Wie is vrij? Wie brak

PDF-versie

Wie is vrij? Wie brak
de poort? Wie smakte
de nacht als een mak lam
neer op het hakblok,
het duister ontbloot?
Wie stripte, stootte
de barsten groter
tot het zwart        rood werd?
Wiens vlucht wordt door heel
de wereld gedeeld
slo-mo afgespeelde
YouTube-beelden

en miljoenen mensen die ademloos toekijken hoe hij met zijn vaults en sprongen de stenen van de stad uitdaagt? Het straatlantaarnschijn zien krimpen en de gevels groeien, verontrust fronsen? Ergens rijdt een vrijwel lege stadsbus. Achter het raam buigt het hoofd van een jonge vrouw, vossenrood, zich over zijn beelden heen. Haar lokken en lashes worden weerkaatst in het display, haar lippen zijn zacht rood geopend terwijl ze naar hem kijkt. Naar hem, met driemaal zeven wapens in zijn driemaal zeven handen. Naar hem, een pilaar van gloeiend staal waar de muur van vijanden sissend op uiteen spat. Naar die ene man, op weg naar het slagveld: het Smidse-Zwaard, de Kaken van Vuur.

Ja, zo was het.

Shaydanda Cooley, vijftien jaar oud en sinds zijn zesde uit huis geplaatst, rende en sprong door de vroege ochtend, met steen onder zijn sneakers. Hij veranderde van richting, versnelde, mat zijn stappen af. De metalen reling was koud onder zijn handen. Zijn benen slingerden zich erover en zijn handen lieten los; zijn voeten landden en hij rende verder. De huizen van stadsdeel Jedannen, opgesteld in stramme rijen, slikten zuur slijm hun lege magen in en spitsten hun oren. Ze versteenden pas weer in wantrouwende sluimering toen hij op de lange promenade langs de Lif was aangekomen, uitgestorven en koud van schemerlicht en waterdamp. Links van hem lag de Lif uitgestrekt als een gevloerde pilaar van bleek water, de kruin onzichtbaar in de rossige verte.

Over een uur of twee zouden ze zijn ontsnapping merken. Zouden ze meteen een melding bij de politie doen? Waarschijnlijk wel, vanwege dat gedoe met Uatha. Er zou een opsporingsbericht uitgaan, met de waarschuwing dat hij gewelddadig was, dat mensen hem niet moesten benaderen. Dat wás ook zo. Ze konden hem beter niet benaderen. Hij bleef rennen, al was het gevoel van vrijheid en triomf weg. Het was oneerlijk. Zij had ook gewild maar ineens was ze moeilijk gaan doen. Een gebroken vinger, hadden ze gezegd. Hoe kon hij nou haar vinger hebben gebroken? Zijn silhouet gleed mee over de gevels

groeiend en krimpend
een schaduw, een schim
wordt reusachtig, rimpelt
strekt een hand: een simpel
commando, een bevel
van de eenzame held
en het water rijst en zwelt
tot het inktzwart overhelt

Hij sprong, verkeek zich op de hoogte van de balustrade, klapte tegen de rand en viel op de grond. Meteen krabbelde hij overeind, gebruikte zijn armen om er als nog over te komen en rende verder, langs de hotels en restaurants van glas en steen, langs de plantenbakken en stapels van met kettingen gezekerde terrasstoelen. Zijn handpalmen gloeiden en de pijn bonkte in zijn heup. Niemand had zijn foute afsprong gezien. Niemand. Niemand zag hem in die miljoenenstad, zijn schaduw kronkelend over het steen en glas, een platgeslagen, misvormde pup, een mismaakte gruwel die

steeds maar groeit en groeit en torent
tot hij kantelt, valt, naar voren stort
en krijsend ogen oren vult
verstikkend, sleurend smorend

‘in deze miljoenenstad, nog in duister gehuld,’ zei een van de hoofden die op staken geprikt in de rivier stonden.

‘Daarom heet de stad ‘Dubblai’,’ zei een ander hoofd. Het waren er vier en hun bewegende lippen kwamen net boven het wiegende water uit. “Dubh-Blai’, oftewel ‘Donker Wereldgedeelte’.

‘De zeven stadsdelen zijn Cesserijn, Partholon, Nemed, de Bolg, Jedannen en Mil.’ De ogen volgden hem. ‘Ten eerste Cesserijn, ‘Beheerste Pijn’, de wijk begrensd door een wolkenhoge waterwal, waar het zonlicht borrelt als de branding en waar het zalmen regent. Ten tweede Partholon, oftewel ‘Paradijs-Gevuld’, met haar vuren tussen kristalfacetten en schaduwbeton, het domein van de eenbenige -’

‘Houd op met dat stomme geleuter,’ hijgde Shaydanda.

‘Zeg, wie is dat gastje dat daar rent? Is het Conchobor, de legendarische koning van weleer?

‘Nee, die zou optrekken met een onafzienbaar leger.’

‘Is het Celtchar, de legendarische eerste burgemeester van Dubblai?’

‘Nee, die zou zou optrekken met onafzienbare rijkdommen.’

‘Is het Jock E, de legendarische drugsbaron uit het stadsdeel Mil?’

‘Nee, dan zou de kade glinsteren van de strijdwagens en zou de adem van vurige paarden de gevels van de hotels in mist hullen. Dit is Shaydanda Cooley, afkomstig uit de wijk Murtheim, bijgenaamd de Smidse-Hond, de Staart van Vuur.’

‘Nou ja, laten we het maar niet groter maken dan het is.’

Nee, want ik ben groter dan jullie denken! Benader Shaydanda Cooley niet, zeker niet als hij onderweg is naar waar hij thuishoort: aan de rechterhand van Fergus MacRoich. Houd hem niet tegen als hij over flats stapt, over het staalkleurige rivierwater, en de miljoenenstad als schelpen onder zijn voeten verbrijzelt.

“Onder zijn poten’, bedoelt hij zeker.’

‘Hondenpoten? Die verbrijzelen niet zoveel.’

‘Maar hij is groter dan we denken, zegt hij. De Smidse-Pup, de Schaduw-Op-De-Muur -’

Ritme ramt,
techno stampt
verdooft, verlamt,
verstijft, verstramt.
Maar mijn vlam die woedt
MacRoich, luister goed!
Wat je hoort is de vloed
van mijn kokend bloed
van Shaydanda die ene
uniek getrainde
slinger-stenigende
steunpilaar-stranger
munt in manchet
Kong Vault, Cat Leap:
skills uit het getto
skills voor battle –

‘En de Dash Vault, maar dan mét correcte afsprong,’ zei een van de hoofden behulpzaam in een stilte tussen twee nummers.

‘Hij nam de afstand tot de muur te klein.’

‘En zijn navel wees niet naar de rosse ochtendlucht. Beginnersfouten.’

‘Houd je kop!’ schreeuwde hij over de witte kade.

‘Heet deze kade van nu af aan de Navel-Blunder?’

‘Ik zou eerder zeggen het Lompe Lijf, omdat de Steunpilaar-Stranger met zijn ledematen muren en vingers molesteert.

‘Zijn tegenstanders dragen levensgevaarlijke witte jassen en doodtoebrengende keycards.’

‘Fuck óp!’

‘Ach, laten we het gewoon allemaal niet groter maken dan het is.’

Ik heb niemand nodig
niemand om me groter
te maken. Deze roodgouden
stadsnacht stoot ik
mijn schreeuw uit: ik word geboren,
Shaydanda verloren
begraven in de torenhoge
kerkerdiepe voren

van mijn strijdwagenwielen. Deze ochtend, met zonnemagma dat achter de gevels vulkaanoranje as de lucht in spuwt, herrijst Shaydanda Cooley als Dan Cooley, in een nieuw lichaam en een nieuwe geest. Weg is dat zesjarige jochie dat ooit ronddwaalde in een leeg huis met een zoemende koelkast en slaapzand in zijn ogen. (‘Papa? Papa! Papaaa?!!’) Dat de vreemde handen schudde van vreemde mevrouwen en meneren met hun uit de lucht neerdalende stemmen. Dat zich voorzichtig bewoog in stille kamers met speelgoed, zijn oren angstig wagenwijd open om te horen wat holle stemmen in een zaal verderop zeiden. Dat jochie, dat in de jaren erna in pleeggezinnen en instellingen langzaam verstijfde als een grafsteen – dat jochie is verdwenen. Dan Cooley is geboren en zal laaien, al is het maar één dag.

Toen hij weer tussen de huizen en winkels liep was het kwart voor zes en licht. Forensen begonnen de metrostations binnen te stromen en door smalle straatjes te trappen, nog wazig van nachtelijk dromen. Vrachtwagens rolden de trottoirs op en ratelden hun etenswaren naar de ingangen van restaurants en cafés. Dubblai ontwaakte, die miljoenenstad met zijn steenhoeken en asfaltlijnen. De stad waar Kit Mahy, met de hersens van zijn voorganger in kalk gegoten op zijn bureau, al eeuwen als Hoge Koning regeerde. Waar de clans en drugskartels tegen elkaar aanleunden als de kartonnen muren van kaartenhuizen, en hun eigen schaduwmetropool definieerden. Waar Khalil Mahmoudi, de leider van de helden van ULAD, de strijd met hen en met Kit Mahy aanging. Waar Fergus MacRoich, de verdreven leider van de helden van ULAD, het leven van een outlaw leidde in de schaduw van de bomen van Cernach Park.

Schuine slagregens van licht daalden neer op Dan toen hij de bospaden en zijn instinct volgde. Zijn headphones en mobieltje had hij opgeborgen en het was ineens slaap-stil. Kleine bospoelen rookten mistig. Met hete voeten en een harde schurende onderbroek liep hij tussen de bomen. Het geurde naar bloemen, bloed en verrotting, naar onzichtbare natte vachten en bosgrond in duizend maal duizend soorten. Naar vreemd-nieuwe slingerplanten, stilletjes gearriveerd in het holst van de nacht en wantrouwend begluurd. Naar pokdalige standbeelden, dertig vadem hoog of meer, vol wilde nesten en jammerjeukend van droog mos en doorntakken.

Pas toen hij voor zich uit een grote open plek zag met tenten en gestalten in kaki werd hij aangesproken door verharde mannen met grauwe basten, dik amberkleurig sap in hun aderen en takken die naar elkaar toegroeiden om jong groen klein te houden.

‘Wat doe je hier?’

‘Ik kom voor Fergus MacRoich.’

‘Maak dat je weg komt.’

‘Maar ik zoek werk.’

‘Hier is geen werk.’

‘Maar ik kan goed werken -’

‘Maak dat je wegkomt, als je nog weg wilt kunnen komen.’

Een andere stem, stemmen: ‘Waar kom je vandaan, hoe heet je, wie kent je?’

‘Uit Murtheim.’

‘Murtheim.’ Niemand kent me. Niemand kent Shaydan- niemand kent Dan Cooley.

De stad in de verte en de zwarte mist die in zijn stem bulderde verdwenen naar de achtergrond toen hij Fergus MacRoich gewaar werd, de outlaw-koning, met rugzeil en vleugels waarop de morgenzon naamloze kleuren liet glimmen.

Het was alsof de blik hem had gehoord. De hand wenkte. Op staken van vuur en met een leeg hoofd liep Dan naar de troon.

Fergus’ laarzen en broek waren bespat met versteend roest, zijn mantel was duizenden jaren oud en welfde als een hooggebergte. Zijn top was tranenstromend onzichtbaar, maar op elk van zijn honderdduizend haren zat een pikzwarte vogel.

Zijn stem rimpelde omlaag. ‘Een vogeltje vertelt me net dat degene die vandaag voor het eerst wapens opneemt, naam zal maken in deze stad.’

‘Ik heb het verduivelde ding meteen de ogen uitgepikt,’ zei een van de kraaien.

‘Ondermijnende elementen, vogeltjes.’

‘Kleine krengen.’

Dan slikte. ‘Je weet niet wie je voor je hebt, MacRoich,’ zei hij, schor.

Het was even stil. Toen barstte er een krijsgelach uit. Fergus’ bloedhond ging staan, met oude druppelogen en leren hangmondhoeken.

‘De man die met jouw wapens mag vechten is roem beschoren, MacRoich,’ zei Dan. Het torenende, smorende was weer aan het aanzwellen.

‘De man, ja, maar dit is geen man.’

‘Een scharminkel. Drie bekkenvol vlees, niet meer. Je ziet het niet eens liggen tussen het opgetaste vlees.’

‘Wel een lekker tussendoortje, anders. Geen harnas of blazoenschild. Een zachte pikbuik, ogen als weke oesters, nat-rode ingewanden.’

‘Als ik roem vergaar dan is één dag leven voor mij genoeg,’ zei Dan. ‘En dat kan roem voor jóu zijn, MacRoich.’

“U’, jongeman! Respect! Vergeet niet dat je niet van hier bent.’ De kraai poetste met felle bewegingen de namiddaggouden veren op zijn borst en schouders.

‘Murtheim, zo te ruiken.’

‘Murtheim? Tuig, daar. Tuig van de richel. Wat doet hij hier?’

‘Eén dag?’ rommelde Fergus’ stem. ‘Dan heb ik ook niet zoveel aan je, hè, als het maar één dag is.’

Dan verzette een voet en verstijfde toen hij de beenderen op de kale grond liet kraken als pistoolschoten. De veren van de kraaien ritselden, snavels klakten, achtergronden bulderden. Het lukte niet om zijn blik hoger te heffen dan de oren van de bloedhond aan Fergus’ voeten. ‘Laat het me bewijzen,’ zei hij. Fergus’ linkerwenkbrauw rees totdat de hemelkoepel harig en donker was geworden. ‘Alstublieft.’

‘Zal ik hem toevoegen aan het 673e bataljon kanonnenvoer?’

‘Voldoen de eenheden elk al aan hun quotum voor latrinegravers?’

‘Dat hangt af van het gehanteerde verdeelmodel.’

Fergus bleef hem nadenkend aankijken, met zeven juwelen in zijn irissen. Zijn rugzeil welfde zich over de metropool en beroerde met de punten de wateren van de Lif. Toen kwam hij overeind uit de troon. Zijn mantel van hermelijn plooide in wonderlijke kleuren. Een seconde later lag er een revolver in zijn hand waarvan de loop naar Dan wees.

Dan kon alleen maar staan staren. Eén dag, dacht hij wazig.

Toen maakte de hand een soepele beweging. De kolf stak naar Dan toe.

‘Laat maar zien of er een schutter in je zit.’

Er werd een grote rieten mand aangesleept waaruit een hels gekrijs en geflapper klonk. De bloedhond blafte en de stad en alles in Dans hoofd kreukelde samen en verdween. Bosgrond. Geroezemoes van stemmen, zangvogels. Bosgeuren. Hij draaide zijn hoofd weg van de regenboogplooien en slikte, met de revolver in zijn hand. Straks ploeg je de bodem van Cernach om, dacht hij. Straks kerf je rivieren tot bestaan, laat je wilde zwijnen en bokken bonzend hun buik op de grond drukken tussen de struiken, hun oren wijd open. Dit is je geboortedag, Dan Cooley, de eerste dag van je leven. En hij zei het zelf, Fergus. Van dat vogeltje. Het is voorspeld. Opluchting welde op, tot triomf in zijn hoofd uit elkaar spatte in een pluim van sterren.

De mand werd opengestoten en een zwerm witte vogels borrelde naar buiten. Dan richtte, even cool als de trekker in de holte van zijn wijsvinger.

Een.

Twee.

Drie.

Vier. Vijf.

Zes. De revolver was verrassend licht.

Zes, enkel in de vleugel maar hij viel.

Zeven. Verrassend licht maar daardoor ook snel uit balans. Fergus MacRoich was een topschutter. Fergus MacRoich keek toe.

Mis. Concentreer je.

Acht.

Negen.

Tien.

Elf.

Klik.

De waas die al die tijd onmerkbaar langs de randen had gezogen spoelde het universum binnen. De toren die Dan Cooley heette kon zich alleen maar met zijn sneakerzolen aan de grond vastklampen en kijken naar de elf zwanen in het gras en de twaalfde in de lucht. Toen een sterke, gemanicuurde hand verscheen, legde Dans hand de revolver erin.

‘Jammer, pup,’ zei de bloedhond, met sympathie. ‘Volgende keer beter.’

‘Er is geen volgende keer,’ fluisterde hij.

‘Je moet wat meer zelfvertrouwen hebben, joh. Ieder mens heeft talenten en dromen, en die van jou komen vast nog een keer uit.’

Rot op, hou je kop, ik heb geen dromen! De eerstvolgende keer dat ik ademhaal spat het universum uit elkaar. Dan houdt echt alles op.

De warme vacht drukte tegen hem aan. ‘Buitengewoon sneu. Hartstikke jammer. Vet klote. Of hoe zeggen jullie jongeren dat tegenwoordig?’

De laatste witte vogel klapperde gedesoriënteerd aan de rand van het veld rond. Dan voelde de sneeuw van het veld door zijn zolen heen, zijn hoofd koortskoud gloeiend. Eén vogel. Uatha, met een gebroken slagpen. Één tegen velen. Niemand. Het was niet eerlijk. Het was voorbij.

‘- tenzij…’ sneed Fergus achter hem door de wereld en de witte watten heen.

Het vogeltje, de voorspelling. Dan draaide zich om. Fergus’ gezicht was vol en gebruind. In de ogen glommen wereldzeeën en de linkerhand lag op de leuning als een vloot.

Fergus glimlachte. ‘Een eenzame held hoort altijd een kans te krijgen,’ zei hij. Ik kan je een opdracht geven, je op een queeste sturen. Mijn leenman, Jock E, heeft iets van de helden van ULAD gestolen. Vind de verrader en breng mij het gestolene terug.’

‘Waarom krijg zo’n scharminkel de kans zich te bewijzen?’

‘Straks zit hij tussen ons groten der aarde.’

‘Ach, laten we het niet groter maken dan het is.’

Dan keek onzeker naar Fergus, met hoop bonkend achter zijn ribben.

Fergus keek ernstig terug. ‘Heel Dubblai is je jachtterrein, Shaydanda Cooley, en jij bent de hond. Gebruik je natte neus en je snelle poten. Laat ons maar zien dat je kunt apporteren.’

De kraaien krijsten en Fergus begon ook te lachen.

Dan draaide zich weg, zijn keel en het universum dichtgeknepen.

‘Kop op, joh,’ zei de bloedhond monter. ‘Over een paar uur ben je weer veilig thuis. Lekker je maag vullen, een gesprekje met de directeur – laat dat maar langs je heen stromen – en dan eindelijk eens aan je toekomst gaan werken. School, agressiebeheersing, psychotherapie. Een jongen als jij heeft structuur nodig, gewoon iemand die zegt wat je moet doen en -’

Ineens scheerde er iets wits over het veld, over de elf dode zwanen, als een eenmansformatie die gevallen kameraden de laatste eer bewees. Het universum scheurde open. Er golfde een driemaal zevenvoudige razernij door Dan heen, groter dan alles wat Dubblai kon bevatten. Toen was er de ijskoude bosgrond door zijn sneakerzolen.

Niemand, MacRoich. Niemand doet dit met mij.

Dan bukte zich, voelde onder de rand van zijn broekspijp naar een klein leren lapje en trok eraan. Twee lange, fouileer- en detectiepoortjeveilige slingerkoorden kwamen los langs het jeans. Hij haakte de lussen om zijn vingers, pakte een steen van de grond en legde die in het lapje. Toen slingerde hij. Duizenden keren had hij het gedaan: het versnellen van de draaibewegingen, het loslaten van het ene koord, de werpbeweging met zijn hele lichaam en het laten ontsnappen van zijn adem op precies het juiste moment.

Hij wierp. Als een kogel schoot de steen uit de slinger weg.

Inademen. Uitademen. Je omdraaien. Horen hoe het vogellijf achter je op de grond ploft.

‘De man die jouw strijdwagen mag besturen is roem beschoren, MacRoich,’ zei hij.

Even was het stil. Toen lachten de mannen voor de zoveelste keer en keken naar Fergus. Dans ogen lieten die van Fergus geen moment los. Hij zag er behoedzaamheid maar ook interesse. Jij weet wat je doet, MacRoich, dacht hij. Je wist het toen je me op nog geen twee meter afstand van jezelf een doorgeladen revolver aanreikte. Je wist en je weet wat ik je zal brengen – en wat ik je misschien ooit zal kosten.

‘Daar ben je nog een beetje te jong voor,’ zei Fergus, luchtig, alsof hij Dans gedachten hoorde. ‘Maar er is hier wel werk voor je.’

Jock E moet oppassen met zijn vurige paarden, dacht Dan, toen hij zich omdraaide en het veld opging. Ik vind hem wel voor je, MacRoich. Je zult zien wat je aan Dan Cooley hebt.

Er stonden auto’s en tenten, en er liepen mannen en jongens rond. Jongens van zijn leeftijd waren aan het oefenen met allerlei combattechnieken. Ze waren beter dan hem, of slechter. Het was niet anders dan op de straathoeken en in de kelders van Murtheim.

MacRoich, mijn vuur zal laaien.
Op het zwarte veld met kraaien
zal mijn sikkelwagen draaien
door jouw tegenstanders maaien.
Eén uit duizenden, jouw partner,
lichtend, laaiend in de zwartheid
tot ik doof, mijn licht verstart
lijf gebroken, ijzig hart

Nu ben ik vrij.

 

Naar Cernach Park

Home