Exan Smidt: De uitdaging

Home

PDF-versie

1. DE ZWARTE STROOM

Dit zijn de eerste twee hoofdstukken van Exan Smidt: De uitdaging, een jeugdboek dat zich afspeelt in de toekomstIgor Rathfinder en Argi Poon hadden een bloedhekel aan elkaar. Ze zaten elkaar dwars wanneer ze maar konden, en het was niet gemakkelijk om te besluiten of je nou moest juichen of kreunen als de een de ander weer eens een rotstreek had geleverd. Sommige mensen zeiden dat Igor Rathfinder een aalgladde ploert was. Met een warme glimlach stond hij een liefdadigheidscomité te woord. Met dezelfde warme glimlach duwde hij even later een concurrent uit het raam van de zevenenveertigste verdieping. Volgens anderen was juist Argi Poon het laaghartige secreet van de twee. Ze had maar tien seconden nodig om van een theelepeltje een moordwapen te maken. Als ze ook nog drie verbogen haarspelden had, kostte het haar maar vijf seconden, zo werd gezegd. Of het waar was wist niemand. Wat iedereen wel zeker wist was dat beide zakenlieden rijker waren dan Rockefeller en slimmer dan de man die de Eiffeltoren wist te verkopen aan een goedgelovige handelaar in oud ijzer.

Misschien had Igor Rathfinder toch net iets meer bewonderaars. Vreemd was dat niet, want Argi Poon was een vrouw als een fort. Ze had een massief lijf met spek dat niet lilde maar als gewapend beton om haar heen spande. Ze lachte zelden en als ze iets zei dan was het iets bots. Igor Rathfinder daarentegen had zo een Hollywood-acteur kunnen zijn. Hij had ravenzwart haar en een gezicht dat bij elke lach helemaal oplichtte. Als hij praatte dan luisterde iedereen. Als hij ergens binnenkwam dan was het alsof er een nieuw tijdperk aanbrak.

Zo was ook op de middag van 4 juni 2081. Om klokslag vijf uur stapte Igor Rathfinder de monumentale hal van station Idoia-Nieuwpoort binnen. Er klaterde applaus op en de laatste tonen van Mozarts negentiende strijkkwartet stierven weg. Terwijl hij naar het podium liep en breeduit naar de genodigden lachte, constateerde Rathfinder dat alles perfect was. Elk glas-in-loodpaneel, elk mozaïek en elke vierkante centimeter vloerreclame ademde rijkdom uit. De duizenden lampjes in de kroonluchter boven zijn hoofd schitterden als sterren. En naast het podium zag hij Argi Poon en een handjevol andere concurrenten staan. Ze gingen een half uur van geforceerd glimlachen tegemoet.

Rathfinders mondhoeken krulden. In een paar stappen stond hij op het podium. Hij schraapte zijn keel en dacht geen moment aan ratten.

‘Welkom bij de opening van dit metrostation,’ begon hij. ‘Misschien klinkt het onbescheiden, maar volgens mij is Idoia-Nieuwpoort het allermooiste station dat het afgelopen jaar in Ereb-nl is geopend. RaFin en sponsor Idoia zijn er oprecht trots op dat…’

Exan Smidt dacht ook niet aan ratten. Hij was dertien jaar en hij moest met een metrotrein mee die elk moment kon vertrekken. Voor de zoveelste keer keek hij naar de poortopening die naar de perrons leidde. Daar stonden twee beveiligers, breedgeschouderd, massief en onverzettelijk. Je zag meteen dat ze alleen aan de kant gingen voor de wet, of voor een bulldozer.

Maar nood breekt wetten. De wieltjes van Exans koffer piepten en krasten over de vloer toen hij de hal over stak. Gelukkig praatte de man op het podium gewoon door. Sommige luisteraars keken wel geërgerd naar hem, alsof ze zich afvroegen wat die onbetekenende jongen met zijn bruine haar en gezicht, koffer en rugzak daar deed. Ze droegen prachtige kleren.

Beide beveiligers keken omlaag naar hem toen hij voor hen tot stilstand kwam.

‘Ik moet een trein halen,’ zei hij fluisterend tegen de linker beveiliger, die niet zo lang was als de rechter. ‘Die naar station Sono-Guldenspoor.’

‘De perrons zijn pas weer toegankelijk als de openingsceremonie voorbij is.’

‘Maar ik moet met die trein mee!’

De beveiliger keek op Exan neer met dat onbewogen gezicht waarop beveiligers en politieagenten een patent lijken te hebben en waaronder je altijd een paar centimeter krimpt. ‘Dan neem je toch gewoon de volgende? De metrotreinen in Ereb rijden vierentwintig uur per dag.’

‘Dat weet ik – of tenminste, dat heb ik ook gehoord, maar –’

‘Kom je hier niet vandaan?’

‘Nee, maar –’

‘Waar kom je dan vandaan?’

‘Uit Cayenne. In Zuid-Amerika. Maar –’

‘Cayenne?’ De beveiliger was steeds minder onbewogen gaan kijken, en nu stond zijn gezicht bijna vriendelijk. Hij trok zijn wenkbrauwen even op en deed hij daarna alsof hij moest niezen.

Het grapje was zo oud als de wereld – op school hadden ze het in het begin ook gemaakt – en Exan kon er niet om lachen.

‘Ik ben in Ereb voor mijn stage,’ zei hij. ‘En ik moet om zes uur op station Guldenspoor zijn. Anders loopt het helemaal mis.’

‘Dan stuur je toch een fles dat je later komt?’ Het gezicht van de beveiliger stond nu vaderlijk. ‘Wees maar niet bang, hoor, jochie. Het komt allemaal wel goed. Ereb is een grote stad maar je raakt er echt niet zomaar kwijt. En anders ga je virtueel gewoon even naar je pappa en je mamma toe. Ja toch?’

Exan droop af. Terugpiepen en –krassen naar zijn oude plekje durfde hij niet meer. Daarom bleef hij maar in de buurt van de poortopening. De beveiligers namen geen enkele notitie meer van hem. De andere mensen in de hal zagen hem ook niet staan. Ze luisterden aandachtig naar de saaie toespraak en lachten af en toe om iets wat blijkbaar grappig was. Exan had nog nooit zulke mensen gezien. In het licht van de kroonluchter zagen ze er bijna onwerkelijk uit, de heren in hun gifgroene, geschubde maatpakken en de volslanke dames in hun cocktailjurken. En hun ogen en oren… Alleen de dikke vrouw naast het podium paste niet in het sprookjesachtige geheel. Ze had sluik, modderkleurig haar en stond ongeïnteresseerd voor zich uit te kijken, haar handen diep weggestoken in de zakken van een oude blauwe regenjas.

‘… en zoals u weet hebben RaFin en Gurnard-Knorhaen tot het uiterste gestreden om deze metrolijn te mogen aanleggen. Ik ben blij dat Gurnard-Knorhaen de nederlaag zo sportief heeft opgevat en dat mevrouw Poon hier vanmiddag naar toe is gekomen om de opening van dit station samen met mij te vieren…’

Kon hij gewoon naar buiten gaan en via de achterdeur op het perron komen? Maar bij de poort naar buiten stonden ook beveiligers. Exan keek wanhopig naar de fraaie, ouderwetse klok boven de uitgangsdeuren. 17.11. Zijn trein was nu vast al weg. En virtueel contact zoeken met zijn ouders loste niets op. Die waren tienduizend kilometer verderop, thuis, op de Santa Marguerita.

De man op het podium praatte maar door en door, met een warme, enthousiaste stem. Hij had het over Tiffany-lampen, over Mucha-invloeden en over Sezession en art nouveau. Zenuwen of niet, Exan werd steeds slaperiger. Hij was al sinds half vier vanochtend op reis en het leek allemaal een vreemde droom, de hal met die vreemd uitgedoste mensen. Straks werd hij wakker, in zijn eigen bed in de Santa Marguerita. Straks schudde zijn zusje aan zijn arm en riep zijn vader dat het ontbijt klaar was.

De stem zoemde door. De mensen luisterden, de beveiligers stonden als blokken beton voor de uitgangen en de dikke vrouw staarde naar de klok die aangaf dat het inmiddels zeventien minuten over vijf was. De enige die bewoog was de man op het podium. Zijn diamanten manchetknopen glinsterden als hij gebaarde naar een mozaïek met vogelmotieven of naar een porseleinen deurdecoratie. En in de gang naar de perrons bewoog ook iets. Exans dromerige gevoel verdween abrupt.

Er kwam iemand aanlopen, een kleine, onopvallende man. Als hij niet zo steels had gelopen had je gedacht dat hij net uit de trein was gestapt.

Niemand zag het mannetje. De twee beveiligers merkten ook niets. Hun blikken gleden over de genodigden heen en flikkerden af en toe naar Rathfinder met een tevreden soort bezitterigheid. Ze zagen niet dat het mannetje achter hen zijn pas inhield, een paar seconden lang roerloos bleef staan luisteren en daarna in een zijdeur verdween. Er klonk een dun geritsel.

‘… en daarmee wil ik mijn toespraak beëindigen,’ zei Rathfinder. Hij spreidde zijn armen uit. ‘Geachte aanwezigen, beste inwoners van Ereb. Vandaag, 4 juni 2081 om 17.20 uur, open ik station Idoia-Nieuwpoort. Ik heet de miljoenen passagiers, die hier vanaf vandaag zullen binnenstromen van harte welkom. Ik hoop dat zij net als ik van harte…’

Waar Rathfinder en die miljoenen passagiers van harte van zouden gaan genieten hoorde Exan niet meer. Een vrouw vlakbij Exan gaf een snerpende gil. Met een vertrokken gezicht wees ze naar de beveiligers.

De gang achter hen had zich met iets zwarts gevuld. Het leek op water, zwart, kolkend water. Het stroomde naar de hal toe, de lichtkring van de kroonluchter binnen, en de beveiligers gingen met zwaaiende armen kopje onder. Maar het was geen water, het waren ratten. Ze stroomden met honderden tegelijk de hal binnen. Vanuit de gang kwamen er meer en meer, gitzwart, met razendsnelle pootjes en harde staarten.

Overal begonnen mensen te gillen en te rennen, naar de uitgang. Het was net alsof iemand de hal optilde en schuin hield. Alle mensen in hun prachtige kleren dromden bij de uitgangsdeuren samen. Ze vochten met elkaar om zo snel mogelijk naar buiten te kunnen komen. In de chaos waren ook blauwe uniformen van beveiligers te herkennen.

Exan trok zich terug naar de muur. Op zich was hij niet bang voor de ratten. Hij woonde al zijn hele leven in diepzeehotel de Santa Marguerita, een Spaans galjoen dat een paar eeuwen geleden voor de kust van Frans-Guyana gezonken was. Op de zeebodem en op het dek van de Santa Marguerita krioelde het van de krabben en de zeeslangen, vaak veel groter dan deze ratten. Er zwommen ook wel eens kwallen zo groot als nijlpaarden tussen de masten door, traag, met doorschijnende, wuivende tentakels. Nog niet zo lang geleden had hij ’s morgens in bed zijn ogen open gedaan en recht in een reusachtig oog gekeken dat hem door de patrijspoort van zijn slaaphut aanstaarde.

Maar dit waren toch wel erg veel ratten. Exan schoof zijn koffer voor zijn voeten zodat ze niet in zijn broekspijpen omhoog konden schieten en keek toe. Al gauw was zijn stukje vloer een eilandje in de zwarte stroom geworden.

Het duurde niet lang voordat alle mensen en ratten waren verdwenen. Als er op de vloerreclame geen handtassen en strijkstokken waren achtergebleven als wrakhout na een storm dan had een argeloze bezoeker kunnen denken dat de openingsceremonie nog moest beginnen. De duizenden lampjes van de kroonluchter schitterden als sterren en over de vloer gleed nog steeds reclame van Idoia oogwit-whitener. En naast het podium stonden twee mensen met elkaar te praatten, alsof er helemaal niets was gebeurd.

‘Laat me raden, Argi,’ zei de man in het nette pak. Hij sprak zonder stemverheffing, maar zijn toon had de stalen plafondkabel van de kroonluchter doormidden kunnen snijden. ‘Heeft een van jouw mensen misschien voor rattenvanger van Hameln gespeeld in de omgeving van dit station? Of fokt Gurnard-Knorhaen tegenwoordig knaagdieren?’

‘Dat maakt toch geen moer verschil, Igor.’ Op het gezicht van de dikke vrouw was geen enkele emotie te lezen. ‘Ratten zijn ratten.’

‘Dat is waar.’

‘RaFin maakt de laatste tijd wel een heel bijzondere soort reclame voor haar nieuwe stations.’ De vrouw had een vrij schorre stem maar wist die poeslief te laten klinken. ‘Klopt het dat de borden met Sono-Waterloo op de ochtend van de opening allemaal vervangen bleken te zijn door borden met ooo Wat ’n loSer? En is het waar dat de muren op station Guldenspoor allemaal knalpaars zijn geverfd in plaats van roomblank?’

‘Je bent goed geïnformeerd, Argi. Zijn deze… laten we zeggen óngewone voorvallen soms een reactie op het nare ongeluk dat je chef Bedrijfstactiek onlangs had? Drie dagen lang per ongeluk opgesloten zitten in het Velper Vogelspinnenparadijs. Die arme man.’

‘Jouw mensen moeten met hun klauwen van mijn personeel afblijven. En ik raad je aan om de kapvergunning voor de groenstrook bij mijn virtuele kantoor op de Faeröer niet langer tegenhouden. Als je morgen tenminste geen gezeik wilt hebben op Cengiz-Jan Angewitplein bij het bezoek van de president. Ik ben er strontziek van om de hele dag aan te moeten kijken tegen taxushagen die gesnoeid zijn in de vorm van handen met opgestoken middenvingers.’

Het tweetal leek helemaal niet te merken dat er nog iemand in de hal was. Exan bleef doodstil staan. Iets zei hem dat het beter was om niet opgemerkt te worden door deze mensen.

Toen glimlachte Rathfinder ineens, met de warmte die hij op het podium ook had uitgestraald.

‘Je kunt slecht tegen je verlies, Argi,’ zei hij. ‘Jammer toch. Dat je ouders er niets aan hebben gedaan dat je foeilelijk bent en een sociaal IQ van 63 hebt, kun je niet helpen. Maar als je je eens wat sportiever opstelde dan zou je veel verder komen in het leven.’

‘Krijg eczeem, Igor.’ Ze sjouwde weg en was even later verdwenen door de uitgangsdeuren. Daar verschenen nu ook de twee beveiligers. Ze waren nog steeds breedgeschouderd en massief, maar omdat ze zo schaapachtig keken, leken ze een stuk kleiner. Rathfinder beende naar hen toe. Er was geen spoortje warmte meer op zijn gezicht te zien. Het leek Exan beter om maar snel weg te gaan.

Het eerste wat hij deed toen hij op het perron was, was een bericht sturen naar mevrouw Lodeizer dat hij vertraging had opgelopen en dat hij niet om zes uur op Guldenspoor zou zijn. Toen dat was gebeurd voelde hij zich een stuk rustiger. Omdat de trein er nog niet aankwam, ging hij een kijkje nemen in de gang. De zijdeur stond nog steeds op een kier. Nieuwsgierig keek hij naar binnen. Er was een soort onderhoudstunnel achter, met leidingen, buizen en energiedraden. Op de vloer scharrelde nog een rat rond. In het plafond van de tunnel was een kleine, zwarte opening zichtbaar. Het leek op een ventilatiekanaal. Daar was dat mannetje natuurlijk door ontsnapt nadat hij de ratten het station in had gelaten. Als je niet al te groot was en goed kon klimmen dan was dat vast niet moeilijk.

Om tien voor half zeven, toen Exan inmiddels erge honger had, kwam er eindelijk een metrotrein voor het perron tot stilstand. Hij zat al erg vol en iedereen praatte over de ratten.

‘Het is ook geen wonder,’ zei een man. Exan had moeite om niet naar zijn oren te zitten staren. Die waren puntig gekloond. ‘In de bodem van Ereb schijnen miljoenen ratten rond te lopen.’

‘Ze waren wel een halve meter groot, heb ik gehoord,’ zei een andere man.

‘Ze schijnen al in stadsdeel Denemarken rond te lopen,’ zei een vrouw. Ze rilde erbij. ‘Een halve meter groot. Ik moet er niet aan denken.’ Haar oren staken ook puntig omhoog, maar er zat een draai in, een beetje zoals een kurkentrekker. Blijkbaar was het in Ereb normaal om je oren in allerlei vormen te laten klonen. Exan stelde zich voor dat hij over drie maanden thuis zou komen met kurkentrekkeroren. Hij moest lachen bij de gedachte.

‘Ze waren helemaal niet zo groot, hoor’ zei hij tegen de vrouw. Maar de volwassenen luisterden niet naar hem. Voordat hij het kon herhalen hoorde hij geluiden in zijn oorknop. Het was niet het gerinkel van een flessenpostbericht. Het waren voetstappen.

Exan haalde zijn egel uit zijn zak – een toetsenbord in de vorm van een pingpongballetje – en maakte zijn ogen donker. Daarna activeerde hij zijn virtuele zelf. Achter zijn ogen ging een beeld aan zodat het was alsof hij niet langer in de trein was maar in een klein kamertje. Dit was zijn salon, zijn thuisbasis in de virtuele wereld. Rechts was een deuropening en daardoor kwam net iemand naar binnen.

Het was niet zijn beste vriend Bing en ook niet zijn op een na beste vriend Ricky. Die hadden geen lichtgroene krullen en liepen ook niet rond op – Exan knipperde voor alle zekerheid met zijn ogen maar hij zag het goed – geruite pantoffels. Deze vrouw had hij nog nooit eerder gezien.

Dat leek haar niet te storen. Tenminste, ze liep met lange passen naar binnen alsof ze elke dag in zijn salon kwam. Middenin de ruimte bleef ze staan. Ze nam alles in zich op. De grote kast, de posters van Exans favoriete filmforumheld Pál Peckin, en het beeldscherm met de nieuwsberichten.

‘Eh…’ begon Exan, en deed een aarzelende stap naar voren. Dit moest mevrouw Lodeizer zijn, bij wie hij de komende drie maanden zou wonen. De moed zonk hem in de schoenen. Ze gedroeg zich als een generaal die op inspectie kwam. Voordat hij iets had bedacht om te zeggen draaide ze op haar hakken rond en marcheerde naar de kast.

‘Bent u mevrouw Lodeizer?’ riep Exan haar na.

Ze reageerde niet. Voor de kast kwam ze abrupt tot stilstand. Ze greep naar de kastdeurknop.

‘Hé, wacht even!’ In een paar stappen was Exan bij haar. ‘Wie bent u?’ Hij wilde haar arm beetpakken maar ze vervaagde net, zodat zijn hand dwars door haar heen ging.

Ineens draaide ze haar hoofd naar hem toe. Pas nu kon Exan haar gezicht goed zien. Dat was oud, met rimpelige lippen en waterige blauwe ogen die een beetje angstig stonden. Op de lippen parelden zweetdruppeltjes. Het was helemaal niet het gezicht van een generaal.

‘Meneer Smit?’ vroeg ze. Haar stem klonk eentonig. Het begon Exan te dagen.

‘Ik ben Exan Smidt,’ zei hij. ‘Wie bent u?’

‘Ik zoek. Meneer Smit. De manager van…’ Ze vervaagde weer, zodat haar laatste woorden niet te verstaan waren.

‘Ik ben Exan Smidt. Bent u verdwaald of zoekt u mij?’ Zelf voelde Exan zijn vingers – ergens in een andere wereld, in de metrotrein – over de toetsen van zijn egel gaan, zo snel alsof hij een moeilijk pianostuk aan het spelen was. Maar egelen was niet voor iedereen even gemakkelijk. Blijkbaar vielen de vingers van deze vrouw af en toe stil – en dan hield je virtueel even op met bestaan.

‘Ik zoek. Meneer Smit. Van de boot. De manager,’ ging ze verder. Elke keer als ze vervaagde, stopte ze met praten. Daardoor kwamen de zinnen er in brokjes uit. ‘Zijn zoon is. Niet gekomen. Hij zou er. Om zes. Uur zijn. Hij doet stage. Hij komt. Drie maanden bij mij.’

‘… wonen,’ vulde Exan aan. Hij lachte naar haar, opgelucht. Dit was inderdaad mevrouw Lodeizer en ze viel zo te zien wel mee. Ze was alleen virtueel erg onhandig. Daarom liep ze natuurlijk ook zo houterig. ‘Ik had u een fles gestuurd om te zeggen dat ik later kwam. Er waren ratten op station Nieuwpoort –’

Ze praatte gewoon over zijn woorden heen. ‘Ik was. Eerst niet goed. Zocht uw. Boot. Allemaal boten. Rotterdam. Sjanghai. Wladiwostok. Toen een. Onderzeeër. Bijna gearresteerd. Toen was ik. In Alaska. Ineens. Dat virtuele. Gedoe ook altijd. Dus –’

‘Aláska?’ Exan had moeite om serieus te blijven kijken.

‘Ik dacht. Misschien. Hebt u een. Fles gestuurd. Bericht. Dat uw zoon. Lustander. Later komt. Ik dacht dat. Ik misschien –’

‘Ik heet Iskander,’ zei Exan. Hij kon nauwelijks zijn lachen inhouden. ‘Maar ik word altijd Exan genoemd. En ik ben mijn vader niet.’

‘… de fles. Had gewist. Uw zoon was er. Niet. Lixander. Istang bedoel ik. Estak. Uw zoon. Dus. Ik dacht. Ik kom kijken. Op uw boot. Ik kom zeggen dat. Iksan. Er niet is.’

‘Ik zal het tegen mijn vader zeggen,’ zei Exan ernstig.

‘Hij was niet om. Zes uur. Bij me. In Verblijfcentrum. Kortekoe.’

‘Pardon?’

‘Hij was niet om. Zes uur. Bij me. In Verblijfcentrum. Kortekoe.’

‘Maar wacht even, we hadden afgesproken op het station.’

‘Wat. Zegt u?’

‘U zou me komen afhalen van het station,’ zei hij langzaam en duidelijk. ‘En dan ga ik met u mee naar Verblijfcentrum Kortekoe. Want mijn navigatie wordt pas vannacht geïnstalleerd. Er is iets niet goed gegaa–’

‘Wat. Zegt u?’ Hij kon de muur weer dwars door haar heen zien.

Er zat niets anders op dan net zo te praten als ze zelf deed. ‘We hadden… afgesproken…. op het station,’ begon hij.

Mevrouw Lodeizer hoorde hem helemaal uit. Toen knikte ze. Ze had het gelukkig begrepen. ‘Hoe laat?’ vroeg ze.

‘Ongeveer… kwart over zeven?’

‘Van station. Fleurus. Naar de. Kortekoegalerij. Is het. Een kwartier. Lopen.’

‘Van station wát?’

‘Station Fleurus. Rechtsaf. Dan tweede. Afslag links. Dan. Vierde afslag rechts. Niet. Moeilijk. Kortekoegalerij. Zegt u dat. Tegen uw. Zoon?’

‘Nee.’ Exan probeerde rustig te blijven praten ook al voelde hij zich helemaal niet meer rustig. ‘U begrijpt… me niet goed… Ik kom… niet aan op… station… Fleurus… en ik ben… mijn zoon niet.’

Ze bleef knikken maar hij wist zeker dat ze hem niet hoorde. Ze was er nu vaker niet dan wel.

‘Ik… kom… aan op… station… Guldenspoor,’ herhaalde hij, luider. ‘En u… zou me daar… komen… afhalen.’

‘Wat. Zegt u?’

‘U moet me… afhalen van… station… Guldenspoor. Gúldenspoor!’

‘Wat. Zegt u?’

‘Umoetmeafhalenvanstationguldenspoor!!’

Haar wazige hoofd bleef knikken, alsmaar knikken. Ze had vast en zeker een herhalingstoets ingedrukt zonder het te merken. Ze herhaalde de aanwijzingen over de tweede afslag links en de vierde rechts.

‘Maar ik… bén niet op… station… Fleurus!’

‘Dan zie ik. Hem om. Half acht. Ik heb zijn. Kamer klaargemaakt.’

‘U moet me komen afhalen!’

‘Wat. Zegt u?’

‘U. Moet . Me. Ko. Men. Af. Ha. Len. Van. Sta. Tion. Gul. Den. Spoo–’

Ze verdween, abrupt.

Exan liet zich op een kruk zakken. Misschien had ze haar egel uit haar handen laten vallen, dacht hij. Misschien kroop ze nu over de vloer rond, ergens in Verblijfcentrum Kortekoe. Zodra ze hem van onder de tafel had opgevist, kon ze verder egelen. Dan verscheen ze gewoon weer op dezelfde plek. Dan kon hij nog een keer uitleggen dat hij aankwam op station Guldenspoor en dat ze hem moest komen afhalen. Dat hij geen flauw idee had waar de Kortekoegalerij was. Dat hij nog geen navigatie voor Ereb had en dat hij in die wildvreemde stad de weg niet wist.

Of had ze per ongeluk op een verkeerde toets gedrukt? Had ze bepaalde parameters ingeëgeld en was ze, pats boem, naar een andere plek in de virtuele wereld geslingerd? Wie weet zat ze weer in Alaska of Wladiwostok, of misschien wel op Jupiter. Hij haalde zijn hand door zijn haar heen en voelde dat dat nat was van het zweet. Mevrouw Lodeizer was nog erger dan zijn zusje Lulamey. Die was dysvirtisch en kwam ook altijd op de gekste plekken terecht. Maar Lulamey kon wel veterschoenen strikken en ze vervaagde ook niet om de haverklap.

Mevrouw Lodeizer kwam niet meer terug. Om kwart over zeven maakte Exan zijn brillenglazen weer doorzichtig en stapte uit op station Guldenspoor, met een maag waar alleen maar een klam gevoel in zat. Guldenspoor was een groot station. Het rook er naar verf en het wemelde er van de mensen. Nergens stond hoe je op station Fleurus kon komen. Natuurlijk niet. Wie had er nou geen navigatie?

‘Eh, pardon,’ zei hij verlegen tegen een man met gifgroene armbeharing die iets minder haastig liep dan de andere mensen. Maar de man hoorde hem niet.

‘Mag ik wat vragen?’ De vrouw met een hanenkam van grijze permanentkrulletjes reageerde ook niet.

‘Zoek je iets, mattie?’ klonk een vriendelijke stem achter hem.

Exan draaide zich opgelucht om. Een oude man keek vragend naar hem op.

‘Ik moet naar Fleurus. Weet –’ Exan stokte. De man had koperkleurige ogen en zijn oogwit was bleek blauwig. ‘Eh… naar Fleurus. Weet u welke trein ik dan moet nemen?’

‘Dat gaat moeilijk worden. De noordlijn schijnt afgezet te zijn. Iets met padden, hoorde ik.’

‘Ratten,’ zei Exan, maar het hart zonk hem in de schoenen.

‘Waar moet je precies heen? Is alles in orde?’ Het gezicht van de oude man stond vriendelijk, ook al deden die ogen Exan denken aan aliens in een gamepark.

‘Verblijfcentrum Kortekoe. In de Kortekoegalerij.’

‘O, daar kun je ook wel naar toe lopen, hoor. Het is niet zo heel ver. Kom maar mee naar buiten, dan laat ik je zien welke kant het op is.’

Dankbaar liep Exan mee. Ze gingen naar buiten, een brede winkelstraat in. Daar wemelde het ook van de mensen. Hoog boven de daken van de winkelpanden zag Exan een tunneldak. Ereb was een ondergrondse stad.

‘Loop de beuk helemaal uit,’ wees de man. Blijkbaar bedoelde hij de winkelstraat. ‘Aan het einde ga je links tot aan een pleintje. De Kortekoegalerij is een van de steegjes aan het pleintje. Welke weet ik niet precies maar dat zie je snel genoeg.’

Het was acht uur toen Exan bij het pleintje aankwam. Het was er veel rustiger en donkerder dan in de winkelstraat. De vloerreclame was alleen nog maar een soort diavertoning. Exan stak het pleintje over, langs een voetbalveldje en een parkje met straatlantaarns en bleke bomen. Uit de Kortekoegalerij kwam een tochtstroom naar buiten. Even later stond hij voor een lang, laag gebouw. Verblijfcentrum Kortekoe. Burgerschapgecertificeerd stond op het bordje naast de deur.

Exan belde aan en wachtte. Zou mevrouw Lodeizer een portie warm eten voor hem hebben bewaard? Hij had zo’n honger dat hij wel een rat had kunnen eten.

Even later ging de deur open.

‘Ipsang?’ Haar gezicht klaarde helemaal op en Exan voelde zelf ook alleen maar opluchting. ‘Gelukkig dat je er bent. Kom binnen.’

Binnen was het nogal schemerig. Mevrouw Lodeizer deed de deur achter hem dicht en draaide zich meteen naar hem toe.

‘Ik was zo ongerust,’ zei ze. In het echt zag ze er net zo uit als virtueel, compleet met geruite pantoffels aan haar voeten. Alleen de zweetdruppeltjes waren er niet. Egelen moest voor haar wel heel moeilijk zijn. Ze had er vast vreselijk bij zitten zweten en trillen, en dan was dat virtueel ook altijd wel een beetje zichtbaar. Daar zorgde je polsimplantaat voor. Maar ze bewoog en praatte gelukkig normaal. ‘Je kwam maar niet. Ik heb om zes uur nog met je vader gepraat, op jullie boot. In de virtuele wereld.’

‘Dat was mijn vader niet. Dat was ik zelf. Exan.’

‘O ja?’

‘En u was in mijn salon, niet op de Santa Marguerita. Ik probeerde uit te leggen dat ik vertraging had, maar u parkeerde steeds.’

‘Parkeerde?’

‘U stopte met egelen,’ zei Exan geduldig. ‘Daarom verdween u uit de virtuele wereld. Dat heet toch ‘parkeren’?’

‘O ja, parkeren. Dat virtuele gedoe ook altijd. Zo onhandig allemaal. Ik ben blij dat je er bent, Etsal.’ Haar waterige blauwe ogen stonden vriendelijk. ‘Kom maar mee, dan laat ik je je kamer zien.’

Ze ging hem voor, door een lange gang die naar schoonmaakmiddelen rook. Het was doodstil in het gebouw. Exan hoorde alleen het geluid van hun eigen voetstappen en het gepiep van de wieltjes van zijn koffer. En het geknor van zijn maag. Het avondeten was natuurlijk al lang voorbij, dacht hij. De tafels in de eetzaal waren afgeruimd en het serviesgoed afgewassen. Nee: opgegeten. Alleen in een diepzeehotel als de Santa Marguerita hadden ze nog servies dat steeds werd afgewassen. Hoe dan ook, in de eetzaal was het natuurlijk uitgestorven. Pas morgenochtend, bij het ontbijt, zou hij zien wie er nog meer in Verblijfcentrum Kortekoe woonden. Hij hoopte dat er andere jongens waren die ook voor hun stage naar Ereb waren gekomen. Of meisjes. Vanavond moest hij het nog even met mevrouw Lodeizer doen. Zelf had ze natuurlijk al gegeten, maar dat gaf niet. Als Exans zus Ghana laat thuis kwam van haar werk, dan warmde zijn moeder haar eten op en dronk ze zelf gezellig een kopje thee mee. Exan had genoeg te vertellen, over de reis en over de ratten.

‘Kijk, hier is je kamer.’ Mevrouw Lodeizer opende een deur. ‘De zelfreinigers doen het niet goed, dat ruik je zeker wel. Dit is een oud Verblijfcentrum. Ze zuigen wel al het vuil op, hoor, maar het droogt niet goed. Zoals de dressoirkast, die blijft aldoor een beetje vochtig. Je moet om acht uur ’s avonds thuis zijn, dat weet je toch, hè, Iskan?’

Exan knikte alleen maar. Hij had het te druk met rondkijken. De kamer was ongeveer even groot als zijn slaapkamer op de Santa Marguerita maar het was er lang niet zo gezellig. De muren waren bedekt met bruin bloemetjesbehang. Het avondlicht dat door een groot matglazen raam viel maakte de meubels nog donkerbruiner dan ze al waren. Alleen het hoge, opgemaakte bed zag er aanlokkelijk uit. Plotseling merkte hij hoe moe hij was. Hopelijk hield mevrouw Lodeizer hem niet te lang aan de praat na het eten.

‘Daar is de pneu,’ ging mevrouw Lodeizer verder. Ze wees naar een metalen luikje in de muur. ‘Dit is een oud Verblijfcentrum, zoals ik al zei, maar je kunt toch kiezen uit verschillende maaltijden en meerdere soorten toetjes. Nou, dan ga ik weer. Ik woon naast de wentelroltrap. Als er wat is dan kun je altijd even naar me toe komen.’

‘Eh…?’

‘Goed?’

‘Eh, goed.’

Ze ging weg en deed de deur achter zich dicht. Haar voetstappen werden zachter en stierven ten slotte helemaal weg. Hij bleef staan. Het was doodstil, tot hij de geluiden begon te horen. Uit de richting van de dressoirkast kwamen vreemde slurpgeluidjes. Iets bromde zachtjes. Ergens verderop in het gebouw werd een deur dichtgeslagen.

Eten uit een pneu is vast veel lekkerder dan een opgewarmde prak van mevrouw Lodeizer, hield hij zichzelf voor. En drie maanden in je eentje in een grote stad wonen is een avontuur.

Maar erg avontuurlijk voelde hij zich niet. Thuis was het nu een uur of vijf. Iedereen zat natuurlijk in de kajuit. Zijn moeder, Lulamey van acht en zijn broertje Jennifer die twee was. Ghana was er misschien ook al. Ze was zeventien en had een baantje op de vaste wal. En dan kwam zijn vader binnen met stomende pannetjes eten en dan ging iedereen aan de ronde eettafel zitten. Het was altijd gezellig aan tafel, met veel gepraat en grapjes.

Om er niet aan te hoeven denken, liep hij de hele kamer een keer rond. Zijn schoenzolen plakten bij elke stap aan de vloer vast. Mevrouw Lodeizer heeft haar best gedaan om alles gezellig te maken, zei hij tegen zichzelf. Zoals die Delfts blauwe beeldschermpjes met spreuken. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens stond er op eentje. Terwijl hij stond te kijken verbleekte de tekst en maakte plaats voor Voorkomen is beter dan deleten.

Hij was bij het pneu-luikje aangekomen. Op de een of andere manier kon je hier eten uit tevoorschijn halen. Maaltijden en toetjes, had mevrouw Lodeizer gezegd. Bij de gedachte aan maaltijden en toetjes liep het water hem in de mond. Hij drukte maar eens op een van de knoppen die onder het luikje waren aangebracht.

Er gebeurde niets. Een tweede. Ook niets. Een derde, vierde, vijfde – hij ging de hele rij af. Er gebeurde nog steeds niets. Rotpneu.

Hij knipperde met zijn ogen de wazigheid weg en roffelde met zijn duimen afwisselend op de twee linker knoppen.

Ineens klonk er een sissend geluid. Een ouderwets rood lampje naast het luikje begon te knipperen. Het werd stil. Hij wachtte nog even en deed toen het luikje open.

Er stond een bord met bleekgele kledders erop. Voorzichtig haalde hij het naar buiten. De kledders waren warm en ze roken zoetig. Hij stak zijn vinger erin en likte hem af. Een soort pannenkoek met suiker, leek het.

Met het bord op schoot ging hij op het bed zitten. Eerst at hij nog met kleine hapjes, daarna begon hij te schrokken. Toen het bord leeg was, brak hij er een stuk van af en stak het in zijn mond. Het knerste tussen zijn tanden maar het was wel lekker, een beetje vanilleachtig. Het bestek smaakte naar pepermunt.

Gelukkig verscheen er een tweede bord met kledders toen hij de twee meest linkse knoppen nog een keer met zijn duimen bewerkte. Ook dat at hij helemaal leeg, nu wat langzamer.

Net toen hij het laatste stuk vork in zijn mond stak, hoorde hij in zijn oorknop het gerinkel van een flessenpostbericht. Hij pakte zijn egel en opende het bericht.

‘Kajsjo, Exan,’ klonk Ricky’s zelfverzekerde stem, en hij stopte met kauwen. ‘Zorg dat je over een uur in Kvelly bent. Anders mis je de grootste slachting die Alcor 3 ooit heeft meegemaakt.’

Voor het eerst sinds uren voelde Exan zich weer een beetje zichzelf. Hij was goed en wel in het Verblijfcentrum aangekomen en met een volle maag leek Ereb lang niet meer zo vreemd en groot. En ze gingen een spannende avond tegemoet.

 

2. ALCOR 3: INFERNO

Het virtuele stadje Kvelly lag vredig te gloeien in de avondzon. Aan de overkant van het marktplein zag Exan zijn vrienden al zitten. Ze zwaaiden naar hem vanaf hun vaste tafeltje. Ereb leek ineens iets van heel lang geleden.

Ricky Idzardi, veertien en een half jaar oud, zat te praten, zijn sportschoenen op de tafel. Zijn lippen bleven bewegen toen hij zijn hand opstak. Naast hem zat Bingen Yalman, een paar maanden jonger dan Exan, onderuitgezakt, met zijn hakken tegen de voorpoten van zijn stoel aan. Door zijn opgetrokken knieën zag hij eruit als een sprinkhaan.

‘Kajsjo,’ zei hij, toen Exan zich in de lege stoel liet vallen.

‘Kajsjo.’ Er stond al een glas whasco voor hem klaar op het tafeltje. Ricky praatte onverstoorbaar door.

‘Ben je al in Ereb aangekomen?’ vroeg Bing.

Exan knikte en nam een slok whasco. Een van de plezierige dingen aan Kvelly was dat de obers nooit zeurden over je leeftijd als je whasco wilde kopen.

‘De hele dag ondergronds zitten,’ ging Bing verder, ‘dat lijkt me niks. Je kunt veel beter je stage in Centraal Afrika doen, of in Groenland.’

‘Ereb is een superstad, man.’ Exan meende het helemaal. Aan alle vreemde dingen wende hij wel. Het was een lekker gevoel om hier in het vertrouwde Kvelly te zitten, in de zon en samen met zijn vrienden, terwijl hij fysiek in zijn eentje in een superstad woonde. Ricky en Bing zaten nu gewoon thuis, Ricky in New York en Bing in Chili.

‘En de stages in Ereb schijnen ook niet veel voor te stellen. Je komt bijna altijd bij de Biogasunie terecht. Dat zegt mijn neef tenminste. Die heeft zijn stage ook in Ereb gedaan. Er was er maar eentje in de IT, zei hij.’

‘Jouw neef is een zakiel.’ Exan hoopte dat Bing ongelijk had. Bij de Biogasunie wekten ze energie op uit poep, wist hij. Hij kon wel raden wat Ricky zou zeggen als hij hoorde dat Exan een stage bij de Biogasunie had gekregen. ‘Zeg, wat doet zíj hier? Ze gaat straks toch niet mee?’ vroeg hij.

‘Dan mag hij in zijn eentje gaan.’

Dicht naast Ricky zat zijn vriendin Vibrance. Ze had mooi kastanjebruin haar en ze droeg altijd modieuze kleren, maar ze was een verschrikking. Omdat Ricky ouder, wijzer en sterker was, hadden Exan en Bing zich maar neergelegd bij haar aanwezigheid. Makkelijk was dat niet. Terwijl Ricky doorpraatte, zat ze Exan en Bing van tussen haar veel te zwaar opgemaakte oogleden te bekijken.

‘Wat zitten jullie te smoezen?’ vroeg ze met een kleinerend lachje.

Exan en Bing keken elkaar aan. Exan kon zich niet voorstellen dat hij ooit op iemand als haar verliefd zou worden. Zelfs haar naam was fout. Dat ze Vibrance heette kon ze natuurlijk niet helpen, maar dat ze Vibes genoemd wilde worden was het toppunt van stomheid. Vaaibz. Normale mensen die Vibrance heetten lieten zich Vibeke of Brance noemen.

Ricky bleef maar doorpraten. Exan wisselde een ongeruste blik met Bing. Het leek erop dat Ricky helemaal was vergeten wat ze vanavond gingen doen.

‘Wacht maar,’ zei Bing zachtjes. En verdween abrupt. Een fractie van een seconde later was hij er weer, maar nu vlak achter Vibrance’ stoel. Vibrance gaf een gil en dook in Ricky’s armen. Whasco gulpte over de rand van Ricky’s glas. Meteen was Bing verdwenen, om bovenop het tafeltje weer op te duiken. Aan en uit flikkerde hij, op en rondom het tafeltje. Bing beweerde altijd dat hij sneller egelde dan zijn eigen schaduw en voor het eerst geloofde Exan het. Eerst probeerde hij serieus te blijven kijken, maar gelukkig begon Ricky ook te lachen. Even later lagen ze dubbel van het lachen over het tafeltje.

Vibrance vond het niet leuk. Ze had whasco over zich heen gekregen, en toen ze merkte dat ze Ricky’s aandacht helemaal kwijt was, stond ze op.

‘Zullen we gaan, Riccardo?’ vroeg ze. ‘Ik wil me retoucheren.’

‘Wij hebben wat te doen,’ zei Exan meteen, met een nadrukkelijke blik naar Ricky.

Die aarzelde, keek van Exan naar Bing en toen naar Vibrance.

‘Moment,’ zei hij. Ze losten allebei abrupt op in het niets.

‘Die gaan vast ergens klef staan doen,’ zei Exan.

Bing knikte; hij zat weer gewoon in zijn stoel. ‘Als die zakiel het maar kort houdt,’ zei hij, tevreden en nog steeds een beetje buiten adem. ‘Anders hebben we straks veel te weinig tijd.’

‘Wat voor gamepark is Alcor 3?’

‘Het is een gloednieuwe van Varicello. Het is pas twee weken open en het speelt zich af op een andere planeet. Er is een jungle met ceratosaurussen en die moet je overhoo–’

‘Met wáttes?’

Bing grijnsde breed. ‘Ceratosaurussen. Zes meter lang, de slagtanden niet meegerekend. Razendsnel. Tachtig procent van de spelers is binnen een uur aan stukken gescheurd.’

‘Mooi,’ zei Exan tevreden.

Gewelddadige gameparken zoals Alcor 3 waren streng verboden voor minderjarigen. Als je nog geen achttien was, mocht je alleen in parken als SamenLeven of Mickey en de Milieubende komen. Daar moest je dan met de andere spelers een parlement oprichten, of de kolonisten op Io leren om zuinig om te gaan met water.

‘De meeste spelers in gameparken zijn sukkels, hoor,’ zei Bing. ‘Ouwe zakken die stoer willen doen. Raak schieten kunnen ze niet. Maar Alcor 3 is echt supergoed. En gisteren heb ik eindelijk ontdekt hoe we aan wapens kunnen komen. Dan kunnen we meespelen.’

‘Maar hoe komen we naar binnen?’

‘De parameters heb ik een maand geleden al ontdekt. Ze zijn –’

‘Je zegt net dat het pas twee weken open is.’

‘Nou ja, twee weken geleden dan. Die parameters zijn van een stuk bos, ergens midden in het park. Wedden dat we maar vijf minuten hoeven te wachten voordat we een ceratosaurus zien?’

‘Wat als we midden in een game terecht komen?’ vroeg Exan kritisch.

‘Dat doen we niet,’ zei Bing zelfverzekerd.

‘Hoezo, dat doen we niet? We weten toch niet wanneer er een game bezig is en of de spelers niet net in dat stuk bos bezig zijn?’

‘Leuk, ja.’ Ricky was weer in zijn stoel verschenen, zijn gezicht gepikeerd. ‘Straks worden we aan stukjes gescheurd voordat we zelfs maar begonnen zijn. Zeg, blijven we hier tot zonsopgang zitten ofzo?’

‘Man, we hebben een eeuwigheid op jou zitten wachten!’

‘Laten we gaan.’

Bing gaf een lange serie parameters door. Exans vingers in het Verblijfcentrum egelde de eerste. Het terras van Kvelly verdween. Hij stond midden op een kermis en muziek dreunde uit luidsprekers. Een parameter later brak de muziek abrupt af. Er krijsten zeemeeuwen en er rolden golven over het strand onder zijn voeten. Hij parameterde verder. Er was een berghelling, een bazaar in Madras en daarna het erf van een paalwormenkwekerij. Bing wist altijd de gekste routes te vinden door de virtuele wereld. Maar Bing was een genie met parameters, dus dit zou echt wel de snelste route zijn.

Toen zijn vingers de laatste egeltoets loslieten, bevond Exan zich in een oerwoud. Vlakbij stond een enorme, scheefgezakte naaldboom. Boven de modderige grond wervelden wolken van vliegjes, hel oplichtend in de avondzon. Er hing een dunne mist boven de grond waardoor je niet ver kon kijken.

‘Kunnen we ze horen aankomen, die ceratosaurussen?’ vroeg hij zachtjes aan Bing, die er natuurlijk al was.

Ook Ricky verscheen nu. ‘Waar zijn die wapens nou, man?’ vroeg hij, dringend, en ook zachtjes.

Bing grijnsde breed. ‘Dit is Alcor 3 nog niet. Dit is Manitoba, in virtueel Canada.’

‘Konsjo, man! Wat hebben we hier dan te zoeken?’

‘Stelletje schijterds! Jullie staan helemaal te trillen. Als er straks in Alcor 3 een ceratosaurus komt dan moeten jullie maar gewoon naar je moesje terug parameteren –’

‘We staan helemaal niet te trillen,’ zei Exan. ‘Denk je soms dat we bang zijn voor zo’n ceratosaurus?’

Bing begon weer te grijnzen maar stopte daarmee toen Ricky een dreigende stap naar voren deed. ‘Varicello heeft sommige van de bomen hier gebruikt voor Alcor 3,’ ging hij vlug verder. ‘Gekloond en daarna bijgewerkt tot ze er lekker buitenaards uitzagen. Vanaf hier is het nog maar één parameterstap naar het gamepark.’ Hij deed zijn best om bescheiden te kijken maar speelde dat niet echt klaar.

‘Slim bedacht, man,’ zei Ricky nonchalant. Exan wist zeker dat Ricky ook geen flauw idee had hoe Bing had ontdekt dat ontwikkelaar Varicello nu juist deze bomen had gebruikt voor het nieuwe gamepark. Bing zou het ook nooit vertellen. Inbreken in gameparken was zijn specialiteit en dat hield hij graag zo.

‘Het gaat om deze boom,’ ging Bing verder. Hij legde zijn hand op de naaldboom. ‘Die staat ook in Alcor 3. De parameters zijn precies hetzelfde, alleen de verzadiging moet je aanpassen naar +100. Dan zijn we in het park. Zijn jullie er klaar voor?’

Ze hieven ze hun vuisten en stootten die tegen elkaar aan.

‘Nu!’

Op het moment dat Exans vingers de laatste 0 hadden bevestigd, verging de wereld. Het woud van bomen werd een woud van vuur. Overal bulderden vlammen. De scheefgezakte naaldboom brandde als een fakkel en sproeide vonken. Exan dook in elkaar met zijn armen over zijn hoofd. Boven de vlammen uit klonk gekrijs, duizend keer zo hard als piepend bordkrijt. Er ratelde machinegeweervuur.

Iemand rukte aan zijn schouder. Exan krabbelde blindelings overeind en liet zich meetrekken. Voordat ze meer dan een paar meter hadden afgelegd, klonk er een gerommel. De grond schokte en in het struikgewas verderop begon het te kolken en te zieden. Het was alsof er een tornado aankwam. Toen barstte het struikgewas open.

Zes meter lang, zei Bings stem in Exans hoofd, de slagtanden niet meegerekend. Verstijfd zag hij de opengesperde bek op zich af denderen. De bebloede slagtanden, de vreemde kleine klauwhandjes die door de vonken graaiden en de massieve achterpoten die alles verpulverden wat ze tegenkwamen. Hij deed zijn ogen dicht.

‘Kom mee!’ gilde Ricky’s stem in zijn oor. ‘Hij heeft ons niet gezien!’

Met zijn drieën renden ze weg, kruipend en vallend, door een wildernis van gloeiende struiken, hete modderpoelen en omgevallen bomen.

Het was Bing die de tank zag aankomen. Ze doken tussen de wortels van een omgevallen boom, dicht tegen elkaar aan gedrukt. Ricky trilde ook over zijn hele lichaam. Toen de tank in dezelfde richting was verdwenen als de ceratosaurus, gingen ze verder. Exans benen waren slap en zijn hart bonkte zo hard tegen zijn ribben dat het bijna pijn deed.

Het geratel van de geweren raakte iets verder op de achtergrond en na een paar minuten bleef Ricky staan.

‘Waar zijn die wapens nou, man?’ vroeg hij. Zijn stem klonk hoger dan normaal. ‘We kunnen toch niet meedoen zonder wapens?’

‘We moeten naar een wapendepot,’ zei Bing hees. ‘Dan kunnen we geweren pakken.’

‘En waar is dat wapendepot?’ Ricky keek om zich heen alsof hij verwachtte dat er ergens een richtingaanwijzer stond. Die was er niet. Er waren alleen maar bomen, dik en zo hoog dat je de toppen niet eens kon zien. En modderpoelen waaruit bleekgroene dampen opstegen. In eentje staken drie afgekloven schedels boven het water uit. Alles gloeide met een diepe, oververzadigde kleur.

‘Die kant uit.’ Bing wees in de richting van waaruit ze gekomen waren. Er hing inmiddels een oranje gloed, alsof er een enorme brand woedde.

Ricky staarde hem aan. ‘Ben je gek, man! Dat is toch zelfmoord?’

‘Het regende er kogels!’ zei Exan. ‘En als dat beest niet op de vlucht was geweest voor die tank –’

‘Wat willen jullie dan?’ viel Bing hem fel in de rede. ‘Naar huis gaan? Ga jij dan aan Xavier en Puya en de anderen vertellen dat we in Alcor 3 zijn geweest en na een kwartiertje bibberen al weer weggegaan zijn?’

‘Natuurlijk niet,’ zei Ricky binnensmonds.

Ze zeiden een tijdje niets.

‘Is er een pad ofzo?’ vroeg Ricky toen.

Bing haalde zijn schouders op. Ricky maakte een geërgerd geluid en kwam in beweging. Exan en Bing volgden hem.

Ze liepen met een boog terug. Het was bloedheet. Zweet droop over Exans gezicht en het leek alsof er plasjes warm water in zijn schoenen stonden.

‘Hoe ver moeten we nog, denk je?’ vroeg Ricky aan Bing, toen ze de vuurgloed aan hun linkerhand hadden.

‘Weet ik niet.’ Bing dacht er een tijdje over na. ‘De spelers moeten ook af en toe hun wapens aanvullen. Zoals die tank, die heeft ammunitie nodig. Als we in de richting gaan waar die tank vandaan kwam dan komen we vast wel bij een wapendepot.’

Het spoor van de tank vonden ze heel snel. Het was een brede band van geplette planten. Links verdween het in de vuurgloed, rechts werd het al gauw aan het zicht onttrokken door bleekgroene damp.

Ze gingen rechtsaf. Het strijdrumoer achter hen werd steeds zachter. Het woud begon iets vredigs te krijgen. Alles zag er superecht uit. De lucht boven hen was oogverblindend hel, met twee zonnen die vreemde kriskrasschaduwen wierpen. Zoiets had je alleen in topgameparken van Varicello, bedacht Exan.

‘Het wordt wel mistig,’ zei Bing, ook tevreden. ‘Straks zien we al die ceratosaurussen die in de struiken zitten te loeren helemaal niet meer aankomen.’

‘Straks zien we dat wapendepot niet meer.’

‘Tuurlijk zien we dat wapendepot, man. Wapendepots zie je altijd al van ver. Die maken ze opzettelijk heel opvallend. In goedkope parken hangen ze er zelfs een gouden licht boven. Hier niet, natuurlijk. Dit is geen goedkoop park.’

Het was maar goed dat het tankspoor er was, want ze konden steeds minder ver kijken. Het was alsof ze in een dichte mist liepen, alleen was de mist zwavelgeel en steeg hij op uit modderplassen die bubbelden en pruttelden. Exans schoenen en broekspijpen waren zo bespat met modder dat je bijna niet meer kon zien wat voor kleur ze eigenlijk hadden.

Het terrein begon ineens abrupt te dalen. De tank had er geen moeite mee gehad, maar de jongens moesten zich langs de omgewoelde helling omlaag laten glijden. Beneden was een strand.

‘Konsjo,’ zei Exan verslagen. Ze waren bij een meer gekomen.

‘Nee, kijk!’ Bing wees. Het meer dampte maar het tankspoor was nog goed te zien. Het liep naar de oever toe en vanaf daar een soort dam op. Of de dam helemaal tot de overkant van het meer reikte, konden ze door de damp niet zien. Het leek er wel op.

‘Zou het wapendepot aan de overkant liggen?’ vroeg Ricky.

‘En zou het niet worden bewaakt?’ vroeg Exan.

‘Nee hoor. Dat heb ik uitgezocht. In de meeste parken zetten ze aldaki’s in de wapendepots neer.’ Aldaki’s waren kunstmatig aangemaakte karakters in een gamepark. Ze waren nauwelijks te onderscheiden van echte, menselijke spelers. ‘Maar in dit wapendepot zijn geen aldaki’s, dat is juist het mooie. We moeten alleen opletten dat er niet net spelers lopen rond te klossen.’

‘Kom op, laten we gaan,’ zei Ricky.

De dam was gemaakt van zand, stenen en aangespoelde takken. Moeilijk lopen was het niet. Al gauw was de oever niet meer zichtbaar. Het was alsof ze op een eilandje in de mist liepen, een eilandje dat net zo snel groeide als dat ze liepen. Het was er erg stil. Heel in de verte hoorden ze nog mitrailleurgeratel, maar dat klonk als iets uit een andere wereld.

‘We moeten straks onze hersens gebruiken,’ zei Bing onder het lopen. De dam was zo breed dat ze met zijn drieën naast elkaar konden lopen. ‘Bij het uitzoeken van onze wapens, bedoel ik.’

Er gorgelde iets in het water links en Bing stopte met praten. Ze keken, maar door de mist konden ze niets zien.

‘Een mitrailleurgeweer lijkt me het beste,’ ging hij verder. ‘Je kunt ook kiezen voor een Eigenschap, zoals Snelheid of Kracht, maar daar moet je geregistreerd voor zijn als speler. Dus dat kunnen wij wel vergeten. We kunnen het beste alle drie een mitrailleurgew–’

Er klonken weer borrelende geluiden in het water links. Ze gingen dichter bij elkaar en meer naar rechts lopen. Even later sloeg er een golf water tegen de zijkant van de dam aan.

‘Kunnen ceratosaurussen zwemmen?’ fluisterde Ricky.

‘Nee.’ Bing fluisterde ook.

‘Wat is dat dan?’

‘Weet ik veel. Een of andere… oervis ofzo.’

‘Laten we opschieten.’

Ze gingen weer verder, nu zwijgend en haastiger.

Een plasgeluid, weer van links.

De dam werd smaller en lager, dus ze moesten achter elkaar gaan lopen, Ricky voorop. Vlak voor hen spoelde een lage golf water er helemaal overheen, van links naar rechts. Een tweede golf volgde. Het was koud water en er was ook een bries opgestoken. De bries bracht een klamme, onderaardse lucht met zich mee, een lucht van verrotting en van grotten waar de zon nooit komt.

Toen Ricky het ineens op een lopen zette deden Exan en Bing hetzelfde. Water spatte op onder hun schoenen. Ze renden zo hard ze konden. En het wezen zwom mee. Hoe sneller ze renden, hoe groter de golven waren die over de dam spoelden.

Toen hield de dam op. Midden in de mist en in het water.

Ricky stopte en Bing en Exan botsten tegen hem aan. Ze grepen elkaar vast.

Het was nu doodstil in het water.

‘Waar is hij?’ ademde Ricky. ‘Hij kan niet weg zijn.’

‘Hij is niet weg.’

Ze stonden en luisterden, naar de bries en naar het zachte geweergeratel in de verte. In het water verroerde zich helemaal niets.

‘We zijn er bijna,’ fluisterde Bing tegen Ricky. ‘Kijk maar naar die schimmen daar. Misschien is de tank het laatste stuk ook door het water gegaan. Dan is het hier niet diep.’

‘In een tank is het ook niet zo’n kunst om – Konsjo, man! Pak me niet zomaar vast!’

‘Nee, moet je kijken!’ Exan pakte Ricky’s arm weer beet. ‘Daar ligt een boomstam in het water. Als we snel zijn kunnen we zo naar de kant rennen. Die boomstam ligt er vast om over te lopen.’

De boomstam was nauwelijks te zien in de mist omdat hij half onder water lag. Maar hij lag er, en zo dichtbij dat je er vanaf de dam wel op kon springen.

Ze verdrongen zich in hun haast om bij de boomstam te komen. Ricky sprong als eerste, gleed bijna uit, herstelde zich. Exan kwam op handen en voeten op het hout terecht. Achter zich hoorde hij Bing neerkomen. Hij krabbelde overeind en begon te rennen.

Het wezen wachtte hen op. Toen ze halverwege de stam waren en de oever van het meer al zagen liggen, rees er vlak naast de boomstam een zuil van zwart, glimmend spek op. De zuil rees en rees en werd onderaan steeds breder. Toen kromde, ergens in de hoogte, de nek zich. Een opengesperde bek dook naar beneden.

Ricky schreeuwde iets en dook het water in. Exan hoorde hem in paniek naar rechts wegcrawlen. Zelf bleef hij doorrennen, met Bing in zijn kielzog. Bloed bonkte in zijn oren.

Eindelijk was de oever er. Hij sprong en zijn knieën begaven het. Bing viel half over hem heen in het zand.

‘Schiet op, man, schiet op,’ zei hij schor in Exans oor. Samen kropen en strompelden ze verder, weg van het water. Even later kwam Ricky ook aanrennen, doorweekt en trillend. Ze lieten zich in het zand vallen en bleven hijgend liggen.

‘Konsjo, man, konsjo.’ Bing bleef het maar zeggen.

‘Wat was dat voor beest?’

‘Weet ik veel. Ze zeiden niks over watermonsters op de demoforums. Alleen over ceratosaurussen. Wat een rotstreek.’

Ze lagen een tijdje in het zand om bij te komen. Langzaam verdwenen de schrik en de angst. Het was lekker om in de zon te liggen uithijgen. In de zonnen. Twee zonnen was best handig, bedacht Exan. Als de ene niet scheen dan had je de andere nog. O nee, dat sloeg nergens op.

Hij zei het hardop en ze moesten erom lachen, veel harder dan ze anders zouden hebben gedaan.

‘We hebben het gered, man,’ zei Ricky. Hij hief een triomfantelijke vuist op en wees toen. Nog geen honderd meter verderop, tussen taaie, heuphoge struikjes, stond een blokhut. Een deur was er niet. Je kon er zo naar binnen lopen.

‘We kunnen het beste alle drie een mitrailleurgeweer nemen,’ zei Bing weer.

‘Wat hebben ze nog meer?’

‘Kapmessen, denk ik. Enne… raketwerpers.’

‘Dat verzin je nu net.’

‘Wedden?’

‘Tuurlijk niet, man.’

‘Kom op, laten we gaan.’ Ricky sprong overeind.

De struikjes waren stekelig. Je moest je langzaam bewegen, anders bleef je steeds in doornige takken hangen. Ze zochten de kleine paadjes op die er tussendoor liepen. Soms schoot er een diertje voor Exans schoenen weg. Een salamander, of iets fel geels waar hij geen naam voor had.

‘Een kapmes is eigenlijk best handig in de jungle,’ zei Ricky achter hem. ‘Hé, Bing,’ riep hij naar Bing, die voorop ging, ‘als je inderdaad niet uit je nek stond te zwammen dan kunnen we misschien het beste een kapmes en twee mitrailleurgeweren nemen. Jij of Exan neemt dan een kapme–’

Er klonk geritsel. Voordat ze zelfs maar tot stilstand hadden kunnen komen, sprong er iets uit de struiken tevoorschijn en versperde hen de weg.

Het was geen ceratosaurus. Het was een gitzwart, poema-achtig wezen met enorme slagtanden, dicht behaard en ineengedoken. Toen Bing zijn hand naar zijn zak bracht, kromden de achterpoten zich, alsof ze elk moment als een veer konden losschieten. Bing bevroor, zijn hand in zijn zak.

Een tijd lang bewoog niemand zich.

‘Waarom doet hij niets?’ fluisterde Ricky toen.

De oren van het dier bewogen bij het geluid van zijn stem.

‘Bewaakt hij dat wapendepot?’

‘Daar zeiden ze niks over op de demoforums.’ Bing deed een aarzelende stap naar voren.

Dat was een vergissing. De achterpoten van de sabeltandpoema strekten zich. In een fractie van een seconde stond het dier rechtop – torenhoog – en stortte zich naar voren.

Exan reageerde in een reflex. Het was alsof zijn hersens hem met een schouderbeweginkje aan de kant duwden en het van hem overnamen. Alsof hij een dubbele zonnesteek had opgelopen.

Hij parameterde weg.

Sneller dan die van Bing het ooit hadden kunnen doen deden zijn vingers wat ze anderhalf uur eerder ook hadden gedaan, maar dan omgekeerd. Ze veranderden de kleurtoon van +100 naar normaal.

De vallei verdween abrupt. Hij stond nog steeds tussen stekelstruiken, maar die waren dof donkergroen en groeiden aan weerszijden van een oprijlaan. Vlakbij verrees een futuristisch uitziend kantoor. De ramen gloeiden rood in het licht van de avondzon.

Toen besefte hij wat hij had gedaan. Hij was weggeparameterd.

Met een bonzend hart probeerde hij de kleurtoon weer terug te zetten naar oververzadigd. Als hij snel was…

Maar er gebeurde niets. De struikjes trilden in de wind, de ramen gloeiden rood en de zon was en bleef enkel. Exan kreunde. Gameparken waren beveiligd tegen heen en weer parameteren. Anders parameterde je immers gewoon even een paar seconden weg als een vijand zijn mitrailleur op je wilde leegschieten. Er was maar één manier om terug te gaan naar Alcor 3: via Bings parameterroute. Eerst naar Manitoba, en dan weer door het brandende woud, langs het tankspoor, over die dam… Hij kreunde opnieuw. Dat had geen enkele zin.

Toen was er een explosie van gekraak en geritsel verderop. Ricky stond ineens tussen de struiken, verloor zijn evenwicht en verdween weer uit het zicht. Achter hem stond Bing. Bings tanden waren ontbloot en hij had een opgeheven mes in zijn rechterhand. Er droop een rode vloeistof over het lemmet en zijn magere schouders gingen snel op en neer.

Ricky’s hoofd verscheen weer boven de struiken. ‘Konsjo!’ hoorde Exan hem schor zeggen. ‘Dat scheelde niet veel.’ Hij waadde naar Bing toe, die zijn schouders ontspande en het mes zorgvuldig af begon te vegen aan zijn broekspijp. ‘Mooie actie, man.’

Exan ging er ook naar toe, een beetje beverig.

Bing trok zijn wenkbrauwen even op.

‘Hoe kom je aan dat mes?’ vroeg Ricky.

‘Keertje gekocht.’ Bings stem klonk een beetje hees, ook al deed hij zijn best om nonchalant over te komen.

‘Waar dan?’

‘Gewoon.’

‘Laat dan eens zien, zakiel.’

Bing reikte het mes over. Nadat Ricky het uitgebreid had bekeken nam Exan het zwijgend over. Het was een zwaar mes en het lag goed in de hand.

‘Mooi ding,’ zei hij.

‘Vlindermes.’

‘Hij is wel erg korrelig,’ zei Ricky kritisch.

‘Het is een echte Norethandro. En als je denkt dat hij te korrelig is dan moet je het maar eens aan die sabeltandpoema vragen.’

‘Hoe kom jij aan een Norethandro-mes?’

‘Gewoon, gekocht. Je moet wel weten waar, natuurlijk, en hoe je ernaar moet vragen. Ze liggen echt niet in de etalage.’

‘Kom jij dan wel eens in Norethandro-levels?’ vroeg Exan. De levels die door ontwikkelaar Norethandro werden onderhouden, waren berucht.

‘Tuurlijk.’

Er viel een stilte. Exan kon niets bedenken om te zeggen. Even hoopte hij dat de anderen niet hadden gezien dat hij wegparameterde. Maar Ricky had vlak achter hem gelopen. Hij deed zijn handen in zijn zakken en keek toe hoe Bing het schoongemaakte mes zorgvuldig in zijn zak opborg. Als je zo’n mes had dan was het ook niet zo moeilijk om te blijven staan. Als je iemand als Bing was dan wist je hoe je aan zo’n mes kon komen.

‘Wat doen we nu?’ vroeg Ricky toen. ‘Teruggaan?’

Bing haalde zijn schouders op en keek naar Exan.

Exan voelde een vleugje hoop. Misschien was Ricky zo in beslag genomen geweest door die poema dat hij had gedacht dat Exan alleen maar de struiken in gedoken was. ‘Misschien kunnen we eerst een makkelijker park proberen,’ zei hij. ‘Een gewoon dodge-‘n’-burn-park, bijvoorbeeld. En als we dan –’

‘Bedoel je dat jij hem daar níet smeert?’ viel Ricky hem in de rede.

‘Hoe– hoezo, hem smeert?’

‘Jij parameterde weg toen die sabeltandpoema sprong.’

‘Niet waar,’ zei Exan automatisch.

‘Ik zag je toch verdwijnen, zakiel. Je stond vlak voor me. Ik ben toch niet blind?’

‘Als ik een Norethandro-mes had gehad dan was ik ook wel gebleven! Maar het was gewoon gekkenwerk, met zo’n sabeltandpoema, als je geen wapens hebt. Tachtig procent van de spelers in Alco–’

‘Ik heb toch ook geen Norethandro-mes, zakiel! En ik ben wél gebleven. Je bent –’

Ricky stopte abrupt omdat het geluid van rennende voetstappen klonk. Om de bocht van de oprijlaan verschenen twee mannen in beveiligingstenue.

‘Wegwezen,’ siste hij.

Exan parameterde weg en was de anderen meteen kwijt. Blindelings paste hij de eigenschappen van de omgeving aan. Eerst was er hetzelfde soort struikgewas maar nu aan de rand van een ravijn, toen per ongeluk weer de oprijlaan met de beveiligers, die nu wel erg dichtbij waren, daarna de Overflakkeese bloemenflora. Een ouder echtpaar deinsde geschrokken achteruit toen hij met een plons middenin een lelievijver landde. Hij parameterde meteen weer verder. Een halve minuut later stond hij bovenop het dak van de Milanese opera. Vanaf daar was het niet ver meer naar zijn salon.

Even later beklom hij vermoeid de traptreden naar zijn salon. Voordat hij parkeerde trok hij zijn doorweekte, smerige kleren uit en bekeek zichzelf in de spiegel. Hij zat onder de modder, schrammen en brandwondjes. Modder kon je zo wegretoucheren, maar voor de wondjes had hij de hulp van zijn ouders nodig. Die moesten een medi-retouchering aanvragen bij Gamba Rampant, de ontwikkelaar waar het gezin Smidt bij zat.

‘Wat heb jij in vredesnaam gedaan?’ zou zijn moeder vragen.

‘Ach, niks.’

‘Sta er niet omheen te draaien, Exan. Wat heb je uitgespookt?’

‘Nou gewoon. Ingebroken in een 18+ gamepark.’ Zijn ouders zouden een hoge boete krijgen van Gamba, omdat hij de verwondingen op verboden terrein had opgelopen. En ze zouden furieus zijn dat hij zulke gevaarlijke dingen deed.

Hij zuchtte. Hopelijk verdwenen de wondjes vanzelf. En hij had trouwens wel grotere zorgen aan zijn hoofd. Hij parkeerde en maakte zijn ogen weer gewoon transparant.

De dressoirkast en het bruine bloemetjesbehang staarden hem aan. Wie geen hoofd heeft, heeft ook geen hoed nodig. Hij vertelde zichzelf dat het belangrijkste was dat ze Bings bloederige, gebroken lichaam niet naar huis hadden hoeven dragen. Dat iedereen veilig weggekomen was. Maar op de een of andere manier maakte dat het alleen maar erger.

 

 

Naar Parallelle realiteiten

Home