Hier feesten de krijgers

Home

PDF-versie

Stadsdelen zijn als moderne naties: ze zijn óf gegroeid óf aan de tekentafel ontworpen. Partholon hoorde tot de tweede categorie. In weerwil van de antiek klinkende naam was het stadsdeel in de jaren ‘60 en ‘70 met liniaal en pen getrokken. Overdag zag je de ontwerplijnen en de goede bedoelingen terug in de straten en huizenblokken, maar zodra de schemering inviel groeiden de vlakken van schaduw en licht tot een nieuwe wereld.

‘Buurtfeesten,’ sprak Albert terwijl ze liepen. ‘Een terugverlangen naar een rooskleurige wereld waar kinderen met springtouwen op straat spelen en vrouwen in schorten de stoep schrobben. Buurten bestaan enkel nog bij de gratie van een naam en stratenplan. Het zijn de reddingsvlotten waaraan de maatschappelijk werkers op het stadhuis zich wanhopig vastklampen nu de individualiserende samenleving zich over hen heen stort. Sociaal hebben ze geen betekenis meer. Je zou net zo goed van postcodefeesten kunnen spreken.’

‘Voor mijn part noemen ze zo,’ zei Nathan. De schemering was nog niet ingevallen, al waren de straatlantaarns net aan gegaan. Ze liepen langs de flauw gebogen muur die Cernach Park scheidde van Partholon-Zuid. Erachter weg kwam alleen het geluid van vogels en het zeer dunne geruis van boombladeren. De wijdere wereld roezemoesde en lachte. Ook de muziek van het buurtfeest konden ze al horen.

‘En de muziek klinkt hoogstaand. Laat me raden: drie mannen met buiken en petjes op hun kalende koppen, plus een zangeres die een stuk jonger is en te verlegen om iets beters te zoeken. Vroeger moest je wekelijks je gezicht in de kerk laten zien maar tegenwoordig demonstreer je als nieuweling je alliantie aan de stam door een buurtfeest te bezoeken.’ Albert kon eindeloos oreren. Hij liep te gebaren, gedrongen en iets korter dan Nathan, met een onregelmatige voetstap.

‘We blijven een half uur en dan gaan we verder.’ Nathan luisterde niet echt meer. In de paar weken dat in in P-Zuid woonde had hij behalve de bovenburen niemand gesproken. Wat mensen leren kennen was altijd wel verstandig, en het was pas negen uur. Er was nog tijd genoeg voor het casino.

‘… als ze in hun dierenvellen naar kantoor gaan terwijl hun vrouwen thuisblijven en zorgen voor de vijftien kinderen die met het huidige welvaartsniveau netjes de leeftijd van vijf bereiken.’

‘Zeg, hou straks je antropologische analyses alsjeblieft voor je.’

‘Zeven miljard mieren die over de aardkorst krioelen,’ ging Albert onverstoorbaar verder. ‘Dat vraagt om ordening, anders gaan we ten onder in de chaos. Buurtfeesten zijn een manier. Tenzij we gewoon sterke mannen nodig hebben, zoals de bevolking van de grote wereldmachten ons doet geloven? Of zou het zich allemaal vanzelf voltrekken? Zwermgedrag! Weet je wel, vogels die met zijn miljoenen tegelijk door de lucht wentelen. Eentje verandert van richting en een paar seconden later zijn ze allemaal van richting veranderd. Zouden de maatschappelijk werkers het daar wel eens over hebben? Een buurt als een zwerm, buitelend boven asfalt en langs de gevels van steen en glas?’

Nathan snoof maar hij moest ook wel wat lachen. Albert was een rustige, rationele man, in het dagelijks leven teamleider bij een callcenter, maar hij kon soms wild uithalen en de halve wereldgeschiedenis bij zijn absurde redeneringen betrekken. Het was die tweeslachtigheid die Nathan zo aantrekkelijk vond.

‘Straks maar zorgen dat wíj niet botsen,’ zei hij. ‘Dus drink niet te veel.’

‘Die vogels botsen juist niet omdat elk niet verder hoeft te kijken dan de reikwijdte van zijn eigen kraaloogjes. Of kraaloogje, als je er maar één hebt. Nee, ik meen het. Zou dat de oplossing zijn? Dat we iedereen die verder dan zeg honderd meter van ons vandaan is negeren en ons gedrag volledig afstemmen op de mensen direct om ons heen?’

Nathan wilde antwoorden maar stopte toen er drie jongens op een fiets kwamen aangereden, lachend en slingerend. Ze droegen enkel boxershorts en sneakers. Bij het passeren en wierpen ze onverschillige blikken op Albert wiens hinkende gang altijd de aandacht trok.

‘Drink niet te veel,’ herhaalde Nathan toen ze om de bocht verdwenen waren en de muziek van het buurtfeest weer hoorbaar werd. De straatlantaarns gaven slecht licht. Toch wat onguur, besloot hij, langs zo’n muur in zo’n flattenwijk. Zijn gezichtsvermogen was goed maar omdat hij een paar jaar eerder een oog was kwijtgeraakt op oudejaarsavond hadden zijn hersens moeite om vlakken om te zetten in ruimtelijke beelden. In dit uitdovende daglicht leek alles grauwer en minder levend. ‘En we gaan na een half uur weg. Mijn dag is goed als ik vannacht met dubbel mijn inzet thuiskom.’

‘Het is een gewone weekdag, dan heb je vooral de diehards die zich niet onder het laken laten drinken. Dus demp je verwachtingen maar wat. Ik geef in elk geval niet te veel uit.’

Het geschreeuw van de fietsende jongens kwam weer terug en Nathan keek wantrouwend om. Even later verschenen ze om de bocht. Twee renden met dreunende stappen over de stoep, de derde fietste mee. Bier en deodorant woeien voorbij toen ze passeerden. Een eind verderop zag hij de grotere groep jongeren die om een lantaarnpaal hing en in hun richting keek. Hij verstrakte. Albert ook, voelde hij.

De groep viel stil toen ze dichterbij kwamen. Nathan keek rustig en neutraal naar de neergeslingerde spijkerbroeken en T-shirts. Het voelde niet heel bedreigend aan, maar zodra antennes aanvoelden dat ze een homostel waren dan kon dat omslaan.

‘Meneer! Hé meneer!’

Ze deden alsof ze het niet hoorden.

‘Meneer! Wilt u wat doen?’

‘Wat vond u van de straatlantaarns?’ Deze vraag kwam van een jongen met halflang, sluik haar die het middelpunt van het groepje leek te vormen.

Albert bleef staan. Hij draaide zich om, keek de stoep terug tot aan de bocht en zei: ‘Ze leken niet zo goed te branden, maar misschien kwam dat door de barbecuegeuren die ons opwachten? Of door de muziek?’

Slim om het verband te leggen met het buurtfeest, dacht Nathan.

‘Wilt u wat zeggen?’ De sluike stak zijn mobieltje uit naar Albert.

‘Stel dat je eerst eens uitlegt wat de bedoeling is,’ zei Albert vriendelijk.

‘U moet alleen maar wat zeggen.’ Maar de jongen leek te begrijpen dat hij zo niet verder kwam. ‘Die straatlantaarns reageren op wat je doet. Er zitten sensoren in de stoep en dan geef je feedback.’ Hij wees naar een stompe ronde zuil waarop een rood en een groen lampje brandde.

‘Aha. En wat heeft jouw mobieltje ermee te maken?’

Hier had hij iets over gelezen, herinnerde Nathan zich ineens. Er waren straatlantaarns geplaatst die reageerden op passanten. Of het nou mindervaliden waren of ongure types, als er iemand passeerde die onzeker of langzaam liep dan gaven ze meer licht.

‘Smart lantaarnpalen,’ zei hij tegen Albert.

‘O ja, nu weet ik het weer. Geweldig. Als motorisch beperkte ben ik van een kilometer afstand te herkennen voor een ieder die belangstelling heeft voor mijn portemonnee.’

‘Dat moet u zeggen!’ zei de sluike jongen meteen en stak het mobieltje weer uit.

Albert zuchtte. ‘Nou, vooruit dan maar.’ Hij dacht even na, boog zich naar het mobieltje toe en zei langzaam: ‘Uit deze wandelervaring heb ik kunnen opmaken dat het licht altijd scheidslijnen zal blijven trekken tussen wie er zijn en wie er niet horen te zijn.’

Ze luisterden natuurlijk niet maar bogen zich meteen over het mobieltje. Twee sprongen al weer op de fiets en reden weg. Het was alsof Nathan en Albert niet meer bestonden. Nathans gevoel van opluchting sloeg om in ergernis. Hij wilde Albert meetrekken, maar die bleef staan kijken met een milde, verwachtingsvolle gezichtsuitdrukking.

De sluike jongen ging naar de zuil en drukte op de rode knop. Toen hield hij zijn mobieltje bij een paneel met spreekgaatjes. Alberts stem klonk, maar totaal vervormd. Het ene moment kwamen de woorden eindeloos traag en het volgende moment stripfiguur-snel.

‘Ik geloof dat ik het begin te begrijpen,’ zei Albert. Hij draaide zich net als de jongens om en keek terug in de richting van waaruit ze waren gekomen. Ze hoefde niet lang te wachten. Om de bocht verschenen het tweetal, eentje fietsend en eentje rustig lopend. Een afwachtend gezoem ging op dat abrupt stil werd. Nathan hoorde nu dat de muziek van het buurtfeest was gestopt. Als ze niet opschoten dan hadden ze hier helemaal niet langs hoeven gaan. Hij wilde net Albert aan zijn arm trekken toen het licht van de hele rij straatlantaarns vreemd begon te golven.

Er barstte een gejuich los.

‘Nou, fijn om van dienst te zijn geweest,’ zei Albert, maar ze hoorden het niet eens.

‘Angst is te ruiken,’ zei hij tegen Nathan toen ze verder liepen. ‘Bekijk het van een rationele kant, dat voelen oermensen aan.’

‘Ja, duh, daar heb je wat aan.’

‘Het enige dat ik niet begrijp is waarom ze hun broeken hadden uitgetrokken. Gewoon voor de lol?’ Hij verviel in een stilzwijgen.

Het daglicht was al grauw aan het worden toen ze het plein op kwamen. Gezellig licht scheen uit de vuurkorven die her en der stonden en verderop was een grote man in een versleten T-shirt rustig en geconcentreerd achter een barbecue bezig. Er stonden een paar mannen met petjes bij.

‘Die heeft een lange adem,’ zei Nathan. ‘Dit begon al om drie uur.’

De man achter de barbecue keek op toen ze kwamen aanlopen, bekeek Nathan snel van top tot teen en begroette hen toen hartelijk.

‘Kit Makking,’ stelde hij zichzelf voor en stak een stevige, vettige hand uit. ‘Nathan Snel, zei je? Leuk om je te leren kennen. Ik zag je bij je verhuizing bezig. Een week of vier, vijf geleden?’

‘Zoiets, ja.’

‘Je treft het dat we net ons jaarlijkse buurtfeest hebben. Een mooie gelegenheid om wat mensen te leren kennen.’

‘Dat dachten wij ook.’

Kits blik flitste even heen en weer.

‘Geen bijster schilderachtige setting, zo tussen het beton,’ zei Albert.

Kit begon met ervaren hand de in zilverpapier verpakte pakketjes op het rooster te keren. Af en toe siste er vallend vocht. ‘Als je onder architectuur gebouwde huizen wilt dan moet je in de buurt hiernaast zijn. Waar iedereen verder langs elkaar heen leeft en waar je een maand dood in je huis kan liggen zonder dat iemand het merkt.’

‘Hier gaan buurtbewoners en hamlappen gebroederlijk met elkaar om, begrijp ik.’

Kit lachte. ‘Precies. Overigens zijn hier geen hamlappen onderweg maar courgettes gemarineerd à la Kit Makking. Een beroemde plaatselijke delicatesse, ook als je vleeseter bent, dus zorg dat je er straks op tijd bij bent. Ik zou zeggen: begin vast met salade en brood. Frisdrank kan je gewoon pakken maar voor een biertje moet je bij Wouter daar zijn. Diens lijst staat tussen jou en het sprankelende vocht in. De ambtenaren op het stadhuis eisen dat wij onszelf ordentelijk administreren.’ Hij knipoogde en richtte zich weer op de barbecue.

Albert wendde zich tot de bandleden en vroeg of ze nog een set zouden gaan spelen. Nathan luisterde en at twee stukken stokbrood met salade uit een openstaande plastic doos. Het was lekker en hij constateerde dat hij zich toch wel vermaakte. Albert ook, dacht hij, al proefde hij in diens social talk wel voortdurend een geamuseerdheid die later vanavond ongetwijfeld zou uitbarsten in die aanstekelijke lach die Nathan zo aantrekkelijk vond. Maar de sfeer was gemoedelijk en hij had niet het gevoel dat mensen verwachtten dat hij actief met allerlei dingen in de buurt ging meedoen. Dat was ook niets voor hem. Hij wilde zijn eigen vrienden en conversatie bepalen en in een miljoenenstad als Dubblai hoefde je daarvoor niet te beperken tot je eigen buurt. Zo had hij Albert ook ontmoet, een paar maanden geleden via de social media.

Het werd langzaam donkerder. Van het groepje rondom Nathan en Albert was alleen Jos van de band nog over en Ramon, een man in een metal-T-shirt die wat jonger was. Het was allemaal zo ontspannen dat hij Albert volgde toen die met het tweetal om een tafel ging zitten. Wouter van het bier schoof ook aan.

Albert was nu rustiger en de mannen richtten zich tot Nathan. Desgevraagd vertelde hij dat hij grafisch ontwerper was en vooral op contractbasis werkte. Een koophuis zat er nog lang niet in en hij was blij dat hij genoeg punten had gehad voor een benedenwoning in de Partholon-Zuid.

‘Je hebt goed gekozen,’ zei Wouter. Hij had een grijzend baardje en een shirt dat strak om zijn volle buik spande. ‘Het is een goede buurt, P-Zuid. Echt met elkaar.’

‘Zoals deze barbecue. Jullie waren hier vanmiddag niet, maar toen kon je echt over de hoofden heenlopen,’ zei Ramon.

‘En gewoon ook dingen voor elkaar doen. Mensen wisselen vuilpasjes uit, als je te veel hebt en je kunt het niet betalen.’

‘Als een arm gezin geflitst wordt dan gaat Kit met de buurtagent praten en dan valt er vaak wel iets te regelen.’

‘Op het stadhuis kennen ze Kit Makking, ze weten dat ze niet om hem heen kunnen.’

Jos tikte op tafel. ‘Daar gaat het niet om, Ramon. Ze weten dat dingen hier gewoon goed gaan als ze naar hem luisteren. Kit snapt hoe het hier werkt.’

Iedereen keek naar de grote man in zijn vale, purperen T-shirt die nu bezig was met het afsluiten van de barbecue en het opruimen en inpakken van flesjes en potjes. Even later kwam hij met een grote bierpul naar hen toe en liet zich in een stoel zakken.

‘Hè hè, nu eens even de benen rust gunnen.’ Hij leunde achteruit, wroette in zijn broekzak en haalde een pakje sigaretten en een aansteker tevoorschijn. Zijn gezicht, glimmend van het zweet, lichtte op in het vlammetje. ‘Als iemand er last van heeft dan gaat hij maar ergens anders zitten,’ zei hij en blies een scherpruikende rookwolk uit.

Alle hoofden draaiden naar Albert toe.

‘Nou, wie zal hier de baas in huis zijn, vraag je je dan af,’ zei Kit opgeruimd.

Wouter en Ramon grijnsden en Nathan voelde zijn gezicht rood worden. Voordat hij kon zeggen wat hij dacht vervolgde Kit: ‘Ik zag jullie denken: zo’n buurtfeest, dat zullen wel van die primitieve toestanden zijn, dus ik spreek het maar even uit. Dan is het gezegd en kunnen we de deur naar de oertijd sluiten.’ Hij knipoogde naar Nathan.

‘Wat voor software gebruik je?’ vroeg Jos aan Nathan. ‘Mijn zus werkt ook in de grafische industrie en daar hadden ze laatst veel gedoe omdat een of ander ondersteuningsprogramma niet meer werd geüpdatet. Dat kostte ze handenvol geld.’

Nathan ging er op in maar al na een paar woorden sneed Albert er doorheen.

‘Wie zal hier de koning van de buurt zijn, vraag je je af,’ zei hij.

Kit, die achteruitgeleund had zitten luisteren, keek verrast. Maar hij nam een trek van zijn sigaret en glimlachte. ‘Ja, wie zal dat zijn?’ Hij spreidde zijn armen uit alsof hij de hele wereld erin wilde sluiten. ‘Koning van P-Zuid! Het mooiste en machtigste rijk op aarde.’

‘Koning Kit,’ zei Jos.

‘Als de koning zijn strijdwagens dubbel parkeert dan hoeft hij zich niet te verantwoorden bij de parkeerpolitie, hoor ik net,’ zei Albert, en Kit lachte.

Het was goedmoedig, maar Nathan was er niet helemaal gelukkig mee. Hij probeerde tevergeefs Alberts blik te vangen, die onverstoorbaar doorging: ‘In vervlogen tijden moest een koning perfect zijn en geen been of oog missen. Anders moest hij het veld ruimen, of zichzelf offeren om de vruchtbaarheid van de stam te garanderen.’

‘De stam hoeft het van jouw vruchtbaarheid in elk geval niet te hebben,’ zei Wouter.

‘Op koning Kit!’ zei Ramon en hief zijn kartonnen bekertje.

Kit hief zijn pul ook. ‘Koning van de barbecue, Is dat wat je bedoelt, Albert?’

‘Of koning van drie straten en een feedbackpaal?’

‘Volgens mij wordt het hoog tijd dat wij eens -’ begon Nathan.

‘Krijgen jullie subsidie voor zo’n buurtfeest?’ ging Albert verder.

‘Jazeker,’ zei Kit, voelbaar bekoeld maar nog steeds joviaal. ‘Gelukkig hoef je tegenwoordig geen koninklijke herberg in permanente staat van paraatheid te houden om de krijgers van het rijk te entertainen.’

‘Is jouw ene been korter of zo?’ vroeg Ramon.

‘Dan is zijn ene bal vast ook kleiner,’ zei Wouter.

‘Van Ligten heette je toch?’ zei Ramon. ‘Als jullie trouwen dan hebben we het echtpaar Sneller dan het Ligt.’

‘Met die ene bal zal het anders niet zo flitsend gaan.’

Kit stond op voordat Nathan dat kon doen. Er viel meteen een stilte.

‘Met de vrouwen en kinderen veilig binnenshuis is het tijd dat zij die hen verdedigen krijgen wat hen toekomt,’ zei hij plechtig, en liep naar de gedoofde barbecue.

Nathan liet zijn adem ontsnappen en probeerde zijn gezicht neutraal en wat ironisch te houden. Hij had een bloedhekel aan dit soort sfeertjes. De andere tafels waren leeg, zag hij ineens. De meeste vuurkorven waren uitgedoofd en het licht kwam nu bijna helemaal van de straatlantaarns die het plein opkwamen en in een straat aan de overkant weer uit het zicht verdwenen.

Kit kwam weer terug, groot maar met stille aandacht voor een metalen pan die hij in zijn handen koesterde als een baby. Toen hij hem voorzichtig op tafel neerzette zag Nathan dat er onderin een lichtschijnsel flakkerde.

‘Zo.’ Kit haalde de deksel eraf. Iedereen boog zich naar voren. Bij de aanblik van de grote stukken varkensvlees met knapperige randjes die ronddobberden in een geurige saus steeg er een waarderend gemompel op.

‘Hiertoe heeft deze hele avond geleid,’ sprak Kit. ‘Lendekarbonade van keurslager Roos op de Erasmusdreef, met zorg gemarineerd en bereid in een eerlijke kluit roomboter. Heren, tast toe, nu het licht heeft plaatsgemaakt voor het duister.’

Het had toch wel iets behaaglijks, met zijn vijven rondom die rossig verlichte pan. Erbuiten was alles een palet van grauw licht en harde schaduw. De geur van specerijen uit de pan overheerste maar Nathan rook ook vleugen afkoelend asfalt, bomen en gras. Van snelwegen in de verte kwam monotoon gezoem en de muziek van autoradio’s.

Ze staken hun plastic vorken uit naar de pan. Toen tikte Wouter die van Albert aan de kant.

‘Wat maakt dat heer Bliksemschicht denkt dat hij recht heeft op het beste vlees van de avond?’

Nathan maakte een geluid en trok met een ruk zijn vork terug.

‘De avond,’ sprak Kit. ‘De tijd waarin licht overgaat in duisternis, die twee oudste krachten in het universum. Het zonnewiel in een wereld van autowielen, de fluwelen schaduwen van beton op beton. Innig vervlochten en in elkaar overvloeiend. Zonder de een kan de ander niet bestaan, maar als het licht verdwenen lijkt te zijn blijft de mens in ontreddering achter.’

Nathan draaide zich nadrukkelijk naar Kit toe. ‘Je weet veel van dit soort dingen. Heb je iets in deze richting gestudeerd? Of is het gewoon belangstelling?’ Hij stak zijn vork uit, prikte er een stuk vlees op en stak het in zijn mond. Het wás goed, mals en subliem gekruid. Al kauwend keek hij vragend naar Kit op. Zolang die zemelde over de krachten van het universum hielden Albert en andere conflict-zoekers in het gezelschap hun stomme smoelen. Hij besloot om genoeg van het vlees te eten om Kit te laten zien dat hij diens inspanningen en kookkunst waardeerde en dan weg te gaan.

Alleen Jos at mee. Kit zweeg en rookte en de anderen wachtten met hun vorken in de lucht af.

Albert zei: ‘Een stuk ham, Kit Makking? Kan de koning van P-Zuid niet meer aanbieden aan gasten die zijn tafel eer komen aandoen?’

Nathan stond op. Albert kon in zijn eentje naar het casino gaan of gewoon de pleuris krijgen.

‘Wat brengt heer Bliksemschicht zelf ter tafel?’ vroeg Kit.

‘Vreemdelingen brengen verstoring en onrust, ziekte en rampspoed. Ze brengen duisternis en angst.’

‘O ja, Kuifje en de Zonnetempel,’ zei Jos. ‘Weet je wel? Ze lezen in een oud krantenknipsel dat er een zonsverduistering komt en dan laten ze zogenaamd de zon ophouden met schijnen. De inboorlingen in paniek en ze worden vrijgelaten.’ De spanning leek volledig langs hem heen te gaan want hij zat smakelijk te eten. Ramon en Wouter niet, die keken stil van Kit naar Albert en weer terug.

Albert wierp Jos een geamuseerde blik toe. ‘Zou het koninkrijk van Kit Makking ophouden te bestaan als het licht verdween? O nee, daar gaan de computers over, en anders wel de ambtenaren op het stadhuis.’ Hij gebaarde naar de straatlantaarns.

‘Heer Bliksemschicht is een dronken god die met één knip van zijn vinger het universum kan wegvagen,’ zei Kit, ‘tot schrik van de inboorlingen.’

‘Precies,’ zei Nathan luid, omdat hij besefte dat hij Albert hier niet met zijn dronken kop kon achterlaten, ‘en het is hoog tijd dat wij -’

‘Hij is natuurlijk een hacker, zei Jos. ‘Straks doven de straatlantaarns en is het hier stikkedonker.’

‘Met die ene bal zal heer Bliksemschicht niet zoveel wegva-’ begon Wouter.

‘Onze woning of die van jou?’

Albert en Kit hielden elkaars blik vast. Het duurde een paar seconden voordat Nathan besefte wat Albert bedoelde. ‘Wát?’

Ramon was de eerste die ging lachen. ‘Een tweede huis in de Hamarskjöldstraat, daar zou ik geen nee tegen zeggen, Kit! Het kan morgen van jou zijn als wij je voordragen. Zo geregeld via internet.’

‘Niet als heer Bliksemschicht wint,’ wierp Wouter tegen.

‘Niemand krijgt hier zomaar twee huizen,’ zei Jos. ‘Zeker niet als er urgenten -’

‘Dan kom je bij mij op zolder wonen, jongen! Als je net zo kookt als nu, tenminste.’

Zweet prikte onder Nathans oksels. Van de sullige Jos hoefde hij geen steun te verwachten en aan Kits gezicht kon hij zien dat Albert nu echt over een grens was gegaan.

‘Laat maar zien, heer Bliksemschicht,’ zei Kit.

Alles was onafwendbaar geworden, zoals het opgaan van de zon of het invallen van de duisternis. Nathan ging langzaam weer zitten. Ze keken allemaal toe hoe Albert opstond, zijn vork neerlegde en het plein over liep in de richting van de lantaarnpalen. Bij de eerste lantaarn bleef staan en boog zich over zijn mobieltje.

Na een minuut werden de mannen onrustig.

‘Hoeveel tijd is er verstreken?’

‘Is dat wat hij probeert? Gewoon staan wachten tot we er genoeg van hebben en weggaan?’

‘Dan moet hij lang staan wachten. Hij is mank, vergeet dat niet.’

‘Bij een manke gaan ze juist feller branden.’

‘Hij heeft natuurlijk bij de jongens iets gezien, anders flikte hij dit niet.’

‘Hopelijk houdt hij wél zijn broek aan.’

‘Ja, bespaar me.’

Kit had een nieuwe sigaret had opgestoken maar mengde zich niet in het gesprek. De geur van karamelliserende saus op de bodem van de pan werd sterker terwijl de minuten verstreken. Nathan kon alleen maar zitten, kijkend naar die vertrouwde figuur die daar roerloos stond, het hoofd gebogen. De vingers leken niet te bewegen. De wereld buiten het lichtschijnsel van de lantaarns bestond uit vlakken en vierkanten van steen en beton, als de schubben van een slapende wereldslang. Het leven leek eruit te zijn, alsof dat enkel nog hier bestond, in het flakkerende licht onder de pan. Of zou het ineens oplaaien in de verte? De vuren van plunderingen, het geloei van weggevoerd vee, het gekraak van de rieten manden en de houten wielen van strijdwagens? Wat zou er gebeuren met het leven hier, aan de tafel met de witte plastic vorken en de kartonnen bierbekertjes, met het minimale licht dat op Kits pul scheen en op de gezichten van de kijkende mannen en Nathans koude handen?

Er ging een schok door de wereld toen Albert, na ruim vier minuten, in beweging kwam en aan de ongeveer zestig meter naar de feedbackpaal aan de andere kant van het plein begon.

‘Hij hinkt nog erger,’ zei iemand.

Nathan zag het ook. Was Alberts dronken roekeloosheid verdwenen en begreep hij wat hij teweeg had gebracht? Nathan dacht koortsachtig na. ‘Ik vind het heel vervelend dat het zo is gelopen,’ zou hij straks kunnen zeggen, of klonk dat te kakkerig? ‘Dit is wel een zooi, hè, ik ga die dronken tor maar eens naar huis brengen.’ Dat zou wel weer vervelende grappen opleveren. En Kit was er ook nog. Die moest hij dan later maar eens opzoeken om sorry te zeggen. Of – en het zweet brak hem nu overal uit – was Kit zo beledigd dat hij zou eisen dat Nathan nu via internet zijn woning opzegde?

Toen Albert de feedbackzaal bereikte en zich naar het spreekgedeelte boog, was de stilte intens. Ze zagen Alberts lippen bewegen, en hem weer overeind komen. Tien, twintig doodstille seconden verstreken, met enkel het ruisen van de snelwegen op de achtergrond.

Toen doofden de lantaarnpalen abrupt.

Iedereen bleef stil zitten. Nathan ook, tot hij besefte dat hij nú iets moest doen. Hij wist zijn koude, zweterige armen in beweging te krijgen en begon te klappen.

‘Yeeeaah!’ riep hij. Het had niet schriller en lulliger kunnen klinken, maar het bracht Albert bij de feedbackpaal in beweging en de handen van de mannen ook. Die begonnen langzaam mee te klappen, al juichte niemand.

‘Nou, jongen,’ begon Wouter tegen Kit. ‘Morgenochtend meteen om negen uur maar even bellen met de woningbouw om je huuropzegging ongedaan…’ Maar Albert was bijna bij de tafel en zijn stem stierf weg.

Bij de tafel bleef Albert staan.

Kit keek naar hem op.

‘Koning van de duisternis…’ begon Albert.

Hij hief een hand. ‘… en van het licht.’

Bijna meteen floepten de lantaarns weer aan en Nathan knipperde met zijn ogen tegen het ineens vreemd felle licht. Hij zag de gezichten van de anderen, ook knipperend.

Toen lachte Albert op zijn wilde manier. Hij pakte zijn bierbekertje en hief het. ‘Op deze geweldige buurt, waar sportiviteit hoog in het vaandel staat en waar de sfeer nog niet verziekt en verzeikt is door betutteling en truttigheid. Op Partholon-Zuid!’

Tot Nathans onbeschrijfelijke opluchting lekte de spanning weg. Meer bekertjes werden geheven, en toen ook Kit grijnsde en zijn pul hief barstte er een gejuich los.

Dit was het moment. ‘Bedankt voor de gezellige avond,’ riep Nathan. ‘Wij gaan er weer eens vandoor. Maak het niet te laat.’

Gelukkig ging Albert gewillig mee. Toen ze wegliepen voelde Nathan de ogen van de pratende mannen en de stille Kit in hun ruggen prikken. Hij was eindeloos opgelucht toen ze de hoek om waren.

Daar bleef Albert staan, draaide zich naar Nathan toe en begon bulderend te lachen. ‘Geweldig, wat een avond!’

Nathans gespannen zenuwen knapten nu. ‘Snap je niet hoe gevaarlijk je bezig was, klootzak? Reken maar dat ik hier last van ga krijgen. En hoezo ‘ónze woning’, waar haal je de – en wat denk je dat dit gaat betekenen voor míj?’’

‘Je vat het veel te serieus op, joh, je heb je ook laten meeslepen. Bij daglicht doen mensen andere dingen dan ‘s nachts. Sterker nog, het zou me niets verbazen als die lul van een Wouter nog eens voor jou op de bres gaat. Jullie hebben een ervaring gedeeld en zoiets schept een band. En anders is de grote Kit Makking er nog altijd.’

‘Die jij voor schut hebt gezet.’

‘Zolang jij laat blijken dat Kit Makking jouw koning is zal hij je beschermen, jongen. Een koning duldt geen rottigheid in zijn rijk.’ Albert begon weer te lachen. ‘Wat een geluk dat onze brave bassist Jos toehapte. Ik begon te al te vrezen dat we in vaag mythologische geneuzel van Koning Kit zouden blijven steken.’

Nathan maakte een gefrustreerd geluid. Albert floot zachtjes, en na een tijdje kon hij, ondanks zichzelf, zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen.

‘Maar hoe heb je het gedaan?’

Albert grijnsde. ‘Je wist het nog niet, maar ik ben echt de koning van licht en duisternis.’

‘Schei uit.’

‘Simpelheid is altijd het antwoord op de grote vragen van het leven.’ Albert lachte. ‘Ken je Meldpunt Nu! van de gemeente? Waar je losliggende stoeptegels en dergelijke kunt melden? Er is ook een spoednummer. Daar zitten 24 uur per dag ambtenaren die zorgen voor snelle actie als er echt een gevaarlijke situatie is. Ik heb een verontwaardigde app gestuurd. Dat ik slecht ter been ben, een parkeerpas heb en op het Ghandiplein bijna ben gevallen omdat de lantaarns flikkerden. De dienstdoende ambtenaar is het gaan onderzoeken en heeft natuurlijk gezien dat er rond negen uur geruime tijd gedonderd is met de lantaarns. Na een minuut of vier kreeg ik een appje, met excuses en dat ze het meteen handmatig gingen corrigeren. Toen ben ik gaan lopen. Ik gokte dat het op een rustige doordeweekse avond niet lang zou duren. Toen ik, heel rustig lopend, bij de feedbackpaal was en mijn hand uitstrekte, hoorde ik het verlossende piepje.’ Hij haalde zijn mobiel tevoorschijn en liet het bericht zien: ‘We hebben gereset. We vertrouwen erop dat alles nu weer normaal is en wensen u verder nog een prettige avond toe.”

‘Maar waarom gingen ze dan uit?’

‘Die broeken brachten me op het idee. Om negen uur was het nog licht, daarom moesten ze kleren op de lantaarnkoppen gooien. Met een reset gingen ze dus uit.’

‘En daar daar ben je allemaal maar vanuit gegaan.’

‘Er kan altijd wat misgaan in het leven, daar moet je je niet door laten leiden.’

‘En dan míjn woning -’ Nathan besloot er maar niet verder op in te gaan. ‘En toen je je hand op stak, toen je weer bij de tafel was?’

‘Uit het gedoe met de kleren blijkt dat er ook sensoren in die lampenkoppen zelf zitten. Dus kort na de reset constateerden onze smart straatlantaarns dat het toch donker was en floepten ze aan. Nee, daar was ik niet zorgelijk over.’ Albert was stil en lachte toen weer. Het schalde door de straat. ‘Niet te geloven. En dat kan je hier zomaar meemaken. Een avondje in de krochten van de menselijke oerinstincten. Alleen jammer dat ik geen hap van die voortreffelijke stoofpot heb gegeten. Maar ja, ik behoor natuurlijk ook niet tot de stam der Zuid-Partholaren.’ Hij trok Nathan abrupt tegen zich aan maar liet hem al gauw weer los. ‘Goed, goed, ik houd al op. De buren zouden het eens kunnen zien.’

 

Naar Cernach Park

Naar Alledaagse vreemdheid

Home