Hotel met kamers

PDF-versie

Een fantastisch hotel, natuurlijk, behalve als je kind in het holst van de nacht naar de wc moet.

De oude Dergafabriek was al lang geen krachtcentrale meer. Tegenwoordig boekte je er een overnachting of ontspannen weekend. De fabrieksgebouwen waren omgebouwd tot hotelkamers. Je verbleef in Generator of in Condensor, en als je ‘s morgens uit je vintage hotelkamer naar de ontbijtzaal in een van de oude koeltorens ging, dan liep je door glazen loopbruggen van waaruit je de halve stad zag liggen. Je croissantje werd geserveerd op tafels gemaakt van industrieel hout en overal glommen stoomketels. Een overnachting kostte een bom. Wat niet wilde zeggen dat er in de hotelkamers riolering aanwezig was. Er was een eenvoudige badkamer met afvoer, maar voor een wc is wettelijk gezien meer nodig, zo wist Tanja van een vriend die er verstand van had.

En dan dus: ‘Mama, ik moet plassen.’

Toen Tanja wakker en weer moederlijk genoeg was, overwoog ze even om gewoon het putje van de douche te gebruiken. Dan hoefden ze niet helemaal naar de dichtstbijzijnde koeltoren te lopen, met wc-hokjes waar je zijdelings naar binnen en weer naar buiten schoof en je handen waste in van die vreemde, piepkleine ronde wasbakken. Maar misschien roken ze dat in de badkamer van de kamer ernaast, en het was toch ook een beetje asociaal. En Nara plaste niet makkelijk op vreemde plekken.

Daarom deden ze slippers aan en gingen de gang op, waar fabriekslampen brandden en het verder nachtelijk stil was. De vleugel waar hun kamer was, Turbine, had aan een kant een glazen wand met een schitterend uitzicht over de stad. Ze zag de lichtjes in de verte fonkelden.

Ze klakte geërgerd met haar tong toen aan het einde van de gang bij de loungehoek kwam die haar ‘s middags, toen ze hier met hun tassen waren gepasseerd, had doen denken aan James Bond. Verdorie, de glazen loopbrug naar de koeltoren was de andere kant op. Dat kreeg je als je geen gevoel voor richting had. Ze wilde zich omdraaien om terug te gaan toen ze bedacht dat verderop vast wel een andere loopbrug was.

Het was anders wel leuk geweest als ze James Bond hier had aangetroffen, bedacht ze toen ze verder liepen door een gang met kamerdeuren aan weerszijden. Nippend aan een Bolinger en net bijgekomen van de worsteling met een of andere huurmoordenaar op dat betegelde terras buiten. Hij zou naar haar opkijken, een borstelige wenkbrauw optrekken en vragen of ze met haar slaperige kop nog wist hoe je de kranen van die rottige supermoderne wasbakjes ook al weer open draaide. ‘Tanja, the name is Ta-‘

Ze hield op met dagdromen toen ze besefte dat ze de gang waarin ze liepen helemaal niet herkende. Vanmiddag waren er trappen geweest. En het was ook niet zo ouderwets en duur geweest, met donkergroen tapijt en hoge, sombere plafonds.

Nara merkte haar aarzeling natuurlijk meteen. ‘Mama, maar ik moet zo.’

Ze moest bij haar James Bond-hoek verkeerd zijn gelopen, al kon ze zich niet herinneren dat daar meerdere gangen uitkwamen. Maar goed, het maakte niet uit. Er stonden een stuk of vijf koeltorens op het terrein, allemaal met wc’s, en dure gasten moesten ook vast wel eens piesen. En ze had elk recht om door deze gang te lopen, al had ze dit weekendje gewonnen bij de Viva en er geen cent voor betaald. Dan moeten ze maar bordjes ophangen.

Toch voelde ze zich een illegale binnendringer toen ze doorliep, de lange gang met gietijzeren lampen door. Toen een van de kamerdeuren ineens openging, schrok ze met het schuldbesef van een kind dat betrapt is met een hand in de koektrommel. Er kwam er een man naar buiten. Hij hoorde haar achter zich, bleef staan en draaide zich om.

‘Kan ik u helpen?’ vroeg hij uitnodigend. Hij was een jongere versie van Brad Pitt, met blonde manen en een glinsterend oorringetje.

‘Nee hoor.’ Ze was zich akelig bewust van haar slobberige slaap-t-shirt en haar verwarde haar.

Hij glimlachte zonnig en zelfverzekerd. ‘Ook goed, hoor’ zei hij terwijl hij de deur opende van de volgende kamer. ‘Nog een fijne avond.’ Tenminste, ze dacht dat hij dat zei, want op het moment dat de deur openging, kwam er zo’n dreun van lawaai naar buiten dat ze alleen zijn lippen zag bewegen. Zijn rug verdween naar binnen. Het lawaai verstomde abrupt toen de deur weer dicht was.

Tanja knipperde even met haar ogen. In die paar seconden dat de deur open had gestaan, had ze tientallen feestende mensen gezien in een kamer waar de rook in blauwe wolken onder het plafond hing. Ze hadden cosplay-kostuums gedragen, en een van de mannen die Mr Oorringetje brullend hadden begroet, had een kruisboog in zijn handen gehad, dat wist ze zeker. En er hadden honden rondgelopen, meerdere.

Toen ze de deur passeerde en even inhield, kon ze aan de andere kant geen geluidje horen, alsof de deur van gewapend beton was gemaakt. Alleen de onmiskenbare geur van zwetende mannen, bier en rook – het was cannabis – bewees dat ze zich niets had verbeeld.

‘Hm,’ zei ze hardop. Niet haar type feestje, al stelde ze zich wel even voor dat ze alleen was en wat passender gekleed.

Ze passeerden deur na deur, en aan de gang kwam maar geen einde. Het was overal doodstil. Het geruis van het bloed in haar oren en hun eigen ademhaling leek de hele gang te vullen. Toen ze achterom keek kon ze het einde van de gang niet eens meer zien. De dichtstbijzijnde deuren glommen zacht, de rest leunde alleen maar donker en stil in de muur.

Ze liepen verder, tot ze toch het einde van de gang bereikten. Gelukkig, hier was eindelijk een loopbrug.

De vloer was solide, tapijt op metaal, en het glas om hen heen weerkaatste het lamplicht zo dat ze niet veel van de nachtelijke buitenwereld konden zien. Met Nara slaapdronken aan haar hand liep ze de loopbrug door. Maar aan het einde was gewoon weer een gang met hotelkamers. Ze was nog in het gebouw. En nog altijd nergens een bordje te zien.

Ze liep naar het glas toe en drukte haar gezicht er tegenaan. Een meter of twintig verderop zag ze verlicht glas van een echte loopbrug. De koeltoren kon ze net niet zien.

‘We gaan terug,’ zei ze. ‘Want anders blijven we maar ronddwalen.’ Zelf moest ze inmiddels wel een beetje. Verdorie, wat een achterlijk gedoe ook. In het glas waren een paar nooduitgangen waar natuurlijk wel bordjes bij hingen. Alsof ze daar wat aan had.

‘Als het nog lang duurt dan pies ik hier gewoon op de grond,’ zei ze, binnensmonds. ‘Of op dat pluchen tapijt.’ Ze kon bij die feestvierders aankloppen. Nee, boven die herrie uit zou ze zich niet verstaanbaar kunnen maken. Misschien kon ze naar binnen gaan, de randen van haar t-shirt beetpakken een dansje doen, dan vielen ze wel verbluft stil. ‘Neem mij niet kwalijk, heren, maar zou ik ev-‘

Weer liep ze te dagdromen in plaats van op te letten. Ze hadden weer in de gang van de feestvierders terug moeten zijn, maar de kamerdeuren hier waren van gegroefd eikenhout en er waren soort wapenschilden op aangebracht. Het zweet brak Tanja ineens uit. Droomde ze alleen maar? De vloer was van grote, onregelmatige granieten steenplaten, zoals in een kerk. Het was er zo stil als een kerkhof. Toen Nara zich bewoog knisperde het katoen van haar slaap-t-shirt. Nee, het was niet helemaal stil. Ergens klonk een stem, dun, uit een andere wereld. Maar het was een stem, de stem van een ander mens.

Met gespitste oren liep ze door. De stem bleef dun maar werd wel luider, leek iets te roepen. Tanja ademde nauwelijks nog. Toen ze ter hoogte van een van de deuren was en besefte dat het geluid daar weg kwam, liet ze haar adem ontsnappen, teleurgesteld en onzeker. Ze had gehoopt dat ze gewoon iemand was tegengekomen.

Toch klopte ze maar. Waar een mens is, is menselijkheid, dacht ze. Anders zou ze doen alsof ze duizelig was en hulp nodig had. Misschien hadden ze hier zelfs wel wc’s op de kamer.

Het was stil geworden aan de andere kant. Ze klopte nogmaals, bonsde bijna. Toen er niets gebeurde duwde ze de deurkruk omlaag.

Een kamer was er niet. Het was een suite van een verbijsterende weelde die wegrolde naar openslaande terrasdeuren ergens in de verte. Overal glinsterde, krulde en glansde het. In de seconde van verstijfd stilstaan zag ze het enorme bed, een vlakte van rijke stoffen waartegen het naakte lijf van de oudere man die er ruggelings op lag meer uit de toon viel dan dat van de zeer jonge vrouw die tussen zijn gespreide benen zat. Het hoofd van de vrouw keek onbeweeglijk naar Tanja om, alsof haar kloppen de tijd had stil gezet. De man bewoog zich niet, tot hij traag zijn hoofd draaide. Nu zag ze dat op het nachtkastje een inktzwart pistool lag.

Ze deinsde achteruit en knalde de deur achter zich dicht.

‘Kom,’ zei ze alleen maar tegen Nara. Ze renden weg. Pas toen ze tientallen meters verder waren en de deur achter hen nog steeds niet was opengegaan, bleef ze staan om om te kijken. De gang was stil alsof er niets was gebeurd. Er was ook niets gebeurd. Ze dacht aan het stel op het bed en lachte, nerveus, bijna hysterisch.

‘Wat was dat, Mama?’ vroeg Nara.

‘We maakten die mensen aan het schrikken.’

Dat pistool had ze zich vast verbeeld. Maar een ding was zeker: ze wilde hier geen seconde langer meer ronddwalen. Als ze terug waren op hun kamer zou ze de deur op slot draaien en daar blijven tot het ochtend was. En gewoon in het doucheputje plassen.

‘We gaan terug,’ zei ze weer.

Toen de gang met de kloostervloer toch uitkwam bij haar James Bond-hoek, slaakte ze een zucht van verlichting. In de ramen zag ze zichzelf weerspiegeld, met warrig haar en een zichtbare spanning. Het maakte niet uit. Er was hier niemand, er zou hier deze hele vreemde nacht ook niemand zijn. Niet in deze gangen, niet in deze zithoek, niet op het dakterras achter de ramen, waar ze bomen zag wuiven.

Bomen? Ze liep naar de ramen toe, langs de stille, leren stoelen en het gepoetste glazen tafeltje, en keek naar buiten.

Er was helemaal geen dakterras. Er was zelfs geen oud fabrieksterrein. Op een paar meter afstand begon een woud van bmen. Ze waren als vlammen, als asblond haar dat omhoog woof in een bries van stijgende lucht. Ze leken licht te geven en beschenen miljarden korreltjes die ertussen zweefden. Beneden was het aardedonker maar er leek modder te zijn. Er lagen wel knokige, kronkelende stammen, wit als beenderen, en tussen de modder lichtten koraalachtige bloemen en bladeren op, hyacintblauw en oranje.

Ergens hoorde ze Nara’s protesterende stem.

‘We gaan terug,’ zei ze zonder te weten wat ze zei. Ze liepen al weer, de gang in die hun eigen zou moeten zijn maar er totaal niet op leek. De glaswand was er niet en de deuren waren ver van elkaar alsof er geen hotelkamers maar zalen waren. Wat zou ze zien als ze een deur opende? Wilde feesten van mensen uit een andere tijd? Maffiabijeenkomsten rond rokerige tafeltjes? Als aquaria gevulde ruimten waar reuzenvissen in rondzwommen? Ze moest wel dromen. Dit was zo’n krankzinnigen nachtmerrie waarvan ze zich ‘s morgens alleen nog vage beelden zou kunnen herinneren.

Toen hoorde ze weer een stem. Niet pratend, maar neuriënd, en vergezeld door een zacht gerinkel. Een van de zaaldeuren stond open. Met een mengeling van angst en hoop liep Tanja ernaar toe en stak haar hoofd om de hoek.

Ze keek een ontnuchterend gewone conferentiezaal in, met rijen plastic stoelen en een podium met een groot presentatiescherm. Opluchting golfde door haar heen toen ze zag dat er een schoonmaker – nee, schoonmaakster – met een mop bezig was bij het podium. Lang, erg lang haar viel over een grijze schoonmaakoverall waaronder glimmende zwart-leren leggings uitstaken. Naast de vrouw stond een schoonmaakkarretje en de geur van warm sop bracht Tanja weer helemaal terug in de realiteit.

‘Pardon, kunt u mij -‘

Het toonloze geneurie stopte en de gestalte draaide zich om. Nara klemde zich aan Tanja vast. De vrouw was afschuwelijk. Haar mondhoeken hingen, haar neus stond scheef en haar lippen liepen schuin omhoog langs schots en scheefstaande tanden.

Tanja had zelf ook ongewild een stap teruggezet voordat ze zich realiseerde dat ze tegenover een brandwondenslachtoffer stond. Ze stapte meteen weer naar voren en trok Nara dringend mee.

‘We zoeken onze kamer,’ zei ze, toen ze vlakbij was, en probeerde de vrouw in de ogen te kijken en haar blik niet te laten wegglijden naar die verwrongen mond. ‘Nummer 337, in Turbine.’

‘Rechts langs de Tarazaal,’ zei de vrouw. Ze had een raspende stem. Het was geen brandwondenslachtoffer, besefte Tanja ergens. Het was gewoon een ongelooflijk lelijke vrouw.

‘De Tarazaal?’

‘Of links langs de Bregiazaal?’ De vrouw leunde op haar mop.

‘Ik weet niet waar dat allemaal is. Ik -‘

De vrouw lachte spottend en Tanja voelde zich slap worden, alsof ze flauw ging vallen.

‘Denk maar niet dat je hier de weg vindt,’ zei de vrouw. Ze zette de mop tegen haar schoonmaakkarretje en zocht in de zak van haar overall. Tanja’s ogen volgden machteloos de lange, klauwachtige vingers. Ze had echt een pistool op dat nachtkastje gezien. Was die mooie jonge vrouw eigenlijk deze heks geweest die nu een nieuwe prooi zocht?

De hand verscheen weer, met een half-opgerookte sigaret. Een aansteker vlamde en een rookwolk pufte uit de scheve mond. ‘Het is hier één grote kakzooi. Toch?’ Ze keek Tanja door de rook vragend aan.

Het zweet van opluchting brak Tanja uit. ‘We zochten de wc,’ zei ze. ‘Maar je kunt hier geloof ik maar beter gewoon op de grond gaan piesen.’ Ze kon zichzelf wel voor het hoofd slaan. ‘Niet echt, natuurlijk, dat zou ik nooit -‘

‘Schei maar uit, hoor,’ woof de vrouw. Ze had een naambordje op haar overall, zag Tanja nu: Maggie. ‘Kom mee.’

Met de hand van Nara, stil en gefascineerd, in haar eigen, volgde Tanja de rug met het lange haar en de zwarte benen, en de geur van scherpe, ouderwets lekkere sigarettenrook. Maggie haastte zich niet. Bij de loungehoek bukte ze zich rustig om wat twijgen in haar vuilniszak te stoppen die blijkbaar vanuit het vreemde woud dwars door de ruiten het hotel binnen gewaaid waren. Onverstoorbaar rinkelde ze door de gang met de wapenschilden heen. Tanja zag dat op de deur van de weelderige suite nu een bordje hing met ‘Niet storen’. Toen Maggie doodrustig het bordje loshaakte en meenam, smoorde ze een lach. Hoe vreemd alles nog steeds was, met die onaangedane rug voor haar uit had alles weer menselijke proporties gekregen. Aan het einde van de gang was de glazen loopbrug. De verlichte gang aan de overkant was er ook nog, maar ze zag nu dat het geen loopbrug was maar gewoon de glazen wand van hun eigen gang in Turbine. Ze probeerde maar niet te bedenken waar ze zelf was.

Maggie stopte bij een van de nooddeuren in het glas. Ze zette haar karretje op de rem en wierp, met een nonchalante beweging die de sigaret in haar mond deed opwippen, de deur open. De aangename zomerbries die naar binnen kwam blies Tanja’s laatste onrust weg. De wereld zoals ze die kende was langzaam weer op zijn plaats aan het vallen. Ze keek toe hoe Maggie de sproeiflessen met Glassex en Andy op de grond zette en haar sigaret op de rand van het karretje neerlegde, waar hij door de luchtstroom hel oranje bleef gloeien. Zonder verbazing keek ze naar Maggies bewegende handen die in de ruimte tussen de sigaret en de deuropening met lange vingers een bouwwerkje maakten van het bordje en de twijgen. Uit haar ooghoeken zag ze een zwarte schaduwbrug naar de overkant verschijnen, eerst het brugdek en daarna relingen en bogen. Tussen het zwart zag ze de schaduwen van Maggies vormende handen als flapperende kraaien boven de afgrond wieken. Er broeide oranje van de sigarettengloed.

Toen de brug tot de overkant reikte, zei ze: ‘Dank je wel.’

‘Dank u wel,’ zei Nara.

Ze aarzelde geen moment en stapte door de deuropening de brug op.

‘Kom maar,’ zei ze tegen Nara, en begon te lopen, over het lange smalle brugdek dat solide als staal aanvoelde. ‘We gaan naar onze kamer en dan kruipen we lekker weer in bed. Dat hebben we wel verdie-‘

Het oranje licht flakkerde, werd bleker. Het brugdek voor haar voeten werd doorschijnender. Tanja sleurde Nara in een reflex tegen zich aan. Ze greep naar de reling maar haar hand ging er doorheen, al vertelden haar ogen haar dat er nog steeds iets zwarts was. In paniek greep ze toch weer, en nu was er wel staal waar ze zich duizelig tegenaan liet vallen. Het brugdek veerde onder haar als rubber.

Ze wist haar hoofd te draaien. Maggies hoofd achter de deuropening was een wolk kolkende rook geworden. Toen zag Tanja een klauwhand met een gloeiend puntje omlaag gaan. De wolk verdunde, de sigaret lag op zijn oude plek en Maggie’s verwrongen trekken werden weer zichtbaar. Haar blik haakte zich in die van Tanja. Ze haalde haar schouders op, verontschuldigend, en maakte toen een handbeweging, met ongeduld, die duidelijk betekende: loop nou even door. Haar gezicht glom van het zweet.

Tanja liet haar zweterige linkerhand los van de reling en zwaaide onhandig. ‘We moeten opschieten,’ zei ze terwijl ze weer ging lopen, de meters afgrond beneden hen.

‘Waarom dan?’

‘Omdat die mevrouw ons helpt, dan moeten we niet treuzelen. En daar is onze kamer al. We gaan straks de andere kant op naar de wc.’

‘Maar ik ben moe.’

‘Je moet toch plassen?’

‘Ik hoef niet meer,’ zei Nara natuurlijk toen ze aan de overkant waren. Er was ook hier een nooduitgang in het glas, en toen Tanja voelde bleek deze open te zijn.

Ze stapten naar binnen. Tanja wist dat ze pas mocht, moest of wilde kijken toen ze de deur achter zich gesloten hadden.

Er was geen glazen loopbrug aan de overkant.

‘Maar nu moet ik,’ zei ze.

Terug in hun vertrouwde kamer plaste ze in het doucheputje. Als dit een droom was dan bleek ze hopelijk morgenochtend niet in haar slaap in bed geplast te hebben.

Dat was niet zo. Wel hoefde ze helemaal niet toen ze wakker was, zoals anders. Haar linkerhand was vies, en toen ze in het ochtendlicht keek, zag ze bruin-oranje vegen, alsof ze een roestige leuning had vastgehouden. Ze keek naar Nara, die nog diep in slaap was.

Bij de receptie zou ze niet vissen naar Maggie. Dat was even zinloos als vissen naar de gasten achter die kamerdeuren. Alleen ‘s nachts kwam de onderwereld aan de oppervlakte.

Naar Cernach Park

Home