Eliminatie voor de gevorderde drummer (eerste hoofdstuk)

PDF

Zondagochtend 03:05

En hier eindigde het allemaal: Jerrik en ik, om elkaar heen draaiend, elk met een mes in de hand. Het staal schudde onder ons en de toeschouwers brulden, maar je hoorde ze nauwelijks. Alles verdronk in het oorverdovende tromgeroffel. Er is geen rituele dood zonder drum. De drummer stond boven ons, zodat de echo’s van zijn slagen en zijn schaduw in de nachtlucht verdwenen. De slagen regenden op ons neer. Het waren roffels die stopten op de tweede en vierde tel van de maat, abrupt als pistoolschoten, en het was gekmakend. Het drong mijn trommelvliezen en poriën binnen en hield elke botvezel, spier en bloedcel in een trillende houdgreep.

Jerrik was zich er niet van bewust. Hij had alleen aandacht voor mij. De rand van het rad was nog geen schoenlengte breed maar dat was voor hem meer dan genoeg. Of hij deed alsof het meer dan genoeg was, want controle was, zoals altijd, alles voor hem. Waar ik mijn hoofd gebogen had en alleen af en toe snel opkeek om te zien of hij niet te dichtbij gekomen was, slenterde hij ontspannen rondjes, zijn ogen op mij gericht. Hij leek op een zwijn. Boven zijn lip groeide een inktzwart, rechthoekig schaduwsnorretje, met daarboven zwarte neusgaten die zwollen en zogen op de maat van de drumslagen. De snuit glimlachte sereen en klootzakkerig als ik wankelde. De neus en jukbeenderen wierpen een traliekruis over zijn gezicht als hij calculerend naar me keek. Ik las fanatisme in dat kruis maar ook iets van gevangenschap. Door een speling van de vuurgloed beneden ons was er soms op zijn kin een tweede mond zichtbaar. De tweede mond glimlachte ook, een geruisloze, gevoelloze lach.

Het rad hing aan een ketting en golfde traag mee met onze bewegingen. Ik liep rondjes met kleine pasjes en zwaaiende armen. Jerrik struinde rustig en zelfverzekerd achter me aan als een olietanker door een woelige zee. Het dunne mes in zijn hand glom.

Er wás iets, iets wat ik me moest herinneren.

En ik wankelde, raakte uit evenwicht. Er was een nieuwe golf van staal, en nog eentje, en het rad kwam op me af en de kokende oranje massa eronder ook. Het was een beest, een monster dat zwol en zoog, bellen blies en zich traag wentelde. Ik zag mezelf vallen en vallen naar die kokende massa toe, als geluid dat in een zwart gat wordt gezogen, als een snaar, een darm die steeds verder uitgerekt wordt, steeds hoger krijst maar nooit knapt en stil wordt.

Oepsss.’

Ik hoorde het hem zeggen, zacht en sissend, tussen twee roffels. Zijn mondhoeken waren opgetrokken en eronder zweemde de tweede glimlach. Het rad zette een nieuwe serie golfbewegingen in toen hij sneller ging lopen, maar ik had mijn evenwicht al weer teruggevonden.

We – worden –gebruikt,’ zei ik, in de stiltes tussen de roffels door.

Hij leek me niet te horen. Stapje voor stapje week ik terug maar hij bleef naar me toe komen.

Als we hierin – meegaan dan gaat het – precies – zoals ze willen.’

Blijkbaar verstond hij me toch, of anders las hij mijn lippen, want hij keek even naar beneden. Het gaf me hoop.

Jerrik, ze denken dat zíj bepalen wat wij doen. Dat is niet zo.’

Nee, dat is niet zo.’ Hij bleef staan, zakte door zijn knieën en ging snel weer staan. Er voer een schokgolf door het rad heen. ‘Ik denk dat wij bepalen wat we doen. Zo maak ik af en toe een beweging’ – hij deed het weer – ‘en dan ga jij vreemd met je armen zwaaien. Oeps. Pas op, straks val je. Dat moeten we niet hebben.’

Er is een uitweg, Jerrik.’

Dat hoop ik voor je.’

We kunnen hier allebei levend uit komen als we wil–’

Kletsen helpt hier niet meer, Tom. Het is jij tege–’ En midden in het woord zette hij af en sprong naar voren. Het was perfect getimed en perfect uitgevoerd. Ik kon alleen maar blijven staan, stokstijf als een boom langs de snelweg en hem geruisloos door de lucht zien vliegen. Vlak voordat zijn voorste voet links van me neerkwam, bracht hij het mes over naar zijn linkerhand. Ik voelde de schok en de luchtverplaatsing waarmee hij landde en ik zag zijn arm omhoog gaan. Pas toen zijn hand ineens vlakbij mijn gezicht was kon ik me bewegen.

Ik dook blindelings weg en kwam neer op mijn handen en knieën. Het staal was hard en heet en beneden me, dichterbij en heter dan ooit, kolkte de vuurmassa. Het was een almachtige barbecue van trage, bubbelende lava waarin vezelige spanten van rossig grijs ronddreven. En ergens achter me was Jerrik met zijn mes.

Ik maakte jankgeluidjes toen ik wegkroop, maar het mes kwam niet. Toen ik eindelijk achterom durfde te kijken, zag ik dat hij verder weg stond dan ik had gedacht. Hij rimpelde een beetje in de warme lucht alsof hij niet helemaal substantieel was, maar hij was er nog steeds. De hitte was verstikkend. Ik ging dit verliezen, ik wist het.

Ik wist overeind te krabbelen en een paar zwaaiende passen te doen. Het publiek kantelde weg en golfde terug, mijn maag golfde mee, en ineens zag ik Maura’s gezicht tussen de toeschouwers. Er was een nieuwe kanteling en ze was verdwenen maar ik wist weer dat er iets wás, iets belangrijks. Verzet je! verzet je! dacht ik, maar natuurlijk was er niets. Het was Jerrik of ik, en de drummer boven onze hoofden was daar volkomen duidelijk over. Hij ging maar door, oorverdovend. Ik speel zijn roffels nu ook. Het is ochtend, er is geen vuur meer en in de stilte tussen de roffels hoor ik de zee ruisen, maar mijn roffels klinken zoals de executiedrum sinds mensenheugenis heeft geklonken. Ritme is onweerlegbaar. Het liet ons daar, boven het vuur en onder die doodstille, inktblauwe nachtlucht, blindelings rondjes rennen.

… dansende beer, Tom.’

Toen ik weer naar Jerrik keek, zag ik dat die tegen me praatte. Het leedvermaak van de drum overstemde hem, maar ik kon zijn lippen lezen.

Weet je hoe ze beren leren dansen, Tom? Ze nemen een jong beertje en prikken met een gloeiende spijker een gat door zijn neus en verhemelte. Daar halen ze een touw of ketting door. En ze trekken de tanden, of slaan die er met een stok uit. De nagels gaan er ook uit. Castratie. Alles zonder verdoving. Ze laten hem dansen door aan het touw te trekken. Of hem op gloeiende kolen te zetten. Net als jij, Tom. Voel je het hete ijzer door je schoenzolen? Is dat waarom je danst? Ik geef een show met mijn dansende beer! En luister maar: het publiek vindt het mooi. Ze juichen. De temmer en zijn dansende, machteloze beer. Ik en het beest.’

Ik bleef rondjes lopen. Zolang hij dat dunne, slangachtige mes in zijn hand had, was ik machteloos. Nee, het was niet alleen dat mes. Het was ook zijn snelheid, en vooral zijn schofterige vastbeslotenheid. Hij wilde niet alleen winnen, hij wilde me zien lijden tot de laatste seconde. Als ik in het vuur lag, zou hij blijven kijken tot het laatste vonkje bewustzijn mijn ogen en lichaam verliet. Die vlakke, wrede smoel die over de rand van het rad naar me keek, verlicht door de oranje vuurgloed, zou het laatste zijn dat ik zag.

Steeds als hij sneller ging lopen, deed ik dat ook. Hij zag het. Ook al verstond hij de drum niet, hij wist dat ik bang voor hem was en dat zijn gepraat invrat op mijn zelfvertrouwen. Daarom liet ik hem dichterbij komen en draaide me plotseling om toen ik hem achter me voelde. Mijn hand schoot uit. Het was een schijnbeweging, maar hij trapte erin. Net als eerder viel hij me razendsnel aan. Deze keer verraste hij me niet. Ik ving zijn steek op met mijn stiletto. Nathans stiletto. Jerriks lemmet schraapte langs het mijne en kwam tot stilstand op het kleine kruisgevest. Met alle kracht die ik in mijn hand had wrikte ik.

De drum wilde anders. Jerrik wist grip te houden en zijn lemmet los te maken. Hij trok zich snel terug, zijn gezicht verbeten en het mes in zijn hand geheven. Zelf ging ik ook achteruit. We wankelden allebei maar ik bleef hem aankijken en hij mij. Het publiek joelde luider dan ooit. Maura ook? Vast niet.

Ik verstoor je plannen toch niet?’ vroeg ik.

Hij deed een stap naar voren en ik week terug zodat de ketting waaraan het rad hing weer als een paal tussen ons omhoog stak. ‘Want dat wil ik natuurlijk niet. Dat willen we natuurlijk niet.’

Hij bleef staan. ‘Ben je wanhopig aan het worden?’ vroeg hij, ‘Of probeer je alleen maar mijn aandacht af te leiden?’

Geen van beide. Maar Maura is er ook nog, hè.’

Hij keek even, zag haar vlakbij de brug staan en kwam weer naar me toe, behoedzaam en intimiderend. Het publiek was stiller geworden, de drum zorgvuldiger. Jerrik merkte het ook. Hij leek te denken dat ze hun vertrouwen in hem verloren, of misschien bevielen mijn woorden hem gewoon niet. Wat het ook was, hij nam een paar grote stappen en viel me aan. Toen ik hem opnieuw met mijn stiletto weerde floot iemand in het publiek honend. Jerriks mond werd smaller. Hij maakte volkomen onverwachts een draaibeweging. Het was alsof er een elektrische schok door mijn pols en vingers ging. De stiletto schoot uit mijn handen en viel zwart–glinsterend–zwart–glinsterend omlaag, de vuurmassa in.

Gejuich overstemde de drum. Terwijl ik met een verdoofde hand weg struikelde begonnen de toeschouwers te klappen op de maat van de drum, luid, nadrukkelijk en steeds meer jagend tot het geklap als een te hoge golf over de kop sloeg en in een bruisend, bellend applaus uiteen viel.

Straks zijn alleen Maura en ik er nog maar, Tom,’ zag ik Jerriks lippen zeggen.

Mijn hart roffelde mee met het geklap. Zíjn wapen had moeten vallen, dat was mijn plan geweest. Met blote handen kon ik van Jerrik winnen. Dat wist ik, dat is eerder gebleken. Als hij zijn mes eenmaal kwijt was, dan hoefde ik alleen maar naar hem toe te gaan. Maar nu –

Hij zag dat ik bang was, en dat beviel hem. Hij begon me op te jagen door te versnellen en dan weer abrupt te vertragen. Ik kon hem alleen maar nadoen, machteloos als een beer aan een ketting. Zo draaiden we cirkels, een meter of drie tussen ons, onze hoofden naar elkaar toegedraaid. Het klappen ging maar door en probeerde mijn weerstand te breken.

Plopperdeplop,’ zag ik hem zeggen. ‘Onze stot–tot–totteraar raakt in de stress. Jij kunt maar op twee standen, hè? Óf het is d–oodstil, óf er komen p–p–plopgeluiden uit.’

Ik zei niets maar bleef beatboxen, op de maat van de roffels natuurlijk, want verzet was zinloos en mijn eigen beat verdronk in de herrie. Maar ik probeerde helder te blijven denken. Dat mes. Concentreer je. Vergeet die drum.

Hij bleef staan. Ik ook.

Maura is erg geschrokken,’ ging hij verder, alsof hij wist waar mijn gedachten in weerwil van de drum en het geklap naar tastten. ‘Diego kijkt ook. Eigenlijk geen geschikte omgeving voor kinderen. Maura’s ogen zijn groot. Ze vindt het niet leuk dat jij straks valt. Waarom ze zo’n hoge achting voor zo’n eikel heeft weet ik niet.

Ik hield mijn hoofd iets naar achteren en glimlachte. Hopelijk was er bij mij ook zo’n tweede lach te zien. ‘Dat hoef je ook niet te begrijpen,’ zei ik, en zette me weer in beweging. Nu was ik degene die leidde en hij degene die volgde. De drummer en de onwetende, aangelijnde honden buiten de vuurkuil waren alleen nog maar een geluidsgolf op de achtergrond. Ik hoorde hen – hoe zou ik níet kunnen horen? – maar deed mijn best om niet te luisteren. Jerrik hoorde niet maar deed zijn best om onaangedaan en superieur te kijken.

Nu ik hield mijn pas een beetje in en spande mijn spieren voor wat komen ging. ‘We zijn… goed bevriend geraakt, Maura en ik.’

Maar ik onderschatte weer zijn ongelooflijke snelheid. Hij was een projectiel dat in een fractie van een seconde levensgroot werd en met zijn volle gewicht tegen me aan dreunde. Ik voelde zijn warmte en rook zelfs zijn adem toen ik als een biljartbal werd weggestoten.

Tijdloosheid en gewichtloosheid. Het zwarte gat en de eindeloos uitgerekte darm. Bij de herinnering worden mijn rauwe handen zweterig. Ik ril in de koele ochtendlucht en mijn roffels beginnen onregelmatig te klinken. Maar de realiteit laat zich niet manipuleren, en zeker niet door zweet dat geruisloos uit poriën komt. De waarheid moet worden gesproken. Dus ik concentreer me en speel door, tot mijn slagen weer synchroon lopen met die van de drummer in mijn hoofd.

Ik knapte niet. Ik kon nog net de rand van het rad vastgrijpen, alsof mijn armen heel even langer werden, alsof die kokende massa echt een zwart gat was. Het staal in mijn handen leek even ijzig koud – even maar. Sneller dan ik kon denken trok ik mijn knieën op en sloeg mijn rechterbeen over de rand heen.

Maar natuurlijk had Jerrik niet staan wachten. Voordat ik mijn handen los kon maken schopte hij mijn been weg. Op hetzelfde moment hoorde ik ook weer de drummer en het loeiende publiek, als een waas in mijn oren en hersenen. Ik kon alleen maar aan mijn handen denken. Ze plakten vast, brandden vast, ook als ik het rad maar een seconde vasthield. Ik sloeg mijn rechterbeen over de rand. Weer was daar Jerriks voet, keihard, tegen mijn enkel. Eén beenbeweging zou voldoende zijn om me het vuur in te schoppen, maar hij wilde met me spelen, als een kat met een muis. In blinde paniek sloeg ik opnieuw mijn been omhoog, nu de linker. Jerrik stapte als de wind over me heen en schopte me weer de diepte in.

Zijn stem klonk ineens, rustig en vrij goed hoorbaar. ‘Ik ben bang dat je hoop vergeefs is, Tom.’

Maar mijn weerstand was nog niet gebroken. Weer zwaaide ik mijn been omhoog, en nu strekte ik tegelijkertijd mijn armen. Het rad schokte. Toen het publiek brulde wist ik dat ik Jerrik uit evenwicht had gebracht.

Het maakte hem furieus, dat ik zijn sadistische spelletje verpestte en hem voor al die mensen voor schut zette. Hij schopte nu met al zijn kracht. Maar ik trok mijn been op tijd terug en gebruikte de beweging om mijn andere been onder het rad door te zwaaien en hem om een van de spaken van het rad te haken. Jerrik haalde nogmaals uit met zijn voet, maar de afstand was te groot. Hij miste, die zielige vuile klootzak. De toeschouwers en de drummer hadden het mis. Als een gek werkte ik me verder onder het rad en onder Jerrik door, langs de spaak die in mijn knieholte en handen als duizend graden Celsius aanvoelde.

Er was een oranjeverlichte beweging van benen en schoenen boven me. Toen landde er blok beton op mijn vingers en moesten mijn vingers de spaak loslaten. Vuur tuimelde om me heen. Het oranje monster brulde vlak bij mijn oor en er plopte lava, kokend, hels. Iemand leek heet water over mijn hoofd en schouders te gieten en de roodgloeiende spaak boorde zich in mijn knieholte. Weer trok ik me op en weer greep ik de spaak vast, ook al wilden mijn handen niet. En weer was Jerrik sneller. Ik hoorde hem lachen terwijl hij via de spaken overstapte naar de andere kant van het rad en mijn vingers als voetsteun gebruikte. Maar ik moest me blijven optrekken en me vastgrijpen, ik kon niet anders. Ik voelde mijn lichaam kronkelen en zwaaien zonder dat ik het kon tegenhouden. De hitte was een bedwelmende hel en de drum was een bedwelmende waarheid.

Het was voorbij. Ik wist het. Zodra mijn knieholte de hitte van de spaak echt niet meer kon verdragen, zou ik loslaten en omlaag storten, de vuurzee in. Ooit moest een of andere gestoorde, schuimbekkende gek in een grot dit hebben voorspeld, uitgesproken, en daarmee een eeuwenlange serie trillingen op gang hebben gebracht, waarvan de laatste echo’s dun als een ademtocht, als de spin van het laatste elektron op aarde, waren opgevangen door de drummer, de god van het universum.

Er was nog maar één ding dat ik kon doen om niet te vallen.

Mijn rechterhand leek iets van lichtjaren ver weg toen ik hem naar mijn broekzak bewoog en hem gebald tussen het stof naar binnen schoof. Intussen zocht ik de brug. Heel even, voordat ik mijn ogen dicht moest knijpen voor de hitte, zag ik Maura en Diego. Maura’s hoofd leek weggedraaid te zijn alsof ze het niet langer meer kon verdragen, maar Diego stond het allemaal rustig aan te zien. Het gaf me hoop.

Het rad bewoog, en ineens verscheen Jerriks gezicht vlak boven me. Hij hurkte met één voet op de spaak neer en keek op me neer. In het frontale licht waren de schaduwen weg zodat zijn gezicht iets bloots en naïefs had. Zijn lippen bewogen. ‘Wat is er, Tom? Zoek je een papieren zakdoekje om in uit te huilen?’

Weer keek ik naar de brug, iets langer en met tranende ogen. Diego stond nog steeds met een rustig gezichtje naar me te kijken. Ik probeerde mijn gezicht kalm te houden om hem niet bang te maken. Er is niets, jochie, dit is gewoon een soort spelletje.

De twee dunne stukjes blik had ik nu in palm van mijn rechterhand. Het leek zo weinig, het wás weinig, maar het was de enige kans die ik nog had.

Of krijgen we de grote, briljante ontknoping te zien?’ Of krijgen we –’ Jerrik sloot zijn ogen even. ‘Ja hoor, we krijgen meer plopperdeplop.’

Hij wist niet beter. Zelf dacht ik op dat moment ook dat ik alleen maar beatboxte om praktische redenen, omdat niets anders me kon behoeden voor die brullende vuurhel beneden me. Nu weet ik beter dan ooit dat het meer was. Ík was de schuimbekkende gek en de profeet, de freak. Ík was de drummer. Met mijn mond haalde ik de vezels van het universum uiteen en vlocht ze op een andere manier weer in elkaar. Mijn beatboxen was de laatste riff in een drumpartij die al negenendertig uur duurde. Met mijn gebarsten lippen en dikke tong maakte ik de geluiden die je normaal op een drum speelt. Hi–hat, bassdrum en snaardrum. Het klonk nergens naar en soms moesten mijn lippen en tong het even opgeven, maar dat maakte niet uit. Elke beat telt.

Ik beatboxte een shuffle-ritme. Eerst alleen maar de ‘Drummers Call’, het signaal waarmee tamboers in een legerkamp zich verzamelen bij zonsopgang, daarna mijn eigen solo. Het was mijn ‘verzet je! verzet je!’ van triolen dat ik om de roffels van de drummer heen weefde en die om de twaalf tellen gelijk met hem uitkwamen. Hij ging onverstoorbaar door met zijn strakke, regular feel, maar ergens had ik het gevoel dat hij best wist dat iemand hem aan het ondermijnen was. Het leek nergens op, zoals ik zei, maar het was ritme. Ritme heeft altijd effect, zelfs op mij, daar op dat rad en niet begrijpend.

Geen grote briljante ontknoping,’ zag ik Jerrik intussen zeggen. ‘Alleen maar plopperdeplop. Slaat de krankzinnigheid toe bij de gedachte aan de duik die je straks gaat nemen? Wat gaat het worden, Tom? Eerst je hoofd? Of maak je een salto om netjes op je voetjes te landen? Het eerste is enger maar het tweede is een stuk onaangenamer.’ Hij kwam overeind, strekte zijn voet uit en leunde met een groot deel van zijn gewicht op mijn knie. Ik bleef beatboxen terwijl mijn rechterhand, ergens anders in het heelal, het ringetje overbracht naar mijn linkerhand.

Hoe zat het ook al weer in Pompeï? Daar werden ze toch in één klap ingesloten door de lava? Wie weet vinden ze jou over drieduizend jaar hier ook volledig geconserveerd terug, Tom. Of was het tweeduizend jaar? Vert–t–tel eens, Tom. Jij zou moeten weten of het t–t–tweeduizend of drieduizend jaar geleden was. Vertel het me nog even, voordat je valt.’

Hij trok zijn voet terug en schopte fel en feilloos tegen mijn knie aan. Alles werd even donker voor mijn ogen en zijn stem werd waziger.

… Tom. Een paar seconden heb je toch wel voor me over?’ Toen zijn gezicht weer uit het donker opdoemde, glimlachte het met beide monden. Ik zag hem overeind komen. Staand en op me neerkijkend, ineens voor het grootste deel alleen nog maar beige beenlengte, stak hij het mes in de schede aan zijn riem en trok zijn shirt over zijn hoofd uit. Vanuit het publiek werd gefloten.

Je blijft zo opgewekt kijken,’ zei zijn mond in de verte. ‘Is dat omdat je tegenslagen gewend bent? Omdat je niet voor jezelf kunt opkomen en geen ambities hebt, omdat je vrienden je een lul vinden en zelfs je eigen familie denkt dat je zwakbegaafd bent? The show must go on, plopperdeplop. Zoiets?’

Hij wikkelde het shirt om zijn linkerhand en hurkte weer neer. Zijn omwikkelde linkerhand gebruikte hij om op de spaak te leunen. In zijn andere hand had hij het mes. ‘Je denkt nog steeds dat er een uitweg is, hè? Je blijft maar dansen en kronkelen, het lijkt wel een freakshow. En wat heb je daar in je hand? Een geluksdingetje? Dat heb je wel nodig, hè.’ Hij bleef me aankijken terwijl hij langzaam het mes naar me toe bewoog. Horen deed ik hem niet, maar zag hem lachen. Toen voelde ik de eerste vlijmscherpe snede in mijn been.

Ik ademde hete lucht in en moest me beheersen om niet te kokhalzen, om mijn been niet los te schoppen en te vallen, en om en mijn lippen duidelijk te bewegen. ‘Ik heb maar een paar seconden nodig om je iets anders te vertellen. Een stukje geschiedenis, maar niet zo oud als Pompeï.’ Ik zocht contact met die grijze ogen, waarvan de pupillen klein waren door de vuurgloed en de oogleden wat gezwollen. Zijn bewegingen en de pijn waren even gestopt. ‘Je trapte er zo makkelijk in vanmiddag. Ik had medelijden met je.’

Eerst was er grenzeloze razernij in zijn ogen, heter dan het vuur beneden ons, toen een onverschillige intensiteit. En ik voelde triomf, want ik wist dat ik hem had waar ik hem hebben wilde. Hij was machteloos als een lichaam dat valt en alleen maar verder de diepte in kan vallen.

Ik richtte me half op zodat zijn gezicht nog geen meter van het mijne vandaan was. Het was een opgloeiend en tegelijkertijd doodsbleek gezicht, wildvreemd en tegelijkertijd volkomen vertrouwd. Mijn handen zwalkten toen ik het ringetje en het lipje naar elkaar toe bracht, traag en zoekend als twee ruimteschepen die ergens in de buurt van Pluto een koppeling tot stand moeten zien te brengen. En in een synchroon proces ging zijn mes weer naar mijn been toe en begon het vel van mijn scheenbeen te villen, met korte halen. Zijn gezicht bleef uitgestreken, maar hij zag iedere kronkelbeweging die ik maakte.

Moet je me niet tegenhouden? Nee? Kijk dan, kijk dan wat ik doe.’

Hij keek. Terwijl hij doorging met zijn slagerswerk keek hij naar me. Dat voelde ik, dat wist ik. Zelf hoorde ik alleen nog maar de drummer die het ware en het onweerlegbare sloeg. Ik zag de geluidscirkels de inktzwarte lucht vullen en vormen. Ik zag de brug, rossig verlicht, schuin omhoog steken. Ik voelde het universum, elke trillende molecuul. Ik voelde mezelf trillen en met mijn wezen het hele oneindige almachtige universum vormen en in stand houden. Toen trok ik mijn linkervingers naar achteren en liet, op het moment dat de drummer zijn zoveelste roffel als een pistoolschot afbrak, het ringetje tussen mijn vingers wegschieten. Mijn ogen en die van Jerrik volgden het toen het met een hoge boog als een miniatuur UFO naar de brug toe zeilde.

 

Naar Parallelle realiteiten

Home