draagt correspondeert niet met de gebeurtenissen. Even later komt de kapitein binnen, die volstaat met het fluisteren van een paar stichtelijke woorden en het slaan van een kruis. Dit kan allemaal niet waar wezen, denkt de lezer. Nelson lijkt het allemaal heel normaal te vinden. Tot hij de tatoeage van het drakenei op zijn schouder ziet staan.

De inktvissen zijn een metafoor voor de geruchten die letterlijk tot leven komen en zo tot ‘waarheid’ worden. Ze hangen stinkend op de kade en vormen daar een barrière tussen het schip en het eiland. Ze hebben in het bordeel Nelsons rationele, hoflijke collega Arthur doen bezwijken. Ze zwemmen in de zee ver beneden hen. Hun tentakels reiken niet tot in het luchtschip, wat verklaart waarom Taylor heeft gewacht tot er een luchtschip kwam. ‘Ik ga toch niet vijf jaar op een eiland zitten als ik met een gewoon schip elke maand had kunnen vertrekken?’ Het luchtschip is een cocon binnen een intolerante tijd en cultuur. Maar op het moment dat de ‘giftige inkt’ van de tatoeage hem te pakken heeft, beseft Nelson dat het hem daar in dat ogenschijnlijk veilige luchtschip hoog in de lucht toch in een hokje plaatst. Zijn betrokkenheid bij en interactie met Taylor hebben hem een label opgeleverd. Ook hier mag hij toch niet zijn wie hij is, namelijk gewoon zijn vanzelfsprekende zelf. Hij reageert door in abrupt afgrijzen zelfmoord te plegen.

Hoewel Schlimazlnik dit verhaal niet als ‘edgy’ beschouwde, zond hij het toch in voor de wedstrijd Edge Zero 2015, waar het 12e werd en zo een plaats in de bundel kreeg. Over ‘Tijd en ruimte’ schreef hij: ‘Ik vind dit eigenlijk wél een edgy verhaal, al vraag ik me af of wat ik ermee wilde zeggen goed overkomt. (…) Ik vind het zelf een goed verhaal, waar ik tevreden mee ben. Het is niet een verhaal dat dicht bij mij staat, waar ik een emotionele band mee heb of zo.’ 5)

 

 

‘Misschien omdat het erg persoonlijk is’

Uit meerdere opmerkingen in blogs en op Facebook blijkt dat Schlimazlnik over ‘Het lied van de pijn’ erg tevreden was en er wél een emotionele band mee had.

De aanleiding voor het schrijven ervan was een wedstrijd uitgeschreven door uitgeverij Letterrijn voor een Nordic Noir. Tijdens het schrijven van zijn inzending ‘Stille wateren’ frustreerde het hem dat hij geen fantastische elementen kon opnemen. Dat hoort immers niet in een Nordic Noir. Daarom begon hij aan een ander verhaal met Nordic Noir-elementen, dat hij wilde inzenden voor een wedstrijd van Moord en Mysterie, waar het thema ‘Fatale’ was. Op 22 april 2016 vertelt hij op Facebook: ‘Plot staat op papier, namen zijn bedacht, locatie is redelijk duidelijk, personages zijn op het podium geplaatst.’ 1)

In een synopsis die uit ongeveer deze periode lijkt te dateren, is nog niet te zien dat zijn gedachten uitgingen naar het thema uitsluiting in de context van justitiële dwalingen. Ook van vreemdelingenhaat en misbruik van Germaanse symbolen door extreem-rechts is nog geen sprake. In deze synopsis ligt de nadruk op Einars trauma’s, vooral op afwijzing door zijn moeder, seksueel misbruik door zijn pleegmoeder en zijn moeizame relaties met vrouwen. De latere poëziestukjes zijn in deze synopsis nog citaten uit de Amerikaanse ‘murder ballad’ In the pines, die over ontrouw gaat.

Op 26 april begon hij het verhaal te schrijven, met duidelijk plezier: ‘Al zo’n 3000 woorden voor het Fatale verhaal (Moord&Mysterie), met als voordeel dat morgen een vrije dag is en dat dus makkelijk zou kunnen verdubbelen om op een mooie 7000 woorden te kunnen eindigen (…) Ik vind de plot geweldig, met creatieve uitdagingen om het goed op te schrijven wat in dit geval héééél belangrijk is.’ 1) Deze laatste opmerking slaat ongetwijfeld op het maken van opzettelijke fouten in het verhaal. Daarbij lijkt hij overigens een specifieke thriller in gedachten te hebben gehad: Dodenweg van Olga Hoekstra, waarvan hij in september 2015 een zeer negatieve recensie op Hebban plaatste. In deze recensie worden vrijwel alle zwakke punten benoemd die hij zelf in zijn verhaal toepaste.

‘Het lied van de pijn’ won de Fatale-wedstrijd niet, maar werd in de zomer van 2016 wel opgenomen in Wonderwaan. Uit meerdere terloopse opmerkingen blijkt dat Schlimazlnik het zelf tot een van zijn beste verhalen rekende. ‘Ik weet niet of dit technisch het beste verhaal is van de lijst met publicaties. Ik weet wel dat dit het verhaal is waar ik het meest tevreden over ben, misschien omdat het erg persoonlijk is.’ 5)

 

 

Fluisterend woud

Met het inzicht in Schlimazlniks visie op personages en gelaagdheid, de toepassing daarvan in twee andere verhalen en zijn persoonlijke band met ‘Het lied van de pijn’ zijn we aangekomen bij de derde betekenislaag van het verhaal. Het ‘woud’ dat mensen uitsluit slaat ook op de gemeenschap die mensen in hokjes stopt. Het is niet toevallig dat vrijwel alle personages in ‘Het lied van de pijn’ een achternaam hebben waarin een bos- of vergelijkbaar natuurelement voorkomt (Ekdahl, Enqvist, Lund, Haglund, Blomberg). Veel mensen betrokken bij justitiële dwalingen hebben, wonderlijk genoeg, ook namen die iets met bomen te maken hebben, maar dat is niet de essentie. De essentie is dat de hoofdpersoon leeft temidden van mensen die tolerant lijken maar eigenlijk gewoon onderdeel van het ‘woud’ zijn. ‘Het fluisterend ruisen / het eeuwige lied van de pijn’ is voortdurend aanwezig voor wie de pech heeft af te wijken van de norm. Het is een noodlot dat zich bijna onvermijdelijk aandient, ook als je je veilig waant in een ogenschijnlijk tolerante gemeenschap. Om hulp vragen heeft geen zin, want hoewel toehoorders soms meevoelen, ondernemen ze geen actie:

Is het mijn noodlot
Dat jij niet luisteren wilt
Naar de noden en bedes
Die mijn pijn in jouw huid
Heeft gekerfd?

In de week voor zijn overlijden blogde Schlimazlnik: ‘Ik heb geweigerd me aan te passen aan anderen, ik ben een buitenbeentje en een rebel. Ik voldoe niet aan standaarden, heb daar ook geen behoefte aan. Ik heb geen behoefte me aan te passen aan groepjes waar ik uiteindelijk toch niet bij pas. Dat zijn soms keuzes en soms is het niet anders.’ 6)

Op Facebook sprak hij zich incidenteel uit tegen het labelen van dagdromende, teruggetrokken kinderen. Toch blijkt uit verschillende blogs dat hij vooral aan LHBT-hokjes dacht als hij het had over het ‘vlot labeltjes plakken, de kast met vooroordelen wijd open en gewoon je eigen superioriteit namens de norm tonen, niet luisteren naar wie tegenover je staat en die rechtstreeks het verkeerde hokje in douwen, en flink trappen zodat ie daar blijft.’ 2)

Dat hij Nelsons afgrijzen met zijn eigen gevoel verbond blijkt uit een blog uit het najaar van 2016:

Denk maar niet dat er iemand ooit aan mij heeft gevraagd “Wie ben je nu eigenlijk, Jack? Wat ben je, wat doe je, waarom?” (…) Ik word beoordeeld op basis van een beeld van mij, een beeld dat niet met de werkelijkheid overeenstemt. Dat onjuiste beeld wordt op internet verspreid door mensen die zich “vrienden” noemen. (…) Dat uit zich in pestgedrag en onderdrukking. Wat niet de norm is, moet zich naar de norm voegen. Alle steunbetuigingen aan minderheden, in het bijzonder de LGBTenz-beweging, zijn bij velen slechts een fraaie politiek-correcte façade, schijnheilig geplaatst voor een door en door verrot huis. (…)
En dan nog vragen mensen zich af, waarom Nelson, de hoofdpersoon uit De knipoog van de meermin, zo “plotseling” over boord springt. Ik spring met hem mee, ik spring elke verdomde keer met hem mee. Steeds weer, iedere keer als dat verhaal gelezen wordt. Jullie giftige inkt dwingt. Ik spring mee, want het leven is ondraaglijk als je van je “vrienden” niet mag zijn wie je bent.’ 7)

 

 

Literaire krachttoer

De dichter Marieke Lucas Rijneveld omschrijft zichzelf als ‘tussenmens’. Dat een dergelijke term van toepassing was op Schlimazlnik is denkbaar maar volstrekt niet vanzelfsprekend. Het staat nergens. We kunnen hem niet meer bevragen over zijn identiteit. Voor de mens Jack Schlimazlnik was die identiteit uiteraard heel belangrijk maar voor de lezer is de boodschap die hij in de lagen van de hier besproken verhalen heeft aangebracht veel belangrijker.

Vooral in ‘Het lied van de pijn’ komt de boodschap over uitsluiting door beeldvorming breed en stevig voor het voetlicht. Met deze literaire krachttoer trekt Schlimazlnik een parallel tussen enerzijds justitiële dwalingen die mensen zichtbaar beschadigen en anderzijds sociale uitsluiting die mensen in stilte beschadigt. Hij benoemt het isolement en de pijn, maar legt vooral de verantwoordelijkheid ergens neer. Als gemeenschap zijn we zelf dader.

 

 

 

Verantwoording

Algemeen

In citaten is de spelling gecorrigeerd voor zover het duidelijk verschrijvingen betreft. Citaten uit verhalen zijn niet afzonderlijk voorzien van een voetnoot.

In mijn artikel Losgeslagen, ongebonden, onvoorwaardelijk. De verbeeldingsliteratuur van Jack Schlimazlnik, https://www.fantasize.nl/actueel/losgeslagen-ongebonden-onvoorwaardelijk-de-verbeeldingsliteratuur-van-jack-schlimazlnik/ (6 mei 2021) geef ik een overzicht van Schlimazlniks verhaalwerelden, aspecten van zijn schrijverschap en kenmerken van zijn proza. Ook staat daar een lijst van alle beschikbare verhalen en waar deze te vinden zijn.

 

Noten

1) Facebook, https://www.facebook.com/jack.schlimazlnik/ (berichten van 22 en 26 april 2016 en van 22 mei 2016)

2) Hoe bouw je een homo? – Over diversiteit in het genre (15 september 2016), https://schlimazlnik.livejournal.com/403738.html

3) Analyses van analyses: feedback op Peter Kapteins verhaal Een aantal consequenties… (3 maart 2014), https://schlimazlnik.livejournal.com/323429.html

4) Beste Nederlandse genreverhalen? Dat bepaalt de lezer wel 😉 (1 november 2016), https://www.hebban.nl/recensie/jack-schlimazlnik-over-edgezero-de-beste-nederlandse-genreverhalen-uit-2015

5) YEAAAAHH!1!!1 happy!!! Gaten in de lucht!!1!! (9 augustus 2016), https://schlimazlnik.livejournal.com/402446.html

6) Personages in een plotgedreven verhaal (3 mei 2020), https://schlimazlnik.livejournal.com/499604.html

7) De dolksteek van de meermin (13 november 2016), https://schlimazlnik.livejournal.com/407242.html

Verhalen

‘Het lied van de pijn’, in Wonderwaan 38, http://wonderwaan.info/download/wonderwaan-38/ en op Smashwords (met de vroege synopsis), https://www.smashwords.com/books/view/758413

‘De knipoog van de meermin’ in Wonderwaan 35 en op http://www.edge-zero.com/?p=265

‘Tijd en ruimte’, in Ganymedes 16 (Stichting Fantastische Vertellingen, 2016)

 

Overige gebruikte informatie

Hilarische IKEA-thriller (23 november 2015), https://www.hebban.nl/recensie/jack-schlimazlnik-over-dodenweg. Deze recensie werd op 30 juli 2013 al gepubliceerd op https://schlimazlnik.livejournal.com/268035.html

Jack Schlimazlnik (website), https://www.schli.nl/

Licht voor Lucia, https://web.archive.org/web/20210224223251/http://www.luciadeb.nl/

To Carolyn Emerick and all others who want to disrupt European culture (28 augustus 2017), https://schlimazlnik.livejournal.com/435331.html

Wikipedia, https://nl.wikipedia.org/wiki/Hoofdpagina (zoals geraadpleegd op 3 januari 2022)

Steampunk, way back ago when steam was still hot (6 januari 2019), https://schlimazlnik.livejournal.com/480801.html

 

 

© Deborah van Duin 2022
Tweede, tekstueel herziene versie (februari 2022).