Mijn Danny

Home

PDF-versie

Het was van dat windstille, waterkoude weer met mist die geen mist mag heten omdat de waterdruppeltjes te donker en in zichzelf gekeerd zijn. Onze voetstappen op de stoeptegels klonken luider dan anders en als we de lichtkringen van straatlantaarns betraden zag ik ademwolkjes uit onze monden komen.

Danny had geen last van de kou. Hij kwekte gedempt maar enthousiast over een of ander akkefietje met een andere jongen op school. Zijn hand voelde ik in de mijne, warm en schokkend als hij even huppelde omdat hij energie kwijt moest. Hij was levendig, mijn Danny. Ja, hij was er eentje van mij, dat wist ik zeker, al dacht Digna dat ik een goedgelovige sukkel was die ze een bezoekregeling kon aankletsen.

‘En toen zei Sem dat dat van hem was en dat was niet zo want ik had eerlijk gewonnen want hij bloedde helemaal en toen ging Mees Anluan halen en toen vochten we maar ik won. Dat was niet eerlijk, hè, Papa, dat hij Anluan ging halen?’ Hij keek naar me omhoog, vertrouwelijk. Bruine ogen had hij, en net als mijn vader donker haar dat nu schuil ging onder de capuchon van zijn parka. ‘Papa’ zei hij altijd, dat had Digna hem geleerd. Ze liet hem dat zeggen tegen al haar exen. Het leverde haar veel alimentatie op – van die sukkels, niet van mij. Luuk Koenes liet zich niet plukken.

‘Dat was niet eerlijk, hè Papa?’ drong Danny aan.

Er zijn weinig subjectievere begrippen in de menselijke beleving dan ‘eerlijkheid’, maar dat zei ik niet. Voor een kind is het een duidelijke richtlijn en kinderen hebben duidelijkheid nodig. Ik wilde niet dat hij voor galg en rad opgroeide. Ik kneep hem alleen eventjes in zijn hand.

‘Tijd om op ontdekkingsreis te gaan, Danny,’ zei ik, en hij zweeg meteen en keek om zich heen.

‘Wat zie je?’

‘Een klimkasteel,’ wees hij naar de heggen. ‘Maar daar gaan we niet op want Papa moest andere dingen doen.’

‘En wat moest Papa dan in de drogisterij doen?’

‘Afwasspul kopen,’ zei Danny meteen, want hij had met zijn zes jaar een flexibel koppie. ‘En eh…’

‘Nou?’

Hij dacht hard na. ‘Wc-papier,’ besloot hij triomfantelijk.

‘Zijn hier dan zulke grote drollen?’ vroeg ik.

‘Ja, daar!’ Hij wees lachend naar de grond onderaan de lange vierkante heggen waar de straat van vergeven was maar vergat het meteen weer. ‘Ze hadden wc-papier in de wc gestopt en toen trokken ze door en toen ging het erin!’

‘Ssst. Wie waren dat dan?’

‘Grote jongens.’

‘Maar werd de juf toen niet boos?’

‘Ja. En toen kwamen er mannen want alles was verstopt.’

Ik lachte en kneep weer even in zijn hand.

‘Zie je de speeltuin al?’ moedigde ik hem aan.

Hij gluurde omhoog om te zien wat ik deed, dus ik keek zeer nadrukkelijk naar het tuinpad dat leidde naar de voordeur van nummer 87. Het was een half-vrijstaand huis dat op een meter of acht van de straat stond.

‘Daar,’ zei hij.

‘Mooi gedaan,’ zei ik, en hij glunderde.

Met een laatste blik om me heen en zijn hand in de mijne ging ik het tegelpad naar het huis op. Het was er schemerig maar alles zag er nog precies zo uit als toen ik in deze straat voordeelkrantjes van een of andere supermarkt in de bus had gedaan. Er was geen portieklamp met bewegingssensor.

Op onze tenen liepen we naar het slapende huis. Danny’s ademhaling hortte. Hij snoof even, snotachtig, en ik gaf een kneepje. Hij was meteen stil. Zijn vingerspieren waren gespannen. Ik rook vochtig hout en iets kruidachtigs in de tuin, en toen we dichter bij de deur kwamen ook de geur van het huis zelf. Een kooklucht, iets zwaars en zurigs.

Bij de deur bukte ik me en nam Danny in mijn armen. Toen draaide ik hem om en schoof hem door de brievenbus naar binnen.

Op school hadden we een boek in de kast staan. Het was een boek dat door ontelbare kinderhanden tot uit elkaar vallens toe gelezen was, vol kleurige afbeeldingen en met een titel in de geest van Het ontstaan van het leven op aarde. Het was een fascinerend boek. Je zag er enorme diplodocussen door landschappen van varens en wolfsklauwen struinen. Je zag tyranosaurussen met elkaar vechten. Je zag velociraptors boven groene jungles cirkelen en pleuracanthussen met ontblote tanden door spattend water jagen. En toen ik daar op die namiddag lang geleden achter mijn bekliederde schoolbank de pagina omsloeg, was daar ineens de dimetrodon. Een krokodil van drie meter met vier stompe poten zoals zoveel andere prehistorische dieren in het boek, maar met één bijzondere eigenschap: over de hele lengte van de rug liep een hoge kam, een webachtig vlies omhoog gehouden door wervels. Naast de afbeelding stond dat het een ‘rugzeil’ heette.

Gelukkig was ik die bewuste namiddag ouder dan Danny en al een stuk wijzer. Ik hield mijn mond en flapte er niet meteen iets uit.

Zei ik niet dat ‘eerlijkheid’ een subjectief begrip is in de menselijke beleving? Laten we het dan helemaal niet over ‘waarneming’ hebben. Toen ik jong was dacht ik dat iedereen onze rugzeilen zag. Voor mij waren ze gewoon onderdeel van het uiterlijk van mensen. Het rugzeil van mijn vader was enorm. Vlezig en amberkleurig, met puisterige bobbels erop die ik kende als de rug van mijn hand. Die van mijn moeder was veel droger en grauwer en er was een deel van weggescheurd – hoe dat ooit was gebeurd heb ik nooit ontdekt. Met die van mezelf speelde ik, mijn handen in die lege wereld net om de hoek. Het scheidsvlak tussen hier en de rugzeildimensie is wat troebel, als de zeespiegel op een grauwe dag, en als je je hoofd draait dan zie je rugzeilen erover scheren als haaienvinnen.

‘Neglect’ is het wetenschappelijke woord voor het onvermogen om iets waar te nemen. Het komt soms voor bij patiënten die een hersenbeschadiging hebben opgelopen. Zij nemen een heel deel van de werkelijkheid niet meer waar, bijvoorbeeld de rechterkant. Hun arm en been aan die kant zien ze niet meer, ze scheren zich niet meer rechts en eten alleen hun bord aan de linkerkant leeg. Volgens de wetenschap is het een vrij zeldzame hersenaandoening.

Zeldzaam? Nee. Op de wereld lopen zo’n zeven miljard mensen rond met neglect. Al hebben ze geen hersenbeschadiging, ze hebben het vermogen verloren om hun eigen rugzeil en dat van anderen waar te nemen. In de loop van die miljoenen jaren waarin zoogdieren op hun achterbenen gingen staan, primaat werden, met vuur en stenen vuistbijlen aan de slag gingen en uiteindelijk Romeinen, kruisvaarders en industriëlen werden, is dat vermogen langzaam verdwenen. Ik behoor tot het zeer kleine deel van de mensheid dat de rugzeildimensie nog wel waarneemt. Het geeft je een boeiende kijk op de wereld. Je hoeft je alleen maar om te draaien om te zien of buurman Marcos thuis is. Je ziet dat de Beekmannetjes aan de overkant van de straat al zestien maanden niet meer in hetzelfde bed slapen. Het is een zeldzaam talent waar de politie zeker zijn voordeel mee zou kunnen doen. Niet dat ik ooit de aandrang had gevoeld om me daar te melden.

Dus ik tilde Danny bij die voordeur op, draaide hem om zodat zijn rugzeil hier was en de rest van hem daar, schoof hem door de brievenbus naar binnen en liet hem los. Dat deed ik altijd heel geconcentreerd zodat hij zich niet bezeerde. Ook nu voelde ik hem uit mijn handen glijden, in de lucht terugdraaien en zacht als een kitten op zijn pootjes landen. Hij was gelukkig klein en lenig.

Ik houd er niet van om kinderen te gebruiken voor klussen in de volwassen wereld. Soms gaf het me een schuldig gevoel. Maar dan bedacht ik dat er een hoop ellende in de wereld is en dat het de taak van een ouder is om zijn kind daar klaar voor te maken. Tijdens zijn tweewekelijkse logeerpartijen was ik een goede vader, al zeg ik het zelf. Dure cadeaus kon ik hem niet geven vanwege Digna en haar alimentatiegedoe, maar goed ouderschap zit hem in andere dingen dan in geld. En ik schatte dat Danny’s rugzeil misschien nog tot zijn achtste de afmetingen van brievenbuspost had en dat het daarna over en uit was.

Zelf liep ik het tuinpad af tot aan de vierkante heg. Daar hurkte ik neer en haalde uit mijn binnenzak een kleine tablet die was verbonden met de camera en mic in Danny’s capuchon. Terwijl het ding uit de stand-by kwam, bracht ik mijn headset aan.

Danny’s adem was vrij luid, zoals jonge kinderen dat hebben, maar hij stond rustig op me te wachten in het pikkedonker in dat vreemde huis, helemaal in zijn eentje.

‘En nu op ontdekkingsreis,’ fluisterde ik. ‘Zie je die grote grotopening daar?’

Het beeld knikte en kwam toen schokkend in beweging. Zijn voeten maakten geen geluid toen hij door een gang naar de openstaande woonkamerdeur sloop. Met ingehouden adem volgde ik hem, de woonkamer in. Daar bleef hij staan.

‘Goed werk, zeeman,’ zei ik. Naast de deur stond een aquarium dat een gedempt licht uitstraalde. Handig, want zo hoefde Danny’s capuchonlicht niet aan. Dat flitste zo rond en scheen soms tussen de kieren van gordijnen door. Op mijn tablet kon ik nu genoeg zien.

Danny gluurde even naar het aquarium. Het glas was zo vuil dat ik niets kon zien. Hij had me wel eens om een huisdier gevraagd, maar dat zag ik niet zitten bij zijn moeder, en zelf ervoor zorgen was ook zo’n gedoe. Een goudvis was misschien een goed idee, bedacht ik nu, die hebben niet zoveel zorg nodig en het is goed voor kinderen om ergens verantwoordelijk voor te zijn.

‘Toe maar, laat Papa alles maar zien,’ zei ik aanmoedigend, en hij begon zorgvuldig en rustig een rondje om zijn as te draaien.

In dit werk inventariseer je op drie niveaus. Ten eerste op een niveau waar je geen professional voor hoeft te zijn: je taxeert globaal de waardevolle voorwerpen in de kamer. Dus ik keek vluchtig naar een negentiende-eeuwse apothekersweegschaal – het ene glazen schaaltje was vervangen door iets moderns en de bijbehorende accessoires ontbraken – en liet hem langer stil staan met zijn gezicht naar de sofa zodat ik goed kon kijken naar een lompe tinnen kan die op de plank erboven stond. Aan de zorgvuldige plek tussen moderne prullaria maakte ik op dat de bewoonster wist wat hij waard was, en dat ze hem had geërfd van dezelfde ouders die haar het aankoopbedrag van de woning hadden nagelaten. Want ja, hier woonde een alleenstaande vrouw, dat had zelfs Danny nog kunnen vertellen.

Daarna verwerkte ik wat de boekenkasten me vertelden. Niets is zo veelzeggend als de inhoud van een boekenkast, en dan heb ik het niet over titels. Nee, je kijkt naar de verdeling van de formaten en het glimmen van de ruggen. Staan de grote kunstboeken allemaal op de onderste plank naast de encyclopedie of ook elders? Waar staan de gebonden romans van het oudere soort, waar staan de pockets met hun prijzen in dollars op de rug? Zijn er prentenboeken, en glimmen die of niet? Waar staan de slordige dunne bundeltjes papier die de catalogus zijn van een of andere fototentoonstelling van dertig jaar geleden? Uit al deze signalen kun je opmaken wat iemand in het leven heeft nagestreefd en bereikt. In dit huis wezen de homogene verdeling van de grote boeken en de samenscholing van de slordige catalogi op een onopvallende plank op een vriendinnenkring van wandelende, fietsende en damesbladen-lezende hoger opgeleiden. Als mevrouw Erenstein met intellectuelen optrok dan hadden ze wel op ooghoogte gestaan. Deze vrouw was no-nonsense, kende haar hele leven bestaanszekerheid, nam geen financiële risico’s en had geen kinderen of kleinkinderen.

Als laatste liet ik tot me doordringen wat ik in gedachten altijd ‘de legerstede’ noem. Waar iemand neerploft als hij uit zijn werk thuiskomt en wat dan binnen handbereik moet liggen zegt alles over een persoon. Het vertelt je wat niet uit het milieu van herkomst overgenomen is en ook niet bewust en zichtbaar in het leven verworven is. Het vertelt je over het onbewuste, over dat wat niet aan de buitenwereld getoond wordt. Dit inventarisatieniveau vraagt vooral intuïtieve voelhoorns, en mijn ervaring op dit terrein vulde de laatste leemtes in mijn beeld van deze vrouw. Huiselijk, aan de verfomfaaide deken en de kussentjes op de zitbank te zien, en betrokken bij de wereld en vooral de natuur. Naast de grote, gebutste mok met theeaanslag op de salontafel lagen een verfomfaaide Viva en de meest recente uitgave van National Geographic.

Toen Danny’s blik de 360° had voltooid en stond te wriemelen en naar het aquarium te kijken, rondde ik mijn conclusies af. Geërfd vermogen, een goed gevulde Triodosbankrekening en geen leningen of schulden. Verder niets interessants. Ik bracht nog liever de nacht door met die antieke nootmuskaatmolen op de schouw.

‘Oké, Danny,’ fluisterde ik. ‘Die rotswand daar. Eerst moeten we berggeit zijn. Zie je wat Papa ziet?’

Zijn blik ging weer rond, zweefde richting de boekenkast en bleef wat onzeker hangen bij zo’n ronde houten kruk die ze een olifantspoot noemen.

‘Goed gezien. Naast de witte boomstronk, dat is een goede plek om te klimmen. En zachtjes met het neerzetten, anders horen de beren je.’

Als je een jonge kompaan hebt dan telt elk woord. En dat was echt niet alleen omdat Digna of een andere volwassene uit Danny’s gebabbel allerlei ongewenste conclusies had kunnen trekken. Daar was ik zorgvuldig genoeg mee, vanaf het moment dat onze ontdekkingsreis begon. Nee, als je een jong kind een vak leert dan moet je er een consequent verhaal van maken. Voor kinderen is spelen een bloedserieuze zaak.

Terwijl Danny het krukje bij het CD-rek neerzette, bekeek ik de plank erboven. Fotomappen en ordners met negatieven van Jan en Miep op het strand staan meestal op de onderste planken, maar geloof me: zakelijke correspondentie wordt geplaatst zonder aandacht voor het draagvermogen van kastplanken. Ze worden geplaatst op basis van intuïtie. Belangrijke dingen worden neergezet op plekken die belangrijk aanvoelen. Bij dit soort vrouwen vind je ze meestal op baarmoederhoogte.

‘Helemaal goed,’ zei ik, en dat meende ik, want hij stond nog niet op het krukje of zijn hand ging naar de oudste en lelijkste map, waarmee hij weer naar beneden klom. Hij liep naar het aquarium toe, ging daar op de grond zitten en sloeg in het lichtschijnsel de map open. Onder mijn aanmoedigend gebrom ging hij een voor een door de tabbladen. Ik zag aandelen in een zonnepanelenpark passeren, verschillende donateurschappen van musea en heemtuinen en ook een testament waarin ongetwijfeld was opgenomen dat het hele hebben en houwen van M.A. Erenstein terzijnertijd naar een wereldverheffend doel ging. En eindelijk waren we er. ‘Stoppen, scout. Even goed snuiven nu.’

Ik gebruikte een voicerecorder dus ik hoefde daar bij de heg niet met een zaklamp en een pen zitten klooien. Terwijl Danny met zijn gezicht langs het financieel jaaroverzicht ging en de tekst van het document over mijn tablet gleed, las ik fluisterend de relevante gegevens op: burgerservicenummer, volledige voornamen en de nummers van alle vier rekeningen.

‘Klasse! Zet hem maar weer terug.’

Ik liet hem altijd eerst even klimmen en vooral scoren. Een jongen van zes moet je niet meteen naar een dameshandtas sturen, dat is respectloos. Kinderen moet je serieus nemen, zoals ik al zei. Maar nu kon het wel.

‘De tas van de medicijnman, Danny,’ zei ik.

Het was een exemplaar zonder rits, zo’n modieus ding dat met een klep sloot, en ik liet hem er rustig mee worstelen. Daar leerde hij van. Niets krijg je voor niets in het leven.

‘Dat is om de boze geesten te bezweren, dat is voor het maken van vuur, dat is voor het behandelen van jeukende tenen,’ somde ik op toen ik Danny’s handen tussen make-up, een oplader en leesbrillen zag rommelen. ‘En daarmee kietelt ze haaien onder hun oksels.’

Hij giechelde maar werd meteen serieus toen hij de portemonnee had gevonden. Even later had ik ook de nummers van de bankpassen en de CVC-code van de creditcard, plus scherpe afbeeldingen van identiteitskaart en rijbewijs.

‘Nu is het tijd voor onze terugtocht uit de Himalaya,’ zei ik.

Het beeld flitste rond terwijl hij de map terugzette. De tinnen kan kwam een paar maal in beeld. Alleen aan de onderkant meende ik wat vlekken te zien die op de eerste tekenen van tinpest wezen, maar verder was het ding in goede conditie. Noord-Duits, schatte ik. Dat hij in de woonkamer stond, in huiselijke temperatuur en vochtigheid, bewees dat hij onderhouden werd door iemand die er verstand van had. Ik moet zeggen dat ik in de verleiding stond. Maar ik bleef professioneel. Dit was niets voor Danny. Ontdekkingsreizigers nemen geen dingen mee, dat moest hij goed snappen. Bovendien hing die plank te hoog voor hem.

Even later ging de voordeur voorzichtig open en kwam Danny naar buiten. Toen hij bij me was trok ik hem even tegen me aan. Samen gingen we de straat weer op. We waren allebei zwijgzaam zoals altijd als we op pad waren geweest.

Danny was moe. Een janker is hij niet maar na een paar straten begonnen zijn benen te slepen, dus ik liet hem doorlopen tot hij tot stilstand kwam en tilde hem toen op. Hij legde zijn koppie in mijn nek en zuchtte even. Dapper ventje. Ik kneep even en wreef met mijn wang tegen de zijne aan.

‘Papa?’ fluisterde hij.

‘Mm?’

Hij bleef stil. Ik moest het nog een keer vragen.

Hij draaide zijn gezicht naar me toe. ‘Mag ik een hond?’

Het deed me pijn. ‘Dat kan niet, jochie, dat weet je.’

‘Een heel kleintje dan.’

‘Nee, joh,’ zei ik zachtjes.

Ik voelde zijn lijfje moedeloos verslappen. De laatste straten naar huis praatte ik tegen hem, over klimkastelen en de Himalaya, maar hij was al zo’n beetje onder zeil. Volgens mij merkte hij niet eens dat ik hem uitkleedde, in bed stopte en op mijn tenen het slaapkamertje uitliep.

In de keuken legde ik de voicerecorder klaar, schonk mezelf wat in en ging zitten om aan het werk te gaan. Maar ik was te rusteloos, te onvoldaan. Ik bedwong een neiging om nog even in het slaapkamertje te gaan kijken en draaide me in plaats daarvan om.

Er drong zoveel licht van straatlantaarns en mijn eigen keukenlamp door in de rugzeilwereld dat ik geen zaklamp nodig had. Mijn ogen moesten wel even wennen. Iets ongewoons was er niet te zien. De rafelranden van de bekende wereld staken zoals gebruikelijk door de troebele scheidswand heen, daar waar de mens abrupt met zijn civilisatie is gestopt omdat er volgens die blinde vlek in zijn waarneming niets meer te civiliseren is. Verder was het een kale vlakte, hoogstens met wat kale sprietjes en een enkele verdwaalde kakkerlak. Misschien dat je in andere delen van de rugzeilwereld een weelderige plantenjungle met exotische dieren had, maar hier in die stille ruimte naast de stad was alles droog en leeg. De liguster van de buren die wat was gaan woekeren had ik een paar weken geleden nog teruggesnoeid omdat ik van vrij uitzicht houd. De buren zelf waren niet thuis, zag ik. Andere omwonenden wel. De vollemaansvormen van hun rugzeilen staken her en der uit de scheidswand. Een paar meter van me vandaan zag ik Danny. Zijn zeiltje woof zachtjes heen en weer op het ritme van zijn ademhaling.

Een tijdje stond ik ernaar te kijken. Toen ging ik terug naar de keukentafel om de administratie van die nacht af te handelen. Een half uur later had ik de gegevens van mevrouw Merel Adriana Erenstein in verschillende samenstellingen op drie aparte vellen papier geschreven – een moderne ondernemer zorgt ervoor dat hij meer dan een opdrachtgever heeft – en in enveloppen gedaan. En had ik een besluit genomen.

Buiten was het nog waterkouder dan eerst. Mijn vingers waren gevoelloos tegen de tijd dat ik voor de tweede keer die nacht het tuinpad van nummer 87 op liep. De nacht was nog stil, de lucht roerloos, maar de hemel begon al wat grijs te worden en maakte de struiken in de tuin zwarter en scherper. Ik had nog geen halve minuut nodig om met behulp van een klantenpasje de voordeur te openen die Danny achter zich dicht had getrokken.

De geur, dat was het eerste dat me overviel toen ik op de mat stond waar mijn zoon nog geen twee uur eerder had gestaan. Een zware, zurige geur, niet enkel van een oud huis in een vochtig jaargetijde, maar iets diepers, ranzigers. Merel Erenstein kookte vast graag van die moderne superfoods die stonken als de krochten van de hel, bedacht ik terwijl ik zonder een geluid te maken naar de woonkamer liep. De thermostaat stond vanwege de opwarming van de aarde natuurlijk op minus 273 graden dus het was er stervenskoud, bijna even koud als buiten. Een tabletbeeld geeft nooit helemaal weer wat er echt is. Ik dacht even aan Danny die nu lag te slapen in zijn warme bed. Dat hij alleen thuis was gaf niet want als hij sliep dan sliep hij als een os, en bovendien was ik over een uur alweer thuis. Nog wat later zou ik een lekker ontbijtje voor hem klaarmaken, bedacht ik, terwijl ik met mijn gehandschoende hand de stekker uit het aquarium trok. Het was meteen donker, en ik bleef staan tot mijn ogen gewend waren aan het schemerlicht dat door de gordijnen naar binnen scheen terwijl ik luisterde naar eventuele geluiden van de eerste verdieping en van buiten. Niet te vroeg, want Danny was ‘s nachts in touw geweest en jongens in de groei hebben een goede nachtrust nodig. Maar een boterham met hazelnootpasta zou er om een uur of acht wel ingaan. Nu moest ik aan het werk. Ik tastte in mijn zak en haalde mijn met bruin katoen afgedekte zaklamp tevoorschijn.

Daar waren de olifantspoot en de boekenkasten, daar was de zitbank die er ook weer vreemd anders uitzag dan op de tablet. En daar was de tinnen kan. Het was een plomp geval maar nu ik met mijn eigen ogen het oor en de duimrust kon bekijken, begon mijn professionele hart echt sneller te slaan. Dat ding was zestiende-eeuws, zeer waarschijnlijk zelfs ouder. De conditie wás goed, de glans van het tin warm en mild. Via mijn contacten zou hij me ruimschoots genoeg opleveren om Danny mee te nemen naar een pretpark en hem de dag van zijn leven te geven. Digna kon ik vertellen dat ik wat in de loterij had gewonnen en een honderdje toeschuiven. Met de suggestie dat ze het kon steken in schoenen en een goede winterjas voor Danny, zodat het mes aan twee kanten sneed.

Ik deed een stap naar voren toen ik besefte dat er op die zitbank een verfomfaaide deken had moeten liggen.

Even bleef ik niet-begrijpend staan. Toen schoot ik naar de wand met boekenkasten, dook ineen bij de Winkler Prins en draaide me razendsnel om.

De rugzeilwereld lag uitgestrekt in dat schemerige licht dat je hebt voordat het echt licht wordt, maar ik wist precies waar ik in dat huis stond. Hurkstappend drong ik tegen de boekenkast aan en schoof ruggelings in een opening tussen de RANS-SALZ en de SAMA-SOVJ.

Er was iemand. Niet in de woonkamer maar in de rugzeilwereld. Het was alsof er in dat schemerige bijnadonker iets ademde, rees en daalde. Dus ik scheen rond in de richting van de zitbank, waar alleen maar kale vlakte was.

Niets.

Ik voelde een luchtbeweging en draaide mijn hoofd.

Ze stond hoogstens twee meter van me vandaan op me neer te kijken, haar rug tegen de troebele scheidswand met de gewone wereld. Voor kleuren en gelaatstrekken was het nog te donker maar ik kon zien dat ze halflang sluik haar had.

‘Goedemorgen,’ zei ik, want hoffelijkheid brengt een mens vaak verder in het leven. Ik begon overeind te komen uit mijn verkrampte hurkzit. Net als Danny ben ik niet lang van stuk, maar een staande mens straalt meer gezag uit. Bovendien kon ik haar rechterhand niet zien en dat beviel me niet zo.

In plaats van een antwoord voelde ik een ruk en een vlijmende pijn in mijn rugzeil. Ik gaf een onwillekeurige schreeuw en probeerde me terug te draaien, maar mijn rugzeil zat muurvast daar ergens in die woonkamer.

‘Goedemorgen,’ zei ze. Haar stem klonk hautain maar ook een beetje onvast en dat gaf me moed, al is moed een relatief begrip als je rugzeil in de fik lijkt te staan. Ik verroerde een vin en stopte daar meteen mee. Dit was geen simpel klem zitten in een encyclopedie – tenzij ze er een bankschroef tussen had aangebracht.

‘Identiteitsfraude,’ zei ze. ‘Over een paar weken vallen de eerste nota’s in de bus van aankopen die ik nooit heb gedaan. Als ik naar de politie ga blijk ik tientallen gestolen auto’s op mijn naam te hebben. Over een jaar of twee ben ik al mijn spaargeld kwijt en heeft de bank beslag gelegd op mijn woning. En is mijn gezondheid door alle stress niet twee maar tien jaar achteruit gegaan.’

‘Dat is denkbaar,’ zei ik voorzichtig. ‘Maar als je eerst de nota’s betaalt en meteen een advocaat in de arm neemt dan valt de schade vaak reuze mee. Zolang je incassobureaus niet de gelegenheid geeft om zich ermee te gaan -’

‘U bedoelt dat u mij in uw goedertierenheid verstand toewenst zodat de schade minder zal zijn?’

En ik kreeg hoop, al was het een kiene tante en bleef het me zorgen baren dat ze me zo te grazen had kunnen nemen. Ze had daar op die zitbank gelegen. Misschien was ze er ‘s avonds in slaap gevallen en was ze wakker geworden toen Danny de kamer binnenkwam. Ze had alleen maar tijd gehad om zich snel om te draaien en had hier liggen wachten, haar rugzeil nog grotendeels op de sofa, waar ik de wervels had aangezien voor rimpels in een oude deken. Ze had af en toe haar nek gedraaid om van achter de kussentjes te gluren en ze had Danny zijn 360° zien doen en hem langere tijd zien kijken naar de tinnen kan. Ze had geraden dat ik terug zou komen, geweten dat ik alleen deze nacht opnieuw binnen kon komen nu het nachtslot niet op de voordeur zat. Ze had een val voor me gezet. Maar ze zei u tegen me.

‘Goed,’ zei ik. ‘Ik ben van de zelfkant van het leven, dat hebben we wel duidelijk. En nu. Hoe gaan we van hier verder?’

‘Drie minuten,’ zei ze.

‘Wat gebeurt er over drie minuten?’ De pijn in mijn rugzeil was ondraaglijk, alsof een gif zich langzaam door het vel aan het verspreiden was.

‘Drie minuten en vijf seconden nu.’

‘Des te meer reden om er even rustig bij te gaan zitten,’ zei ik kameraadschappelijk. ‘Ik schuif met plezier even wat mee zodat we er een stoel bij kunnen pakken. Laten we dan kijken wat u in gedachten hebt.’ Met een beetje geluk kon ik in elk geval zien waar ze me mee vast hield. Ze had ook iets in haar hand, dat was ik niet vergeten. Een pook? Een broodzaag? Een antieke Colt op naam van de overleden vader, zo’n erfstuk dat te oud was om al geregistreerd te zijn? Die antiquiteiten werken zelden nog, al doen de eigenaren je graag anders geloven. Ik zou kunnen doen alsof ik er bang voor was. Geef een vrouw een wapen in haar hand en je kijkt in de ogen van duizend jaar onrechtvaardigheidsbeleving.

‘Drie minuten en inmiddels twintig seconden geleden sinds u de stekker uit het terrarium hebt getrokken.’

‘Ach, sorry.’ De pijn was niet te harden en ik merkte dat ik moeite had om me te concentreren. ‘Snel er maar weer in doen, dan hebben ze weer zuurstof.’

‘Kajsa wordt binnenkort moeder.’

‘Kajsa?’

De geur drong nu in volle hevigheid tot me door. Een ranzige geur van verrotting, van nattigheid en warmte die veel dichterbij was dan het terrarium.

‘Kajsa is een verdwaalde ctenospondylus. Ze had haar eieren eerst in mijn douchecel gelegd. Die moeten namelijk warm en vochtig gehouden worden, ziet u. In het vroege Perm, waarin haar soort evolueerde, was dat niet zo’n probleem, maar in de moderne wereld is het klimaat anders. Gelukkig kon ik haar verleiden met een terrarium in de woonkamer waar temperatuur en vochtigheid zorgvuldig op het juiste niveau worden gehouden.’

‘Wel zo praktisch inderdaad.’ Mijn stem sloeg wat over.

‘Ze zorgt er goed voor. Iets wat u als liefhebbende vader vast wel herkent.’ Mevrouw Erenstein stapte aan de kant. Ik zag haar rechterhand. Er zat niets in, geen Colt, geen pook, geen broodzaag. Er was geen rechterhand. De arm was vanaf de elleboog verdwenen. Het was een stomp. En ik zag wat er al die tijd achter haar schuil was gegaan: een rugzeil, rafelig en zonder de vertrouwde vollemaansrondheid. De contouren van het vel waren laag en dreigend, als het lemmet van een mes dat mijn kant uit gestoken was.

Ik voelde een vlijmende ruk aan mijn rugzeil, een gedeeltelijk draaien door het troebele scheidsvlak heen. Even was daar de kamer, met scheve boekenkasten en plint. Er klonk het gekletter en slepen van een ketting op laminaat. Toen werd ik in de geur van verrotting gehuld, en zag ik de klauwen.

Ergens had ik het gevoel dat ze opzettelijk zo lang had gewacht. Ruim vier minuten, inmiddels. Ik zou ook niet hebben geweten wat ik ermee had moeten doen. Kleine ctenospondylusjes worden groot.

 

 

Naar Cernach Park

Naar Parallelle realiteiten

Home