Denkwolken in het tijdperk van de polypunk

PDF-versie

Dit is een heldenstrip. Te onbekwaam om zoiets te tekenen en te lui om het te leren beperk ik me tot een beschrijving van wat op de plaatjes staat.

Op de eerste tekening zie je de setting: Dubblai, stad der steden, metropool der metropolen. Je ziet flats, vooral imposant maar niet realistisch. Als een stad er echt zo uitzag dan was iedereen binnen 24 uur geëmigreerd. Veel te onpraktisch. We zoomen in en we zien straten, huizen, winkels, voertuigen, mensen. Een stad waar mensen zich haasten.

Dan zien we, in close-up, burgemeester Kit Mahy. We zien ook het bureau in zijn werkkamer met paperassen, massief gouden vulpennen, en zijn beruchte presse-papier bestaande uit de in kalk gegoten hersens van zijn voorganger. We zien hem eten, bekonkelen en beschikken, omgeven door zijn Zware Mannen, oerlelijk met hun stoppelkinnen en spierballen. Hij is de klassieke, corrupte godvader die nooit een belediging vergeet en die aan de touwtjes van alle marionetten van het kwaad trekt.

Maar weer terug naar de straten van Dubblai. Daar loopt een kleine, onopvallende man in vrij nette kleren. Spierballen heeft hij niet en zijn sluike haar is al wat dun aan het worden. Aan de buitenkant kun je het niet zien, maar hij is datective: een speurder die onbelangrijk geachte data gebruikt om verbanden te zoeken. Aed Slaine! Trouwe volgers van deze held weten dat hij niet omkoopbaar of intimideerbaar is, dat hij zegt wat hij denkt en dat zijn conclusies loepzuiver zijn.

Dit album over onze favoriete stripheld begint in de kerkers van Kit Mahy, aan het Ensorplein. Niet erg fantasievol allemaal. We zien de obligate kale muren, kale beulen en vage martelwerktuigen. Aed Slaine hangt aan zijn enkels aan een –

Ho, wacht even. Wat is de tekenstijl? Klare lijnen, dat is altijd goed. En heldere kleuren, een beetje schril zelfs. Denk aan Kuifje, aan Blake & Mortimer, die strips van halverwege de twintigste eeuw, van die romantische tijd waarin je dood nog niet zou willen leven, met de nog volop in zwang zijnde kolonisatie en ongelijkheid. Die heerlijke tijd van wakkere reporters, erudiete maar doortastende wetenschappers en van stoere kinnen voorziene legerkapiteins.

En de tijd van de polypunk! Ah, het prachtige tijdperk van het plastic! De kathedraalhoge 3D-printers met hun hallen en rokende pijpen die dag en nacht de plastic stenen van de stad van hun banden laten rollen. De stadsdelen als termietenheuvels, als fractals van eindeloze kubusjes, zalig voor de striptekenaar die zich paginagroot en tot in minutieus detail wil uitleven. De moleculen van de thermo- en duroplasten, van polyfenyleenoxide, van (C8H8O)n en het heerlijke (C13H8)n. De gevels in hun heldere kleuren, langzaam verblekend tot koesterend-oude monumenten. De nostalgische winkels met hun bakeliet-uitstallingen. De mannen van de gemeente in hun nette uniformen die versleten stoepranden vervangen, het geklop van hun hamertjes en de vrolijke, felle kleuren als gevallen bladeren in hun spoor. En natuurlijk de metrobuizen van plexiglas, glinsterende spinnenragdraden op hoge poten, waardoor de pneumatisch aangedreven treinen razen.

Dat dus. Maar nu terug naar het verhaal. Zo’n fijne oude strip heeft altijd dezelfde opbouw. We beginnen met een gewone situatie waarin de held iets vreemds meemaakt. Natuurlijk gaat hij op onderzoek uit. In het holst van de nacht wordt hij belaagd door schurken die not amused zijn over zijn nieuwsgierigheid. Er is een verhitte jacht die uitmondt in een penibele situatie en een onaangename verrassing. Onze held ontdekt hoe alles zit, maar niet hoe hij zich eruit redt. Maar natuurlijk is er een ontsnapping. Als de zaak is opgelost geniet onze held, bewierookt en wel, van een goede kop koffie of een copieus diner met een goed wijntje. En dit alles lekker tot de verbeelding sprekend, lichtelijk onrealistisch en nogal rolbevestigend.

Dus we beginnen even opnieuw. Aed Slaine zit samen met een even financieel gefortuneerde mannelijke vriend op een terras en ineens rent er een schoffie tegen – nee, Aed is een solist en een ploeterende gezinsman. Opnieuw. Aed Slaine slentert door een museum en ineens klinkt er glasgerinkel, waarop hij het levenloze lichaam van de onfortuinlijke conservator naast de gebroken vitrine – nee, Aed heeft niets met cultuur. Opnieuw. Aed Slaine vaart op een cruiseboot naar het exotische – nee. Eigenlijk leent Aed Slaine zich gewoon niet voor een heldenstrip. Hij is nogal kleurloos. Hij is het type dat in zijn uppie op een grauw metrostation met een bekertje beroerde cappuccino de Wifi zit af te tappen.

Maar we moeten ergens beginnen. Dus Aed Slaine hangt aan zijn enkels aan een haak in de kerkers van burgemeester Kit Mahy. We zien een close-up (ondersteboven) van zijn bezwete en gespannen gezicht, we zien de grijnzende stoppelkinnen van de Zware Jongens en we zien Kit Mahy himself, die vragen stelt met een buitenlands accent.

Jai noemt jaiself ‘datective’. Ies dat ain soort detective?’ (Enzovoorts.)

Zo kunt u het noemen. Ik trek op verzoek antecedenten na voor werkgevers en verzekeraars.’

Een denkwolkje: ‘Hoe ik dat doe ga ik jou niet vertellen, Mr Bokito.’

Close-up van een jaren ‘50-visitekaartje. ‘De heer Aed Slaine. Datective. Modern en vertrouwelijk. Referenties beschikbaar.’

En wat deed je in Cnucha op 28 september?’

Aeds verbaasde gezicht. ‘De zelfdoding van Nathan Snel?’

Hier een close-up van het papieren paspoort van Nathan Snel, waarop we zien dat hij een sympathieke jongeman met donker haar is, 27 en ongehuwd. Daarna zien we een paar bungelende onderbenen.

Snel was enkel een sollicitant die ik onderzocht op verzoek van een van de bedrijfjes op dat industrieterrein. Ik doe geen politiewerk.’

Blikkerende grijnzen alom. ‘Nee, dat doen wij wel. Hèhèhè.’

Dan zien we hem weer op straat, Aed. Rustig, natuurlijk, want hij is niet intimideerbaar, maar wel ontstemd over de onrechtvaardigheid en corruptie van machthebbers. Hij loopt met zijn blik naar de grond en denkt in wolkjes na. ‘Waarom heeft Kit Mahy belangstelling voor een zelfdoding in een loods op het industrieterrein Cnucha?’ ‘Nathan Snel was een marketingdeskundige, geen crimineel.’

Aed Slaine kijkt vastbesloten.

Het is intussen bijna donker. Niets aantrekkelijkers om te tekenen dan een schimmig straatje met ouderwetse straatlantaarns, neon en kleurrijke types. Natuurlijk gaat Aed een café binnen. De clientèle herkennen we aan hun grijnzende stoppelkinnen, maar ze hebben het te druk met hun geruzie, gekonkel en gepoker om de tengere man te zien die even als silhouet afsteekt tegen de deuropening en dan naar binnen gaat. Bij de barman een bescheiden formaat bier bestelt.

Wat hij met het bier doet kunnen we ons niet voorstellen, maar op de volgende afbeelding zien we hem de wc-ruimte binnengaan. Je kent het wel: schuttingtaal, pisbakken en spiegels waarin we onze held even weerkaatst zien. O, mét het glas bier, zien we nu. Er zijn twee wc-hokjes, met deuren die niet helemaal tot de grond reiken. Aed gaat een van de hokjes binnen en giet het glas bier op de grond leeg. Uit zijn schoudertas haalt hij een vel papier en een stift tevoorschijn. Even later is de wc-ruimte ogenschijnlijk uitgestorven, met enkel een plas gelig vocht onder een wc-deur waarop de mededeling DEFECT is te lezen.

Aed heeft zich geïnstalleerd op de wc-bril, omringd door zijn hack-apparatuur. Data sjeest over het scherm van zijn laptop. Er zijn bijna twintig smartphones ingelogd op de onbeveiligde Wifi van het café en zijn laptop laat zien van welke andere Wifi-netwerken zij de afgelopen periode hebben gebruikgemaakt en welke websites de Zware Jongens hebben bezocht. Natuurlijk denkt Aed hardop na, in taal die past bij zijn stripheldenstatus.

Jacks Fancy, dat beruchte criminele hol. Illegaal prijsvechten dus. Dat bevestigt dat dit bepaald geen keurige ambtenaren zijn.’

Er is veel belangstelling voor de kritische vlogs van Dylan Vergaal. Nee, onze eerzame burgemeester houdt niet zo van de vrije pers.’

De Wifi van de KFC aan de rand van het industrieterrein Cnucha wordt veel gebruikt. Blijkbaar lusten deze heren wel een gefrituurd kippetje.’

Zou dit alles iets te maken hebben met de dood van de onfortuinlijke Nathan Snel?’

Dit vraagt om onderzoek.’

Voor een pientere stripheld maakt iedereen altijd zijn agenda leeg. Op de volgende pagina zien we Aed in een luxueus kantoor. Een slanke man in een pak – het had ook een lijvige man in een pak kunnen zijn, maar het is in elk geval een man – staat aan de overkant van een bureau. Op het bordje staat een handig houten bordje met gouden letters waarop ‘Quintus Kwaekernaath’ te lezen valt.

Goed om je te zien, Aed. Alles goed met Etina en de kinderen?’ zegt de man terwijl hij iets alcoholisch inschenkt.

Het kon niet beter,’ zegt Aed ontspannen.

Waar ben je tegenwoordig mee bezig? Nog altijd met je ‘datectie’?’ Tanden worden ontbloot.

Je hebt het nooit serieus willen nemen, Quintus,’ zegt Aed.

Wat verwacht je van me? Een notaris houdt van onomstotelijke feiten, niet van vage verbanden.’

Nu we weten dat Quintus Kwaekernaath een oude vriend en notaris is, kan Aed overgaan tot de kern van de zaak.

Wat kun je me vertellen over bedrijven op het industrieterrein Cnucha?’

Hm. Vraag je dit omdat je bezig bent met de dood van die jongeman Nathan Snel?’

Goed geraden, Quintus. Ik vraag me af of Snel misschien iets had ontdekt. Iets wat Kit Mahy graag onder de radar wil houden.’

Interessante gedachte.’ De notaris had een pen tussen zijn tanden en neemt deze nu in zijn vingers om te gebaren. ‘Toevallig heb ik me wat verdiept in dit kadastrale gebied. Er staat een grote steenprinter en wat andere industrie. Het terrein is in verval, al zijn in sommige kleinere gebouwen start-ups gevestigd, zoals Eko-Munk, het bedrijfje waar het lichaam van Snel werd gevonden. Niets wat in verband gebracht kan worden met onze burgemeester, hoe graag ik dat ook zou willen.’

Er zijn weinig corruptere burgemeesters in de geschiedenis van de stad geweest,’ zegt Aed.

De meeste mensen nemen aan dat hij zijn voorganger, Mos Gregoor, heeft laten doden.’

Geen wonder. Gregoor zette zich actief in voor het milieu. Dat botste te vaak met de persoonlijke belangen van Kit Mahy die toen nog in de vastgoed zat.’

Zijn strijd voor het behoud van Cernach Park heeft Gregoor zo goed als zeker met de dood moeten bekopen.’

Hier vinden we niet alleen dat er wel erg veel tekst in de ballonnen staat – ronduit een info-dump – maar dat het ook een anachronisme is. Het milieu bestond nog niet in de jaren ‘50, en zeker niet in de polypunk. Maar goed, het gaat om het idee. Machtsmisbruik is niet afhankelijk van dit soort details. Dat verklaart natuurlijk waarom we dit soort strips nog altijd graag lezen.

Aed en Kwaekernaath nemen afscheid van elkaar. Aed loopt weg. ‘En nu is het tijd om aan het werk te gaan,’ denkt hij.

Een kleine tekening, helemaal rechts in de hoek, onder het kopje ‘Aed Slaine aan het werk. Ingespannen. Bezield.’ We zien hem zitten achter een laptop in een kleine zolderkamer. Een scharnierbureaulamp – zo eentje die bij helden nooit inzakt – beschijnt zijn ingespannen gezicht, een paar lege koffiemokken en een kindertekening. Door een raampje zien we een maansikkeltje.

Dan slaan we de pagina om en onze mond valt open. Uitgespreid over twee pagina’s is een krankzinnige, fantastische tekening van datakronkels, woorden, URL’s, zwermen van gedachten en vermoedens, samenraapsels van kreten, treinstations, winkels, Amazon-aankopen, hashtags en merknamen waarin we soms gezichten, eekhoorns of eurotekens menen te herkennen. Dit alles in hallucinerende kleuren. Er is oneindig detail als we van dichtbij kijken, maar verder van ons gezicht zien we steeds weer patronen in de zwerm.

Volgende pagina. De inspiratie is gedoofd, de bureaulamp ingezakt. De maan door het raam is verdwenen. Aed wrijft in zijn vermoeide ogen. Hij praat hardop:

Wat een geluk dat ik de afgelopen tijd meermalen in de KFC bij Cnucha heb zitten aftappen.’

Een half jaar geleden waren daar veel bezoekers met een elektrotechnische achtergrond.’

Als ik tenminste kijk naar de Amazon-aankopen, de Facebookvrienden en de recente Wifi-locaties.’

Een jaar eerder zie je juist bezoekers met een constructieachtergrond.’

Aed denkt even na, met een frons.

Terwijl hij vastbesloten opstaat zegt hij: ‘Ze zijn op dat verlaten industrieterrein iets aan het doen wat het daglicht niet kan verdragen.’

Dan draait hij zijn hoofd met een ruk om. ‘Wat is dat?!’

Achter het raampje beweegt een schim, met een zwaaiende hand. Er klinkt een cursief Rombombom en even later een grote PLOF.

Aed propt zijn laptop in zijn onafscheidelijke schoudertas en draaft de trappen af, de gang door, naar buiten. In het passeren zien we een groepje innemende jonge kinderen, allemaal starend met grote, onschuldige ogen. Aed heeft zes zoons en een dochter. Feitelijk studeren de oudsten al, zelfverzekerd en met een gezonde schijt aan pa, maar ja, dit is een strip. Onze held is een sympathieke gezinsman met zeven kinderen. Punt.

Vanuit de hal beschenen staat Aed aan de rand van zijn gazonnetje, zijn armen sportief en daadkrachtig gebogen. Het licht schijnt op een stuk gras dat eruit ziet alsof er een zwaar persoon op geland is – en op een glinsterend voorwerp: een revolver!

Ik geloof dat ik die scheve dakpan dankbaar moet zijn,’ zegt Aed. ‘Hier had iemand het op mij gemunt. Duidelijk een van de Zware Jongens van Kit Mahy.’

Dan kijkt hij gefronst. ‘Weten deze schurken waar ik woon? Of ben ik zelf gehackt?!’ In een denkwolk zien we de wc-ruimte uit het café, van boven, met tien defecte wc-hokjes waarin op elke bril een hacker zit.

Aed stopt de revolver in zijn zak. ‘Die kan ik wel gebruiken,’ zegt hij.

KRAK.’

Aed kijkt met een ruk op naar de struiken waar het geluid klonk. ‘Als ik snel ben dan kunnen we eindelijk antwoorden op vragen krijgen,’ zegt hij met een vastbesloten gezicht. Hij begint te rennen. Uit de struiken springt een schim die wegrent. Aed zet de achtervolging in.

Het is een beetje mistig. De kleuren van de straten, trottoirs en huizen zijn warm donker in het straatlantaarnlicht, de vormen zijn prominent hoekig maar hebben tegelijkertijd die eindeloze vierkante korreligheid. Omdat plastic spekglad zou zijn, zien we dat het wegdek en de stoep ruw gemaakt zijn. Aed kan slank en atletisch volgen, langs hekken van sinaasappelnet, straatmeubilair in eenvoudige LEGO-blokjesstijl en grillige kunstwerken. Ergens zoeft een metrotrein als een macro-meteoor door de smog-oranje nachtlucht. Voor hem uit zien we de schimmige gestalte rennen.

Dan zijn we bij het industrieterrein Cnucha. Lampen branden er bijna niet. De schim is opgeslokt door het duister. Aed staat, piepklein om de enormiteit van het complex te benadrukken, bij de ingangshekken. Zwart en dreigend is alles, met schoorstenen, brandtrappen, kranen en platforms. Hier kan alles gebeuren!

Met Aed sluipen we het terrein op. Het is stikdonker. Alleen zijn oogwit en de gespen van zijn onafscheidelijke schoudertas zijn te zien. Vagelijk zien we zwarte muren en enge, donkere zijgangen waar van alles kan staan ademen. Aed loopt zachtjes maar zijn voetstappen maken geluid. Er schiet een rat weg, afstekend tegen een waterplas.

Tussen de enorme deuren van de grote steenfabriek schijnt licht naar buiten. Aeds gestalte sluipt ernaar toe, klein maar met een lange schaduw.

Een close-up van zijn verbaasde gezicht. Een denkwolk met vraagtekens.

Voor ons strekt zich een enorme hal uit. De vloer is een doolhof van ribbels en muurtjes in allerlei vormen en hoogtes. Meters hoger, langs de wanden van de hal, lopen polyoxymethylenen loopbruggen en in de hoogte onder het plafond ontwaren we bewegende machinearmen.

Aed rent gebukt naar een van de muurtjes, springt er lenig over en hurkt neer achter een hoger gedeelte. We kijken schuin omhoog en zien dat op de loopbruggen mannen lopen, tot de tanden gewapend met automatische geweren. We herkennen ze aan hun grijnzende stoppelkinnen.

Precies wat ik da-’ zegt Aed.

Dan: ‘Nee!!!!’

Want een enorme mechanische arm zwiept naar ons toe en beukt neer. Aed kan nog net wegspringen. De arm hamert en glijdt razendsnel heen en weer, en suist weer weg. Er stijgt nog wat damp op. Een printkop! We zijn in het inwendige van een reusachtige 3D-printer die in het holst van de nacht aan het werk is.

Dicht langs de muren, met de Zware Jongens boven hem, sluipt Aed verder de hal in. Even later is hij bij de deur van een kleinere ruimte. We gluren naar binnen. Het lijkt wel de cockpit van een ruimteschip. De muren zijn van vloer tot plafond bedekt met schakelaars, meters en knoppen, en overal zitten mannen ingespannen achter beeldschermen te werken. Hier wordt de 3D-printer aangestuurd.

Aed maakt een verschrikte beweging.

Hij draait zijn hoofd.

In de deuropening staan twee Zware Jongens, hun schietwapens op Aed gericht. ‘Handen omhoog!’

Met zijn armen harlekijnachtig uitgestrekt laat Aed zich fouilleren.

Denk maar niet dat jullie hiermee wegkomen,’ zegt hij moedig.

O nee?’ vraagt een stem, en uit de schaduw stapt iemand naar voren.

Quintus Kwaekernaath!’ roept Aed uit.

Ja, Quintus Kwaekernaath,’ zegt de slanke man in pak, zijn tanden ontbloot.

Jij bent het brein achter dit alles!’

Natuurlijk. Ik werk al jaren voor Kit Mahy. Hoe denk je anders dat hij zich altijd weer kan redden uit rechtszaken over corruptie en machtsmisbruik?’

Nu bekruipt me een onbehaaglijk gevoel. Niet omdat het niet waarschijnlijk is dat een corrupte jurist in het holst van de nacht persoonlijk aanwezig zou zijn op een criminele werklocatie. (We vonden het immers ook niet gek dat Kit Mahy persoonlijk aanwezig was bij de ondervraging van een of ander datectiveje aan het begin van ons verhaal.) Ook niet omdat de schim volledig in het niets is opgelost (en wat deed die vent in godsnaam op Aeds dák?) maar omdat het verdere verloop van dit verhaal zo volkomen voorspelbaar is. Er is een gesprekje tussen Aed en Kwaekernaath, waarin Kwaekernaath vertelt dat in deze fabriek zinkbakken worden geprint voor de ondergrondse parkeergarages die Kit Mahy illegaal onder Cernach Park aan het aanleggen is, als eerste stap in de vernietiging van het geliefde park. Als Kwaekernaath zijn perfiditeit volledig heeft toegelicht, weet Aed zich los te rukken en vlucht de fabriekshal weer in. De tientallen Zware Jongens in de hal drijven hem naar de plek waar de printkop als een razende door de ruimte suist en toeslaat. Aed rent en springt in paniek in het rond om de printkop te ontwijken. Vanaf een loopbrug roept Kwaekernaath meermalen ‘Hahaha!’. Om Aed heen groeit het plastic doolhof. Zijn kansen om te ontsnappen worden steeds kleiner. Maar natuurlijk speelt onze held het klaar. Spannend is het wel. De gebruikelijke redding in de vorm van een Deus ex Machina is er niet. Aed is een solist en heeft geen handige vriend die, hetzij onder invloed, hetzij met koele, blanke, militaire efficiëntie, hem te hulp schiet. Maar hij is een stripheld. Ik stel me voor dat hij de revolver nog wil gebruiken, maar die laat vallen. Ai, wat nu? Zijn datectie-vaardigheden inzetten, natuurlijk! Met behulp van de apparatuur in zijn schoudertas hackt hij de Wifi van deze fabriek. Niet de 3D-printer, wel in de lampen. Ineens is het donker. We zien een centimetergroot AAAAHHRRRGGGGG!! als Kwaekernaath struikelt en naar beneden valt, uiteraard in het pad van de printkop, die hem vakkundig en smeltend verplettert. Aed Slaine is niet zo het type voor een vernietigende oneliner dus hij glipt gewoon naar buiten, naar huis. Blije kindergezichtjes als hij zijn voordeur opent. We sluiten het stripboek met de gedachte dat dit niet zo’n geweldig deel was, en rommelen in onze boekenkast naar een andere.

Wat is er loos? Beklijven de klare lijnen en heldere kleuren toch niet? Is er iets mis met het stramien van zo’n oude strip? Zijn we klaar met de held die zich sterk maakt tegen perfide schurken?

Even terug naar eerder, misschien lost dat iets op.

Aed staat in de cockpit van de printer te gluren. ‘Aha!’ roept hij zachtjes uit. ‘Hier worden zinkbakken gemaakt voor parkeergarages. Kit Mahy is bezig met de vernietiging van ons geliefde Cernach Park.’

Handen omhoog!’

Rustig, met zijn armen harlekijnachtig uitgestrekt laat Aed zich fouilleren door een Zware Jongen.

Denk maar niet dat jullie hiermee wegkomen,’ zegt hij moedig.

O nee?’ vraagt een stem en uit de schaduw stapt iemand naar voren.

Quintus Kwaekernaath!’ roept Aed uit.

Ja, Quintus Kwaekernaath,’ zegt de slanke man in pak, zijn tanden ontbloot.

Jij bent het brein achter dit alles!’

Achter wat alles?’

Jij bent de rechterhand van Kit Mahy. Je ondersteunt hem in zijn corruptie en machtsmisbruik. Mahy wil Cernach Park vernietigen en jij voorkomt dat hij allerlei lastige rechtszaken krijgt!’

Kwaekernaath lacht zijn tanden bloot. ‘Hahaha!’

(Lampje bij Aeds hoofd.) ‘En jij zat vanmiddag ook in de kroeg van de Zware Jongens, in de hoek. Jij bent een sleutelfiguur in het netwerk dat ons geliefde park wil vernietigen!’

Welnee,’ zegt Kwaekernaath, met lachtranen in zijn ogen. ‘Je verwart motief en gelegenheid, beste Aed. Zoals veel gestoorde types wil ik dolgraag kwaad doen. Gelukkig ben ik een blanke jurist in pak, en als ik de krant lees dan zie ik dat milieuterrorisme en dat gedoe over Cernach Park helemaal hot is. Dat sluit dus prachtig aan. Een kwestie van de gelegenheid gebruiken, de weg van de minste weerstand volgen. Mensen als ik zien altijd wel een mogelijkheid om te doen wat ze willen doen.’

Op dat moment weet Aed zich los te rukken uit de bankschroefklauwen van de twee Zware Jongens. Hij rent de printhal weer in.

En dan! Steeds meer achtervolgers duiken op. De jacht op onze held is geopend. Waren er eerst alleen maar Zware Jongens met grijnzende stoppelkinnen en kalasjnikovs, al na een paar minuten krioelt de hal van de individuen en groepen die het sentiment ‘Cernach Park wordt bedreigd’ hebben herkend als de weg van de minste weerstand voor hun gestoordheid. We zien lui met bivakmutsen en lieden met allerlei fascistische symbolen op hun jacks. Even later is er een gast in kaki die indrukwekkend over het lauwe plastic tijgert, en ook een enorme eekhoorn, gekleed in het zwart. (Aed met een denkwolkje: ‘Was dat die schim??’) Ook zien we hoogschouderige pubers met knuckledusters, sombermannen met biceps, en een kleurloos persoon met (al weten we dat niet) inmiddels zestien lijken onder de vloer van zijn tuinschuur.

De printkop suist en hamert, Aed rent, met zweet op zijn gezicht en zijn ogen opengesperd, tussen en over de groeiende muurtjes. Meer en meer kogels, werpsterren en haarballen vliegen hem om de oren. Al rennend denkt hij: ‘Het zijn er teveel, ze zijn te divers! Hoe moet je vijanden verslaan als ze enkel gemeen hebben dat ze de weg van de minste weerstand kiezen?’

Er gaat een lampje bij hem branden.

Kwaekernaath had gelijk! De weg van de minste weerstand. Dat is ook de essentie van datectie! Hoe zwermen ál deze mensen en hoe kan ik daar mijn conclusies uit trekken? Denk na, Aed Slaine! Gebruik die befaamde datective-hersens van je!’

Ach ja, we denken altijd zo makkelijk dat de stripheld het maar oplost. Waar heb je anders striphelden voor? Voor Aed Slaine moet het toch een peulenschil zijn om, uiteraard gewoon tijdens het rennen, met de apparatuur in zijn schoudertas de lampen in de hal te hacken en de duisternis te gebruiken?

Ongetwijfeld, maar je kunt er donder opzeggen dat minstens twintig procent van de schurken een nachtkijker heeft, die koop je immers voor een habbekrats op internet. En dat er binnen een kwartier vijf nieuwe schurken binnenglippen die het gebeuren met interesse hebben gevolgd, ook een nachtkijker hebben liggen en meteen beseft hebben dat er hier nu voor hen persoonlijk een gelegenheid is ontstaan om hun gewelddadige lusten te botvieren.

Dit wordt hem dus niet. Ik vrees dat we nog wat verder terug in de tijd moeten.

Aed Slaine rent door de duistere, mistige stad, onder een smog-oranje nachtlucht waar metrotreinen als macro-meteoren rondsuizen en waar de contouren van huizen en straatmeubilair een oneindige fractalstructuur van vierkantjes laten zien. Voor hem uit rent de mysterieuze, in het zwart geklede eekhoorn die van zijn dak viel en hem zo op dit spoor zette.

Onder het rennen denkt Aed koortsachtig na. ‘Motief, middel en gelegenheid. Als ik een van de drie uit de vergelijking haal dan kan een misdrijf niet plaatsvinden, dat weet iedere speurder sinds Miss Marple. Maar welke van de drie? En hoe?? 3D-printers zijn er nu eenmaal, en er is een hele samenleving en een paar decennia van inspanning nodig om het risico op gewelddadigheid in mensen echt wezenlijk te verlagen.’

We zijn nu op het stikdonkere fabrieksterrein van Cnucha. Alleen Aeds oogwit en de gespen van zijn onafscheidelijke schoudertas zijn te zien. Vagelijk zien we zwarte muren en enge, donkere zijgangen waar van alles kan staan ademen. Aed loopt zachtjes maar zijn voetstappen maken geluid. Er schiet een rat weg, afstekend tegen een waterplas.

Dát is het.

Aed duikt, heeft het spartelende diertje te pakken.

Ik ben het brein achter dit alles,’ piept de rat in kleine lettertjes.

Echt waar?’ Aeds witte tanden lachen. ‘Wat voor ‘alles’ is dat dan?’

Nou, alles. Gewoon alles. Weet je wel? In de breedste zin van de betekenis.’

Tuurlijk, hoor.’

De reuze-eekhoorn is inmiddels bij de lichtspleet die tussen de enorme deuren van de 3D-printer naar buiten schijnt en gaat naar binnen. Aed volgt, met een lange schaduw.

Doet het pijn?’ komt er een klein praatwolkje uit Aeds vuist als hij naar binnen glipt.

Doet wat pijn?’

Wat er gaat gebeuren?’

Striphelden zijn het boegbeeld van fatsoen, beste rat. Ze doen alleen de kwaadaardigen pijn, en dan ook nog maar een klein beetje en met edelmoedige rechtvaardigheid. Daar waar een stripheld in the picture staat, gebeuren de echte ranzigheden niet.’

Maar ik ben kwaadaardig! Vet kwaadaardig, man!’ De rat balt zijn vuistjes.

Dat is goed, hoor.’ Aed kriebelt hem even achter de oortjes en richt dan zijn aandacht op de fabriekshal met de muurtjes, de loopbruggen en de rondsuizende printkop. Hij gaat naar de cockpitruimte, wordt betrapt, heeft het gesprekje met Kwaekernaath en weet zich los te rukken.

Maar nu!

Aed wentelt in het rond. Hij grijpt Kwaekernaath bij de bovenkant van zijn overhemd. De stropdas komt los en knopen spatten in het rond als hij het gesteven katoen wegrukt en de rat (die tijdens het fouilleren over het hoofd is gezien) naar binnen propt.

Kill him!’ fluisterde hij tegen de rat.

Dat is natuurlijk niet tegen dovemansoren gezegd. We zien het overhemd wild bobbelen.

Aaaarrrrggghhh!’ schreeuwt Kwaekernaath, en rent weg.

Aed gaat snel de printhal in, waar Kwaekernaath in paniek op de loopbruggen rondrent en springt, graaiend naar zijn buik en broekband.

De Zware Jongens in de hal staan onzeker toe te kijken. Als de rechterhand van Kit Mahy door een Rambo-type met een machinegeweer werd aangevallen, zouden ze geen seconde aarzelen en zich opofferen. Maar nu Kwaekernaath daar als een soort halfgare Chippendaler staat te dansen, voelen ze zich niet echt geïnspireerd. Ze betwijfelen of het bieden van assistentie bijdraagt aan hun status als Zware Jongens.

Dat was natuurlijk ook Aeds bedoeling. Hij verspilt geen tijd, gaat zitten, haalt zijn hack-apparatuur uit zijn schoudertas en gaat aan het werk. Terwijl de printkop onverstoorbaar suist en plet en de tekenaar zich uitleeft met komische plaatjes van een springende Kwaekernaath, hackt hij de 3D-printer. Hij past de samenstelling van de verf aan naar #ff00ff. Een warme gloed gloort onder de rondsuizende printkop als de eerste gespierde sombermans zijn hoofd om de hoek steekt, even later gevolgd door een bivakmutsdrager en de tijger-gast in kaki. De laatste zien we in close-up, met komische verbazing op zijn gezicht.

???’

Geen wonder. In een geleidelijk steeds rozer wordende ruimte springt een man in een pak in het rond, klauwend in zijn overhemd. Toegegeven, er ligt het verpletterde lichaam van een in het zwart gestoken eekhoorn, maar als tientallen Zware Jongens sullig en onzeker staan toe te kijken dan is dit duidelijk niet The Place To Be. Liever een gefrituurd kippetje.

De tijger-gast in kaki gaat stilletjes weer naar buiten. Ook de andere binnenkomers vertrekken, inclusief de kleurloze seriemoordenaar die besluit dat hij toch echt wel wat leukers kan verzinnen.

Als Kwaekernaath na een misstap van een loopbrug omlaag stort (AAAAHHRRRGGGGG!!) en door de printkop smeltend is verpletterd – we zien de rat gelukkig nog uit zijn hemd wegspringen – gaat Aed rustig naar huis.

Nou, toch wel een beetje een anti-climax. We slaan wat zorgelijk de laatste pagina om. Aed moet toch op zijn minst gefeliciteerd worden door een financieel gefortuneerde vriend en een bewonderende politiecommissaris? We willen een bevredigende afloop, want waarvoor heb je anders een held. Een tafel waarop kranten liggen met grote koppen: ‘Moedige datective verijdelt groot milieucomplot!’ En in kleinere letters: ‘Corruptie-netwerk Kit Mahy ontmanteld’. Een medaill-

Vergeet het allemaal maar. Aed Slaine is een loner. De schele serveerster bij wie hij op het dichtstbijzijnde metrostation een beroerde cappuccino koopt, smakt het plastic bekertje zo onverschillig voor hem neer dat de bel poederschuim over de rand kleddert. En de blije kindergezichtjes waren niet realistisch, hadden we al gezien. Zodra hij thuis is, gaat de bakelieten telefoon onder de trap. Het is zijn tweede zoon die vraagt of hij een voorschot kan krijgen op zijn toelage van volgende maand want hij heeft een beetje pech gehad enzo.

Als niets gaat zoals het hoort, hoe moet het dan met de heldenstrip in het heerlijke tijdperk van de polypunk? Waar de stadsdelen als termietenheuvels verrijzen, als fractals van eindeloze kubusjes, zalig voor de striptekenaar die zich paginagroot en tot in minutieus detail kan uitleven? Worden die in hun bestaan bedreigd? Mag dat tegenwoordig ook al niet meer?

Ja hoor, dat mag nog steeds. Er blijven gewoon albums komen. Criminaliteit bestaat, mensen zwermen, en altijd is er wel ergens een weg van de minste weerstand. Aed Slaine weet dat hij als datective nog lange tijd aan de bak kan. En zolang het voor de tekenaar een beetje leuk blijft, is het allemaal gewoon lekker tot de verbeelding sprekend, lichtelijk onrealistisch en nogal rolbevestigend.

En hoe zit het met dat lijk van Nathan Snel? Wees er vlug bij en bestel alvast het volgende album bij je boekhandel! (fl. 4,95/90 BEF)

 

Naar Cernach Park

Home