Tien typende apen

Home

PDF-versie

Dubblai: een metropool waar alles mogelijk is. Jij en ik discussiëren al lang over de vraag of je meer kunt leren van helden of van gewone mensen als je de wereld wilt begrijpen, en waar kun je dat beter vaststellen dan in een stad die van alle werelden en tijden is? Dubblai is een metropool in de genre-literatuur. Denk aan sciencefiction, fantasy, magisch realisme, sprookjes – dat soort dingen. Helden bij de vleet natuurlijk, en zoals in elke metropool zijn er ook genoeg gewone mensen te vinden. Dus we hebben het vliegtuig, de muilezel of het wormgat naar Dubblai genomen en zijn nu in een huurauto gestapt om te kijken of we hier het antwoord op onze vraag kunnen vinden. Onze reisgidsen rennen voor ons uit. Het zijn de spreekwoordelijke tien typende apen die, als ze maar lang genoeg in het wilde weg toetsen aanslaan, elk denkbaar verhaal zullen produceren. Zo weten we zeker dat we niets missen.

Goed. We zijn nog maar net op de tienbaans-ringweg langs de wijk Murtheim als we onze eerste mens zien. Op de ventweg naast ons raast een strijdwagen met daarin een jonge man met donker haar en gitzwarte wenkbrauwen. Hij draagt een purperen tuniek en zijn sneeuwwitte mantel golft achter hem aan.

‘Hé,’ zeg je, ‘is dat niet Cúchulainn?’

‘Het lijkt er wel op!’ zeg ik.

Ik leun over jou heen om ook door het passagiersraampje naar die voortdenderende figuur te kunnen kijken, want van alle helden is Cúchulainn de sterkste, de snelste en de slimste en heeft hij de mooiste vrouw.

‘Weet je dat hij in de slag van Seisrech Bresligi honderddertig koningen versloeg, en daarnaast nog ontelbare horden honden en paarden, vrouwen en jongens en kinderen en tuig van alle soorten?’ zeg je.

‘“Als ik roem verwerf dan ben ik tevreden, al is mij slechts één dag op aarde gegeven,”’ citeer ik. Al vind ik helden hopeloos toeristisch, ik moet bekennen dat ik toch wel onder de indruk ben.

We blijven kijken naar deze held in zijn purperen tuniek. Op de rand van zijn schild jagen dieren van edelstenen en filigraan elkaar na. Zijn zwaard flitst goud en zijn speer is rood als bloed. We weten dat de ríastrad bezit van hem neemt als hij in gevecht gaat: de strijdfurie. Dan gaat zijn hele lijf schudden, wordt zijn grijns zo groot dat zijn ingewanden in zijn mond flapperen en worden zijn haren uitstekende spelden waarop je appels kunt vastprikken.

‘Maar wacht effe,’ zeg je dan. ‘Dus we zijn nu in een of ander Keltisch epos?’

‘Waarom niet? Dubblai is een stad in de genre-literatuur. Die tien apen doorkruisen alle werelden en tijden. Volgens de wetten van de kansberekening kunnen alle denkbare verhalen uit hun typemachines rollen. Ook oude Ierse verhalen.’

‘Zo wordt het wel heel willekeurig.’

‘Dat wilden we toch?’ zeg ik. ‘Een open, objectieve rondleiding door deze stad?’

‘Misschien hebben we toch meer aan een Garmin of een Capitoolgids. Of voor mijn part een inboorlingjongetje in een lendendoek, of een mission editor. We willen toch iets over de wereld leren? Die apen typen vast ook een heleboel rotverhalen. Wij zoeken goeie verhalen, of ze nou over helden of over gewone mensen gaan.’

‘Maar wat zijn dan goeie verhalen?’

Inmiddels zijn we zuidelijk van de rivier de Lif en we breken onze discussie af. Hier is elke vierkante centimeter grond gemaakt voor queesten. We zouden vooral naar mensen kijken? Kom op, dit is een metropool in de genre-literatuur, dan mogen er toch ook wel wat spectaculaire bezienswaardigheden zijn. Laten we voor het subgenre ‘urban fantasy’ gaan. Denk aan torens oprijzend in de ochtendmist. Denk aan met sneeuw bedekte wegen langs peilloze afgronden waar je de wielsporen van elkaar achtervolgende strijdwagens over de rand ziet verdwijnen. Denk aan onder architectuur gebouwde multi-purposepaleizen en grauwe flats waar de strijd tussen goed en kwaad op verticale gevels wordt bevochten. Aan grachten waar naamloze, slijmerige wezens en bleke fossielen door spiegelgladde wateroppervlakken breken om je de diepte in te sleuren. We rijden zwijgend en wat afgunstig voort want dit soort fantastische dingen hebben we thuis niet.

Dan stoot jij me aan. Bij een volgende straathoek staat iemand nadrukkelijk onze kant uit te kijken. Ik minder vaart en we turen. Het is een man en hij is van top tot teen gekleed in wol en linnen.

‘Weer een held,’ zeg ik als ik de fraai bewerkte stenen knuppel aan zijn gordel zie. ‘Krijgen we nou nog eens gewone mensen te zien?’

‘Dit is gewoon een vent uit de prehistorie. Kijk maar naar die paardentanden daar om zijn nek, en al die dingetjes daar op zijn tuniek, die gepolijste rechthoekjes.’

‘Dat zijn statussymbolen. Dit is een oude held van het type ‘niet lullen maar poetsen’.’

‘Als hij een held was dan stond hij niet zo te fronsen en te zweten.’

Misschien zit hij in een ríastrad,’ zeg ik. ‘Al maakt hij daar wel erg weinig leven voor.’

We bekijken hem nu met een wat modernere blik want Dubblai is van alle tijden.

‘Iemand met een lage sociaaleconomische status,’ concludeer jij. ‘Komt vast uit Murtheim. Achterstandswijk.’

‘Een held uit de Dowris-periode?’ schat ik. ‘Een paar duizend jaar geleden, weet je wel, van dat mooie aardewerk.’

‘Schei nou eens uit met dat ‘held’! Wie prikt er nou botjes en everzwijnslagtanden op zijn kle-’

‘Hij wil een lift, kijk, hij steekt zijn duim op!’ Ik trap op de rem.

‘Wat doe je nou! Ben je gek? Murtheim – weet je dat je daar tegenwoordig niet meer veilig over straat kunt?’

‘De Dowris-cultuur was ooit hier, op dezelfde grond waar wij nu rijden, dus hij is een soort voorvader van ons.’

‘Dat wil nog niet zeggen dat hij geen gewelddadige gek kan -’

‘We zijn toch op reis om iets over de wereld te leren? En hij staat daar peentjes te zweten. Moet je je voorstellen, al die auto’s en stoplichten, dat is best intimiderend als je in het bronzen tijdperk thuishoort.’

‘Maar wat wil hij dan, waar wil hij naar toe?’

‘Een queeste, neem ik aan. In dit deel van Dubblai ga je op een queeste.’

‘Ja hoor, die vent zoekt de Heilige Graal. Wat stom dat ik dat niet meteen zag aan die everzwijnslagtanden.’

‘Hij zoekt zijn ene dag op aarde,’ beslis ik.

‘Maar -’

‘Schei nou eens uit met dat gezeur. Je wilt een held toch niet beletten om zijn ene dag op aarde te vinden?’

Ik negeer je protesten en breng de auto tot stilstand. Na enkele communicatiestoringen begrijpt de lifter hoe je het achterportier opent en stapt in. Als er een geur over ons heen rolt van iemand die zijn hele leven heeft afgezien draai ik stiekem een raampje open. Hij blijkt Clust te heten. Waar in Dubblai hij moet zijn begrijpen we niet helemaal, maar het lijkt hem niet uit te maken. Misschien zijn we zonder het te weten onderdeel van zijn queeste. We gluren naar die vervaarlijke stenen knuppel en wisselen een blik. Dan trek ik snel op zodat we weer achter onze rennende apen rijden.

Genre-literatuur of niet, de bachlachs, de met superkrachten begiftigde nerds, de space-avonturiers, halfgoden en reisgenootschappen laten zich niet zien. Al ben ik meer geïnteresseerd in gewone mensen, ik vind het ook wat teleurstellend. Even later laten we het gedeelte van Dubblai achter ons waar eenzame helden de wereld redden. Het wordt geciviliseerder. Op brede lanen zien we driemasters traag door rimpelend asfalt glijden. We hebben een doorkijkje naar een oud plein waar marktkooplieden verwikkeld zijn in een heftig debat met enkele knotwilgen terwijl aan de rand, dwars over het fietspad, een stille schaar van populieren staat toe te kijken. We zien een antieke stadsmuur waar de sporen van een grandioos beleg nog zichtbaar zijn, al zijn er waslijnen met wapperende handdoeken boven de loopgraven gespannen en hebben graffiti-artiesten de steigers gebruikt om hun tags tot aan de onderrand van de kantelen te spuiten.

‘Er zal toch ook wel zoiets bestaan als een kritieke massa aan helden die een metropool kan hebben?’ vraag ik me hardop af als de apen ons door alledaagsere straten leiden. ‘Per miljoen inwoners, bedoel ik.’

Jij lacht. ‘Van helden kun nooit genoeg hebben. Wie anders inspireren ons?’

‘Nooit genoeg? Stel je voor dat zo’n stad ermee overspoeld wordt. Venetiaanse toestanden. De halve nacht geroffel van paardenhoeven door je woonerf, geen winkel meer te vinden die wc-papier en chocopasta verkoopt, en huizenprijzen die voor jou en mij niet op te brengen zijn omdat er alleen nog maar Vinex-burchten worden gebouwd.’

We passeren intussen wasserettes, telefoonwinkels en aftandse etalages waar de kerstversierselen van december nog hangen. Onze apen rennen intussen niet meer op handen en voeten over de klinkers. We zien ze met hun Olivetti’s in een lijnbus stappen, met hun OV-chipkaart inchecken en gaan zitten. Eentje krabt in zijn kruis, een ander knijpt een vlo dood tussen zijn nagels en gaapt met opengesperde kaken. De bus is rood en nevelig, net als het paard ervoor, in wiens neusgaten vlammetjes flakkeren. De chauffeur zit gebogen op de bok en – dat soort dingen. Het is onmiskenbaar genre-literatuur maar het bedrukt jou merkbaar.

‘Het is allemaal zo alledaags,’ zeg je.

‘Tsja.’ Ik probeer niet spottend te klinken. ‘Helden maken maar een klein deel uit van de mensheid.’

‘Kunnen we geen andere apen nemen? Of zijn er maar tien?’

‘In een miljoenenstad als Dubblai zullen er wel miljoenen van zijn, in het wilde weg typend en samen alle denkbare verhalen makend. Vanuit hun Olivetti’s, Remmingtons en Adlers stroomt Dubblai tevoorschijn, straat voor straat, park voor park, mens voor mens. Het brommen en kletteren van een metropool. Dat is toch waar we voor komen?’

‘Maar in de bús!’

‘Mensen zitten ook wel eens in de bus. Niet iedereen galoppeert heroïsch op een eenhoorn door de wildernis.’

Je gromt wat en kijkt cynisch uit het raampje. Ik grijns en schakel naar een lagere versnelling want het paard gaat nogal langzaam. Maar de apen doorkruisen alle werelden en tijden, dus al komen we ruimtelijk nu nauwelijks vooruit, de tijden razen langs ons heen. Kastelen verrijzen op heuvels en maken plaats voor de glimmende koepels van een maankolonie. Het paard hobbelt onverstoorbaar door een game-setting en verlaat zelfs met hoeven en busbanden even het pad om een gaping tussen twee daken te slechten. Achter de busramen zie ik de apen achteloos een lus vastgrijpen en weer loslaten. Ik volg met het klamme zweet in de handen en gelukkig landen we veilig. Jij hebt intussen meer aandacht voor helverlichte plekken in de diepte die wijzen op de locatie van resources en healthpacks. In khaki geklede en met machinegeweren gewapende figuren sluipen rond tussen ruïnes van huizen in de doodse stilte die logisch is als je zelf niet online bent voor het gevecht.

‘Dit lijkt er meer op,’ zeg je tevreden. ‘Action adventure. Of op een abstracter niveau misschien dystopie. Blijkbaar hebben die apen ons gehoord.’

‘Wacht maar, straks zitten we gewoon weer in de wasserettepunk.’

Je negeert mijn ironie. ‘Weet je wel, dystopie? De hele wereld een rokende puinhoop en groeperingen met allerlei namen en culturen die van elkaar proberen te winnen.’

We rijden nu over een smalle weg met aan weerszijden greppels en ouderwetse kanonnen. Het krioelt er van de soldaten. In kleurige uniformen geklede bevelhebbers zijn de soldaten zo efficiënt bezig aan het houden dat er honderd meter verderop al stalen hekken staan. Het voelt ineens nogal militair en deprimerend aan.

Jou stoort het niet. ‘Aan de kostuums te zien zijn we in de alternatieve geschiedenis,’ zeg je. ‘Het ziet er realistisch uit, maar voor die verhalen wordt vaak dan ook heel veel research gedaan.’

De bus met de typende apen voor ons trekt geen aandacht maar ons Dafje wel. Een van de officieren stapt voor ons de weg op en steekt zijn hand op. Hij draagt een vaalgroen uniform met op de schouders gouden strepen en een grote pet met klep. Tegen de tijd dat we bij hem zijn heeft zijn vaalgroen plaatsgemaakt voor sinopel, azuur en klimmende adelaars. Of nee, toch khaki en kistjes, want met een schild en zwaard had hij natuurlijk geen hand meer over gehad om op te steken.

Nu word ik echt ongerust. De bus met de apen is uit het gezicht aan het verdwijnen dus we staan er alleen voor. We fotograferen geen bruggen en andere strategische doelen, maar als toerist weet je niet altijd wat wel en niet mag. Voor je het weet zit je twintig jaar in een enge buitenlandse gevangenis. En die apen typen álle denkbare verhalen. Alternatieve geschiedenis? Als – ik noem maar wat – de Eerste Wereldoorlog hier nooit heeft plaatsgevonden omdat aartshertog Huppelepup niet werd doodgeschoten dan kan alles wat zwart was ineens wit zijn en vice versa. Genre-literatuur mag dan vol goeie verhalen zitten, goeie verhalen hebben altijd onrecht en ontberingen en de spanning over of het goed afloopt. Die spanning is leuk als je op je krent op de bank zit te lezen, maar als je er zelf middenin zit is het minder fijn.

Ik draai het raampje open. Rijen en rijen rechthoekige symbolen op kreukelig groen linnen glijden omlaag tot er aan de bovenkant een gezaghebbend gezicht met een grote snor verschijnt dat naar binnen kijkt. Even heb ik het idiote idee om te informeren of het plaatselijk café naast de gebruikelijke speciaalbiertjes ook de Triple Entente en de Triple Alliantie op tap heeft. Ik slik een giechel in, zie de bus om een hoek verdwijnen en voel dat het zweet me aan alle kanten uitbreekt.

En dan gebeurt het.

Op de achterbank kletteren kwarts en porfier tegen elkaar, kraken leren koorden en walmt de geur van houtrook en zweet. Als Clust in actie komt besef ik in een flits dat ik bij die straathoek gelijk had. Hij ís een held, en hoe de realiteit er hier ook uitziet, we zijn in goede handen en kunnen meeliften op zijn queeste tegen gevaar en onrecht.

We drukken ons aan de kant als hij over de passagiersstoel naar voren duikt, zich in een tel door het raampje naar buiten wringt en met één welgemikte klap van die stenen knuppel de overwinn-

Voor alle zekerheid check ik het toch even. Helden horen te winnen, maar in Dubblai is alles mogelijk. Als ik me voorzichtig opricht en naar buiten kijk, zie ik dat de kampementen en loopgraven verdwenen zijn. Er is nu een soort bos met boomstammen die doodstil in een lichte nevel staan te staan. Het lijken net enorme ruggengraten. De besjes en dauwdruppels die we tussen de wervels zien glinsteren zijn multi-zintuigelijke ontvangers en zenders. Het is een bleekbruin, roerloos gezelschap van futuristische organismen. Heel even zie ik Clust nog. Hij sist, verdampt volledig door de immense hitte van een firewall en is dan verdwenen.

Verstomd kijken we omhoog naar de ruggengraat die ons eerder opmerkte en communicatief tot ons doordrong met zijn opdracht tot stilstaan. Hij staart ondoorgrondelijk naar ons door zijn sensoren die indrukwekkend glinsteren.

Shit.

‘Ik word hier helemaal gek van!’ fluister jij.

‘Ssst!’ sis ik.

Je fluistert zachter maar nog steeds verontwaardigd. ‘Met die stomme apen kun je er geen touw aan vastknopen. En dan gaat een of andere liftende barbaar ook nog uitgerekend in ónze auto primitief zitten doen!’

Ik besef dat ik behoorlijk ontdaan ben over het plotselinge verlies van onze passagier die tijdens zijn queeste zijn leven in de waagschaal stelde en vervolgens enkel vanwege een wisseling van subgenre op een digitaal barbecuerekje werd geroosterd.

‘Mag het wat respectvoller?’ adem ik. ‘Clust koos onze auto uit om zijn ene dag in te hebben.’

‘Blijf je nou beweren dat Clust een held was?’

‘Ja, natuurlijk was hij een held. Hij offerde zich op.’

‘Waarom bestormde hij dan niet een stadsmuur of ging hij worstelen met een of ander slijmmonster?’

‘Sinds wanneer bepalen gewone mensen als wij wat helden doen?’

Je bent maar heel even van je a propos. ‘Hij had een lage sociaaleconomische status en hij stonk. Een held is niet met één telepathische laserflits foetsie. Waarom hield hij zich niet bij zijn eigen soort?’

‘Hij had gewoon pech dat het subgenre ineens veranderde.’

‘Bedoel je dat als het hier een Armada-wereldzee was geworden, hij ineens een kaperkapitein was geweest die met een steek op zijn kop een succesvolle entering had gedaan?’

‘Die apen typen alle denkbare verhalen en in Dubblai is alles mogelijk. Dus ja.’

‘Ik zei toch al dat dat veel te vaag was.’

Penibele situatie of niet, ik word nu verontwaardigd. ‘Jij wilt enkel helden zien. Dat is niet realistisch!’

‘Jij moet zo nodig zelfopofferende barbaren een lift geven!’

‘Clust was een held!’

De ruggengraat schraapt zijn blockchain en we verstijven.

‘Clust was een held,’ herhaal ik zachter als de tijden weer beginnen te razen en het uiterlijk van de wachter in een paar seconden tijd van bleekbruine wervel via een ontblote borstkas met warpaint weer terug floept naar groen katoen. ‘Je ziet de overeenkomsten toch? Kijk dan naar die rijen sensoren – ik bedoel: kijk naar die verfstrepen – naar die rechthoekige dingetjes op zijn borstkas. Die had Clust ook. Zo herkennen helden elkaar als ze roem gaan verwerven, al is hen slechts één dag op aarde gegeven. Zo werkt het in alle werelden en tijden.’

‘Hoezo, in alle werelden en tijden? We zagen net twee totaal tegengestelde uitkomsten!’

‘Weet ik veel!’ Ik word nu kwaad. ‘Maar zo werkt het. Je moet gewoon kijken en proberen te snappen wat je ziet.’

‘Wat valt er nou te snappen?’

‘Misschien helemaal niks,’ snauw ik. ‘Wij zijn toch geen honderddertig koningen?’

En de rapen zijn gaar. De wachter, inmiddels in leer en maliën, trekt zijn slagwapen. Het lijkt van Damascener staal te zijn maar of dat wijst op een Dark Web-leveradresje, op schandalige bezuinigingen of op trotse oude dan wel afstotelijke barbaarse tradities weet ik niet. Het zou een sabel genoemd kunnen worden of toch een storta of misschien wel een falchion of misschien moet er nog een indrukwekkende naam verzonnen worden waaruit we kunnen opmaken waar het op wijst, maar ik heb eerlijk gezegd de ballen verstand van dat soort dingen. En ik bedenk ook dat het niet uitmaakt. De apen mogen dan alle denkbare verhalen typen en in een metropool van alle werelden en tijden mogen dan alle mogelijke subgenres gebouwd zijn, uiteindelijk komt het voor een held allemaal op hetzelfde neer.

‘Kunnen we hem niet gewoon beleefd vragen wat hij verwacht?’ zeg jij, een beetje hulpeloos. ‘Wij zijn toch enkel gewone mensen?’

Ik staar naar de wachter die nu een trendy colbert en dito smartglasses draagt. ‘Dit is een held. Hij heeft net zijn honderdeenendertigste koning verslagen en die zat bij ons op de achterbank. Als hij nu niet de rest van de ontelbare horden kan verslaan dan is het nog een dag van niks. Hij gaat door tot het einde van de dag. Het heldenleven is er eentje van afzien, van je opofferen. Hoe moet je anders roem verwerven?’

Je bent even stil. ‘En daar zijn wij nu in terecht gekomen?’

Ik knik.

‘Dat is toch volkomen achterlijk!’ zeg je veel te hard.

Mijn ‘ssst!’ komt te laat. Het laatste waar je je van bewust bent zijn manchetknopen op een donkerblauwe mouw en een neersuizende rubberknuppel.

De Bolg is een stadsdeel noordelijk van de Lif. Jij mag dan een eenvoudige toerist zijn, in genre-literatuur wordt er voor een hoofdpersonage vlot een groots proces opgetuigd. Het plantsoen op de overdekte snelweg is ontdaan van alle prullenbakken en watertappunten. De marskramers verkopen opladers en energiedrankjes maar verder is de aankleding overwegend middeleeuws. Er zijn balkons van brons en goud en op de zitbanken ingelegd met karbonkels zien we koningen uit alle subgenres zitten, gebroederlijk zij aan zij alsof er nog nooit een steampunksetting naar een Shakespeare-vampierenwereld is gefloept. Er zijn stamhoofden in wol en linnen, we zien ruggengraten in allerlei maten, er is vaalgroen, marineblauw, khaki en kanariegeel. Er zitten rijen en rijen mannen in kreukelige pakken en losgetrokken stropdassen, nog hijgend en zwetend van bilaterale en internationale inspanningen en gulzig lurkend aan bidons en drinkhoorns. We zien het karakteristieke, exotische slijm van naamloze wezens en bleke fossielen met wie sinds onze rit door urban fantasy een wapenstilstand is gesloten. We zien leer en maliën, sinopel en azuur maar vooral heel veel zwart en krijtstreep, en als we onze ogen dichtknijpen en Dubblai tussen onze wimperharen wazig wordt, zien we enkel nog de rechthoekjes, de geslepen schijfjes, de strepen en de kwasten, de manchetknopen en de dasspelden. Ze slingeren als kosmische kerstversierselen door alle werelden en tijden.

Dan begint het. Geketend en nog wat groggy van de klap sta je te kijken naar de verrichtingen van de held die gaat bepalen hoe het zit en of jij wel of niet onaangenaam aan je einde gaat komen. De pers is ruim vertegenwoordigd. Je slikt en hoopt dat je nog in de gelegenheid zal zijn om de volgende ochtend met een latte en een warm croissantje te kunnen lezen wie legendarisch heeft getriomfeerd en wie een bittere, historische nederlaag heeft geleden.

Maar gelukkig, je held heeft zijn dag! Tijdens het duel verandert het subgenre nog een paar keer maar in allemaal weet hij succesvoller dan zijn tegenstander een zwaard te hanteren, een getuigenverklaring in twijfel te trekken of een eik weg te slingeren. Als het toernooi volgens de regels zijn einde heeft bereikt en de trompetten schallen, barst er een luid gejuich los. Je held draaft een triomfantelijk rondje om het veld. Dertig honden, paarden en vrouwen vertrappen elkaar abusievelijk in het gedrang en leveren een aanleiding tot herdenken.

Jouw ketenen worden losgemaakt en er wordt een microfoon onder je neus geduwd. Men vraagt je of je dankbaar bent dat je held ervoor heeft gezorgd dat recht en waarheid hebben getriomfeerd. Je knikt maar een beetje. Natuurlijk ben je dankbaar dat je niet gehangen, getrokken en gevierendeeld bent, en dat je ook niet en passant het excuus bent geweest voor een kruistocht, cyberinferno of wat ook maar gebruikelijk is in deze wereld en tijd. Nadenken doe je wel op een ander moment, als de hoofdpijn wat weggetrokken is. Of – nou, in elk geval op een ander moment. Je wilt alleen maar weg.

Dus we glippen weg van het tumult en feestgedruis, en zodra we door de poort weer buiten het terrein staan kijken we uit naar de apen die alle denkbare verhalen typen. Statistisch gezien moet daar nu toch eens eentje uit komen die wat gewoner is. Ik werp een zijdelingse blik op jou, vettig glimmend en met verfomfaaide kleren, en besluit dat wij tweeën nu echt wel genoeg heroïek hebben gezien.

Maar apen zijn apen, en mensen zijn mensen – en cijfers zijn cijfers. Cijfers bieden evenveel vastigheid als subgenres: met een beetje creativiteit kun je ze alle kanten op laten floepen. De apen mogen dan elk denkbaar verhaal typen, denken is mensenwerk en het zijn mensen die de wereld maken.

Als we een straat met indrukwekkende graphics oversteken op weg naar onze Lamborghini, doemt er een enorme verschijning op. Even denken we dat het Cúchulainn in zijn ríastrad is, maar dan zien we een gigantisch machinegeweer, een minuscuul hoofdje, spieren als de meerkabels van tankers, en rijen en rijen obscure dingetjes op de letterlijk metersgrote borstkas.

En geloof het of niet – ik word gedood! Waarom begrijp ik nu pas dat álles een slasher is, vraag ik me af als jij en de contouren van Dubblai verbleken, het geratel van de tien apen verstomt en alles onmiskenbaar hiernamaals wordt. De floepende subgenres hebben plaatsgemaakt voor een geruststellende statische eeuwigheid met een duidelijke lijn tussen winnaars en verliezers, tussen goed en kwaad. De vurige tronen en het oogverblindende goud bewijzen onomstotelijk dat ik hier tot het einde der tijden middenin de goeie verhalen zit. Lofzangen aan het adres van de sterksten, de snelsten en de slimsten galmen uit de monden van ontelbare honden, paarden en vrouwen.

Al behoort horror tot de genre-literatuur, ik heb er niet veel mee. Dus ik zweef mijn weg terug naar die spookachtige rode bus en neem plaats op de bok naast de chauffeur. Ze ritselt met haar zwarte veren en kijkt me aan met de blik van iemand die al haar hele bestaan krijsend over slagvelden fladdert.

‘Hoi, Badb,’ zeg ik.

Heel even denk ik aan jou, nu zelf achter het stuur van onze huurauto terwijl de embedded fantasy, d’bate & bash, diplo-punk en weet ik wat voor subgenres voorbij razen, in het nachtmerrieachtige besef dat je gelijk had. Dat je, als je de wereld wilt begrijpen, naar helden moet kijken – naar helden móet kijken. Dat welke afslag in welk subgenre je ook neemt, de wegen van het kosmische klaverblad je steeds maar weer op het Plein van de Eeuwige Heldhaftigheid brengen.

Ik klak met mijn tong en het rokerige paard zet zich in beweging. Je ziet het pas als je in je ontelbaarheid verslagen bent.

 

 

Naar Cernach Park

Home