Op het scherp van de gevel

PDF-versie

De gevelrace was deze nacht op het Belastingkantoor. Kort na middernacht deden de teams de laatste technische checks. Het gebrom van de auto’s en de stemmen mengden vredig met het suizen van het park in de zomernacht. Soms was het leven volmaakt, besefte Denny Koelemeijer, zijn hand op het warme dak van de Suzuki Swift. Hij trok meteen zijn hand terug, keek. De groene verf bladderde wat. Het paars, wit en goud was van een beter merk geweest. Iets om te onthouden voor de volgende keer. Nu maakte het niet uit. Technisch was de auto in topconditie. De spijkerbanden waren kersvers en het F-blok was tot op de millimeter nauwkeurig gekalibreerd. De andere teams zouden het nakijken hebben.

‘Je moet oppassen voor Eddy Sleen,’ zei Marnie Munkham, een van de meisjes die stond te kijken.

‘O?’ zei Denny onverschillig.

‘Hij hangt hier tegenwoordig rond, probeert terrein te winnen.’

‘Dat mag hij proberen.’ Eddy Sleen was het schriele ventje dat verderop gebogen stond over de openstaande motorkap van een Opel Corsa. Hij leek alleen te rijden, onder de naam The Grey One. Rare naam, en raar om in je eentje te racen. Zelf hadden ze een team van drie man: hijzelf als captain en chauffeur, Loui als bijrijder en Eef als technicus. De Siren Sons. Ze gingen winnen deze keer.

Er klonk een luid getoeter en de enorme schijnwerper op de auto van scheidsrechter Patrick Brekers ging branden. De toeschouwers juichten. Het waren er niet veel deze nacht, maar het waren er genoeg.

Met een prettig gekrioel in zijn maag ging Denny achter het stuur zitten. Naast hem op de passagiersstoel nam Loui plaats, met zijn gebruikelijke rustige gezicht. Loui was een koude, en je kon je geen betere bijrijder wensen.

‘Zweethanden, Koelemeijer?’ vroeg Eef toen Denny hem in de Artificial Intelligence-lade van de Honda stopte.

‘Die zweethanden zullen straks eens wat laten zien.’ Eef wist heel goed wat hij wel en niet tegen Denny kon zeggen. Denny had hem al vanaf zijn vroegste kindertijd, eerst als speelgoed, daarna als game-maatje en huiswerkhulp. Ze waren feilloos op elkaar ingesteld.

Hij startte de auto. Met het team van Lucas ‘Lucky’ Tromp voorop reden de vier classics, elk minus passagiersdeur, naar het gebouw toe en de provisionele helling op. Toen de helling rond de 30 procent was, schakelde Eef het F-blok aan. Even gebeurde er niets. Eef tierde zacht, Denny ook, tot ze het duizelige gevoel kregen dat altijd kwam als het tweede zwaartekrachtveld ontstond, haaks op de grond.

De wielen van de auto begonnen te slippen. Loui greep zijn steunriem vast en richtte zich in een vloeiende beweging op tot hij schrijlings in de opening van de passagiersdeur stond. De auto stabiliseerde.

Een paar minuten later stonden ze op een rij te wachten bij de beginstreep, negentig graden ten opzichte van de grond. De Siren Sons waren in tweede positie, zo’n acht meter boven de grond, met de Bull Feeders van Lucky links van hen. Bushy Cornalds team in hun Ford Focus stond rechts, met daarachter Eddy Sleen die de uiterste hoogtepositie had, een meter of twaalf boven de grond.

‘De koningsklap,’ zei Eef.

‘Zodra we Cornald kwijt zijn drukken we die gast de diepte in,’ zei Denny zelfverzekerd.

Beneden zag hij Patrick Brekers hand omhoog gaan. Denny wierp een laatste blik op de opgeheven gezichten beneden en op het scheve woud erachter. Toen knalde het startschot.

Ze trokken op. Lucky, altijd roekeloos, sneed Denny’s auto en wrong zich naar voren.

‘Laten gaan,’ brulde Denny.

‘Nog vijf erbij, en krap tien graden naar rechts!’ riep Eef, en terwijl Denny stuurde en versnelde, verplaatste Loui zijn voeten op de treeplanken om de veranderingen te compenseren. Cornald week iets omhoog en de neus van de Suzuki was al weer gelijk met Lucky’s Renault. Dit was waar het om ging. Ze hadden elk niets anders tot hun beschikking dan de techniek in de wagen, de kracht van het team en, als er niets anders meer was, de twintig seconden Hell’s Wind, om hen te behoeden voor een tuimelende val.

Het Belastingkantoor was een perfect gebouw voor een race, met een voorgevel waaraan geen einde leek te komen. Eerst was er het kantoorgedeelte, bestaande uit een vlakke muur met kleine raampjes waarop de racers op dreef konden komen. Halverwege was de monumentale ingang die gebogen naar voren stulpte en voor de racers dus een welving omhoog betekende. Daarna volgde de echte uitdaging: het publieksgedeelte van het gebouw, met grote glaspartijen en verraderlijke randjes. Over een spectaculaire finish gesproken.

Voor hen uit hing Lucky’s bijrijder naar hoogtezijde als een catamaranzeiler op de golven. Onder aanvuring van Eef versnelde Denny even, zonder echt te passeren. Achter Loui’s uitgestrekte lichaam zag hij Cornalds vertrokken gezicht en roepende mond onder zijn woeste haardos. De Ford schoof langzaam naar achteren.

‘Iets terug!’ riep Eef. ‘Ja, hij bijt!’

‘Vertel dat aan je oma.’

Maar Cornald beet inderdaad. Hij dacht dat Denny onzeker was en gaf gas, net op een vensterbankje. Zijn wielen aan de hoogtekant lieten even los en de Ford moest noodgedwongen afremmen. De Siren Sons schoten voorbij.

‘Hij gebruikte Hell’s Wind!’ riep Eef boven getoeter van de toeschouwers beneden uit.

‘Hoeveel seconden?’

‘Weet ik niet!’

‘Waar ben je AI voor?’

‘Niet om mijn tijd te verspillen met rekengeneuzel.’

Lucky en Eddy lagen nu voor, Cornald achter. Denny hoefde geen woorden te wisselen met Loui. Gevelracen was als rijden op een beijzelde, hobbelige, schuin aflopende weg langs een ravijn. Het ging hier om de stilzwijgende samenwerking tussen de captain en de bijrijder, de intuïtieve balans tussen stuur en gewichtsverplaatsing.

Lucky’s achterbumper kwam steeds dichterbij. Op dat moment voelde Denny dat stoel onder hem een golfbeweging naar boven maakte.

‘Zes seconden,’ meldde Eef kortaf. Het was niet anders. Je moest onderweg altijd het grootste deel van je Hell’s Wind gebruiken. Zolang je maar zorgde dat je wat overhield. Als de naar de grond gerichte krachtige luchtspuit van een auto leeg was, dan was het meestal snel gedaan – en was de val hard. Hell’s Wind was onderdeel van je gereedschapskist tijdens de race, maar het was ook je parachute.

‘Bewaar twaalf seconden,’ zei Denny. ‘Vlak voor de finish hebben we nog een regenpijp.’

‘Vertel dat aan je opa. Die gast rijdt trouwens goed.’

Denny wierp een vlugge blik naar rechts. Nu Cornald achterop was geraakt, hadden ze goed zicht op de grijze Opel van Eddy Sleen, die aan de hoogtekant rustig was blijven meerijden. Eddy leek Denny’s blik te voelen, want zijn hoofd draaide even.

‘Geen bijrijder, maar toch wel een AI?’

‘Dat mag je wel aannemen,’ zei Eef. Respect was in zijn computergestuurde stem niet te horen, maar Denny wist wat hij bedoelde.

‘Waar komt die gast vandaan?’ vroeg hij.

‘Ik heb gezocht toen Marnie zijn naam noemde, maar ik kon verder niets over hem vinden.’

‘Even goed,’ zei Denny nonchalant. ‘Hij zal weten wie wíj zijn.’

Ze waren langszij van Lucky toen de auto met de welving van het gebouw omhoog golfde. De opgeheven gezichten van de toeschouwers, bleke vlekjes, kantelden en Denny’s maag golfde mee. En plotseling was er een ribbel in de muur, een verraderlijk kleine die vanaf de grond niet zichtbaar was geweest. Loui schokte omhoog en dreigde als een steen uit een katapult over het dak te schieten. Eef en Denny reageerden razendsnel, met Hell’s wind en stuur.

Lucky’s team was niet zo gelukkig. De wielen van de Renault Clio lieten los, de auto kapseisde en stuiterde met hoorbare dreunen tegen de muur omlaag. Ze juichten alle drie.

‘Is hij op de wal gecrasht?’

‘Wat kan mij dat schelen.’

Het wegdek golfde weer omlaag en de rest van het parcours kwam in zicht. De glanzende raamvlakken leken hoekige meren, met smalle kades van muur ertussen, net groot genoeg voor een wiel.

‘Die gast ligt voorop!’ riep Eef.

Cornald was nog altijd een halve wagenlengte achter hen, maar Eddy Sleens auto reed al over het eerste raam, schuin rechts voor hen. Onder de spijkerbanden spatte glaspulver op als sneeuw. Een een dikke barst kronkelde over het glas, maar de Ford was aan de overkant voordat het glas brak.

‘Sneller!’ riep Eef.

Ze vloekten allemaal hartgrondig toen Cornald, die gas had gegeven, de Siren Sons sneed en als eerste aankwam bij het grote glasraam recht voor hen uit. Zelf zouden ze nu in Cornalds kielzog moeten rijden, over glas dat onder zijn wielen op zijn minst verzwakt was.

‘Kort gas!’ riep Loui’s stem van buiten.

Eef deed het meteen en Denny stuurde naar rechts. Ze schampten Cornalds rechterachterlicht.

Loui had het goed ingeschat. De compensatie Hell’s Wind was subtiel, want Cornald was een ervaren racer, maar Denny zag de Ford toch naar rechts schokken. Voor de glasplaat was het te veel. Alle drie brulden ze toen de Ford er doorheen brak en in de duisternis van het gebouw verdween. Boven het geluid van versplinterende bureaus uit hoorde Denny een inbraakalarm.

‘Nou ja, die zijn toch al lang onderweg,’ zei hij.

‘Tegen de tijd dat ze aankomen, zijn wij al weg,’ zei Eef tevreden.

Nu waren ze nog maar met zijn tweeën, de Siren Sons in laagtepositie en Eddy Sleen enkele meters boven hen. Sinds de start was er hoogstens een halve minuut verstreken, maar in zijn armen had Denny het gevoel dat hij een halve dag had staan gewichtheffen.

‘Die maken we nog even in.’

Denny bromde wat. Eddy lag een wagenlengte voor. Maar hij had geen bijrijder. Knap werk, moest hij toegeven.

‘Kieren,’ zei hij. Zij waren beter.

Terwijl Eef een dunne, gestage stroom Hell’s Wind liet lopen, versnelde Denny en stuurde naar hoogtezijde. Dit was blufpoker. Het grote raam waar ze nu allebei op aankoersten zou beslist geen twee wagens kunnen dragen. Eddy zou in het zwakkere midden zijn en er als eerste doorheen gaan.

‘Yes,’ sist Eef, toen Eddy naar de hoogte bijstuurde zodat alleen zijn linkerwielen over het raam reden. Zelf versnelde Denny. Onder een iets sterkere stroom Hell’s Wind stuurde hij bij, zodat alleen hun rechterwielen over het glas reden. Toen ze het raam achter zich hadden gelaten, reden de auto’s zij aan zij.

‘We hebben nog tien seconden Hell’s Wind,’ meldde Eef. ‘Precies wat we nodig hebben voor de landing’

Het liet Denny koud.

‘De banden van die gast zakken aan de hoogtekant wat door, zie ik steeds,’ ging Eef verder. ‘Hij zal extra gewicht aan die kant hebben liggen voor de balans.’

‘Of een tweede F-blok.’

‘Nul versnelling, vijf graden naar links.’ Hier was Eef de leider, met zijn inzicht in het totaal van terrein, auto en mens. Denny volgde zijn instructies blindelings op. Hun sterke kracht was Loui, die de schokken van richels kon opvangen. Ze zagen Eddy’s auto schokken, een tweede keer schokken. Steeds moest hij Hell’s Wind verspillen. Dit ging lukken.

Eddy leek het ook te beseffen. De grijze auto zwenkte ineens naar hen toe, met een stoot Hell’s Wind om de beweging op te vangen, en schampte rakelings langs Loui.

Denny en Eef schreeuwden allebei verontwaardigd.

‘Hier komt hij niet mee weg, die schoft!’

‘Heeft Brekers het gezien?’

‘Maakt niet uit. Die gast is dood.’

‘Houd je kop erbij, Koelemeijer,’ waarschuwde Eef. ‘Ik zie trouwens zwaailichten.’

Denny gaf meteen gas.

‘Rustig, rustig!’

Gefrustreerd deed Denny het. Zelf zag hij nu in de diepte ook Brekers schijnwerper knipperen. Dat betekende: wegwezen allemaal. Onder zijn adem mompelde hij vloeken en verwensingen aan het adres van Eddy Sleen en de hele wereld. De toeschouwers glipten nu allemaal weg dus niemand zou meer kunnen zien wie de race won.

Daar was de regenpijp die een meter of twintig voor de finish over de hele lengte van het gebouw liep. Zonder Hell’s Wind was zo’n hobbel niet te doen.

‘Hoeveel heeft hij nog?’ vroeg hij kortaf.

‘Beslist niet meer dan tien seconden, schat ik. Hij heeft het laatste stuk veel ingezet.’

Zelf hadden ze nog tien seconden, genoeg voor de landing maar geen gram meer. Maar geen haar op Denny’s hoofd dacht eraan om uit de race te stappen. De politie mocht hen van de kade krabben, dacht hij grimmig. Eerst ging die gast eraan.

Sleen week uit naar boven, Denny ook. Allebei reden ze schuin omhoog naar de regenpijp, Eddy iets voorop. Elkaar tegenwerken was even geen optie. Het linkervoorwiel moest de schok opvangen, en dan moest je door Hell’s Wind, snelheid en goed sturen voorkomen dat je door je rechterachterwiel gelanceerd werd.

‘Meteen erna gas geven,’ zei Eef.

Ze waren bij de regenpijp. Er was een dreun en een schok die zelfs Denny als ervaren rijder naar de rechterkant stootte. De regenpijp schampte de onderkant van de auto. Die was veel te hoog om te nemen, dacht Denny wat verbaasd, in de chaos van het schokken en tuimelen, van Loui’s voet die ineens vlakbij was, van de golven nachtlucht die naar binnen bliezen. Maar hij bleef gas geven op de fracties van momenten dat de wielen tegen de muur drukten, tot de eveneens naar beneden schuivende en vallende Opel naast hen was, tegen hen aan rolde en weg van de muur werd gelanceerd. Toen liet hij het verder gebeuren.

De klap was tandenratelend hard. De ramen van de Suzuki braken als kerstballen en er golfde ijskoud water naar binnen.

Met ingehouden adem graaide Denny naar de AI-lade, voelde paniek toen hij die niet kon vinden. Als een gek zocht hij, tastte, voelde dashboard, stoelen en gaatjesplafond onder zijn handen, tot hij van de ademnood sterretjes zag. Toen was daar de handgreep. Hij rukte maar Eef zat muurvast. In gedachten hoorde hij Eef zeggen ‘Rustig, rustig!’ Rustig, zei hij tegen zichzelf. Te midden van het opkomende gebulder in zijn hoofd trok hij aan de lade. Die kwam vrij, net toen het zwart hem leek te overmeesteren. Met zijn laatste kracht klauwde hij zich door de kapotte voorruit naar buiten en naar boven.

Toen hij hoestend en naar adem happend bij de kade was, stond Loui er al, doodkalm, met het F-blok in zijn hand alsof het een aktekoffertje was. Hij nam Eef over en wachtte tot Denny met zijn krachteloze armen op de wal had weten te klauteren. Verderop, op de wal, lag de tot een prop verwrongen Opel. De zwaailichten waren er al bijna. Het was nu een kwestie van weg komen.

‘Is hij finito?’ hijgde Denny toen ze het op een lopen zetten, het park in.

Eefs stem klonk dun omdat de boxen ontbraken. ‘Nee, hij kon nog in het water springen.’

‘Kom mee,’ zei Loui met een hoofdbeweging.

Denny hield een beetje in en zag een gestalte de kade op klimmen, nog schrieler lijkend door de kleding die aan zijn lichaam plakte en zijn lege handen.

Eddy leek Denny’s blik te voelen. Hij keek op. Oranje zwaailicht speelde over zijn gezicht. Hun blikken haakten in elkaar. Toen rende Eddy ook weg.

‘Schiet op, Koelemeijer,’ zei Eef.

Ze renden een pad tussen de bomen in. Achter hen kwamen de zwaailichten tot stilstand. Portieren knalden, stemmen riepen. Denny kon zich voorstellen dat politieagenten zich nu over de drie auto’s bogen, om te zien of er nog racers in zaten. Mooi niet.

‘Die gast was goed,’ zei Eefs stem bij Denny’s dijbeen.

Denny lachte schamper. ‘Maar nu niet meer. Eddy Sleen mag hopen dat hij geen twintig jaar nodig heeft om aan een nieuwe AI te wennen.’

Eef was even stil. ‘Hij heeft gewoon hersens voor twee,’ zei hij toen met zijn neutrale stemgeluid. ‘Hoewel die van jou natuurlijk sowieso niet meetellen.’

‘We zullen eens zien wiens terrein dit is,’ zei Denny.

Naar Cernach Park

Home