Vonkenoffensief

PDF-versie

‘U bent volkomen gewetenloos. Uw doel is beschadigen en vernietigen, niets meer.’

‘Befchaedigen ende vernytigchen. Foei toch.’

Het zand was aardedonker. Maar steeds liet ik een vonkje oplichten, maakte een druppel van nieuw glas, gleed erin en liet het al weer doffer wordende oude glas achter me. Een groeiende draad in wat zich uitstrekte tot alle uiteinden van het universum. Achter me hoorde ik ze hijgen en bulderen als grondverzettende tanks. Maar dichterbij komen konden ze niet. Ik was te snel.

‘U traineert de commerciële en artistieke inspanningen van miljoenen.’

‘Laten we het eens een zegen voor de mensheid noemen.’

Het schokken en brullen werd sterker. Ik nam een zijweg en vervolgde mijn ragfijne weg. Ik stoomde mijn eigen kristalheldere rivier op.

‘U kon lang onopgemerkt uw gang gaan, dat geeft u het gevoel dat u arrogant kunt zijn.’

‘Een beetje slimmer worden, misschien?’

Er was een explosie van gerommel schuin boven me, als een squadron straaljagers dat ineens boven de horizon verschijnt en iedereen ineen doet krimpen. Niet mij. Razendsnel stuurde ik bij. Het zand was hier vulkanischer zodat mijn vonkje rookte en me liet hoesten. De miljarden tonnen van het universum drukten op me. Het was weliswaar zand, in ontelbare individuele korrels, maar met hun ontelbaren vormden ze de contouren en schaduwen van landschappen, van rijzende en instortende rijken, van wezens waarvoor de taal van zandkorrels geen naam heeft.

‘U meent dat u de vrijheid die wij allen zo hoog in het vaandel hebben met voeten kunt treden.’

‘Moet je horen wie het zegt.’

Gespitst joeg ik verder. De twee groepen achtervolgers leken zich te hebben samengevoegd tot iets groots. Te groot voor mij. Ik was een sprankeling, verdwenen voordat iemand me had kunnen waarnemen, ik was een moment in de tijd, zoals het heden dat verdwijnt zodra het er is. Mijn vonkje suisde verder, langs richels van oude materie, al vele digitale era’s onaangeroerd en achtergebleven als de ribbekasten van mastodonten. Flakker, vlammetje, schijn met kristalheldere klaarheid!

‘Uw activiteiten schenden een fundamenteel mensenrecht.’

‘Geef het nou maar gewoon op, jongens.’

Ik boog af naar droger, helderder materiaal. Mijn vonkje laaide kaliumpaars met scheuten van azuurblauw koper, maar er was een aardbeving met de kracht van 12 op de schaal van Richter. Een bevingsgolf rolde over me heen en doofde mijn vonkje. Alles schokte en herschikte. De volgende golf kwam, en de volgende, en elke volgende plette mijn vlammetje, totdat zelfs mijn draad achter me brak.

‘U verspilt tijd van mensen die wel wat beters te doen hebben.’

‘Nou moet je me niet pissig maken.’

Ik schiep mezelf verticaal omlaag en liet me meevoeren op de drukgolven als een blad op de wind. Toen de storm luwde maakte ik aanstalten om een zijweg te maken. Voor het eerst vloekte ik zachtjes. Pech dat dit uitgerekend moest gebeuren tussen de verkitte lagen van oude domeinnamen, tussen achtergelaten en slordig in elkaar geperste reuzen. Of was het geen pech? Ik keerde me om en schoot terug door mijn draad, tegen de golven van druk in. Het gebulder werd zo oorverdovend dat ik het niet meer hoorde. Tussen mijn toegeknepen visie door zag ik een fijnkorrelige ader met een hoog calciumgehalte. Hij gloeide hel roze-vermiljoen op bij mijn nadering en ik stortte me erin, met gedachten aan pink lemonade en ijsblokjes op een zomerdag. Maar mijn vonkje verkleefde, spatte uiteen in hete druppels. Ik kwam tot stilstand. Ik bonsde van top tot teen.

‘Het wordt tijd dat u zich eens wat volwassener gaat opstellen.’

‘Oké. Als jullie oorlog willen.’

Ik keerde me om en gleed mijn verticale draad langs, als een brandweerman die afdaalt van de berg Olympus. Ik suisde langs oude domeinnamen, zwaar als dolomiet, ik liet mijn vonkje racen. Pas bij een laag van grove verbindingen stopte ik. Ze gleden losjes langs elkaar heen alsof er ergens heftig gediscussieerd werd. Moge het een crisissituatie betreffen, dacht ik venijnig, en begon mijn glazen bruggen te bouwen. Ze welfden zich als Golden Gates over peilloze afgronden, en ik stond als een schipper op het hoogste punt en schiep hen tot bestaan terwijl de stormen tegen me aan beukten. Mijn wezen zong. De chat wankelde. Maar een keten van script verscheen uit het niets en zwiepte de boegspriet waarop ik stond in tweeën als droog hout. Er was luchtledigheid, toen een lange, lange boog terug naar de berghelling. Elk niet-bestaand bot in mijn niet-bestaand lijf verbrijzelde. Maar ik krabbelde op, concentreerde me. Hier bestond geen stilstaan, geen pauze in het sprankelen. Ik vonkte – en struikelde, verstrikt in oneindig vertakte spinraggen van bits die zich kokend aan me vastsmolten. Ik schreeuwde.

‘Tegenvaller, jochie?’

‘Fuck you!’

Het cocon perste aan alle kanten. Even kon ik nog zweten, maar dat moment van warm vocht bevestigde enkel dat ik aan alle kanten omsloten was door de giganten, door de zwarte megastructuren die heel even, in een dinsdagmorgenmoment van achteloos pragmatisme, samenkwamen voor een gemeenschappelijk belang. De waanzin van doodsangst spoelde door me heen. Als ik al onwillekeurig een laatste vonkje liet ontsnappen dan was er geen glashelderheid.

Virus 4.28x.8701 onschadelijk gemaakt.

.

 

 

Naar Cernach Park

Home