De teruggegeven wijk

PDF-versie

De wijkgondelier bewoog de kleine boot voort, met het kalme ritme van de hartslag. Van voren naar achteren, van voren naar achteren. Elke keer als hij kracht zette, kraakte het hout van de boot. Dan klotste het water even, schrok van zijn eigen lawaai en rimpelde stil weg.

Voor in de boot zat de Ambtenaar. Elke kort geknipte haar op zijn hoofd probeerde onrustig over de schouder van de ander te kijken. Naast zijn benen stond een koffertje. Dossiers en stukken, dacht de wijkgondelier, en een tablet. Ook pennen? Of hadden Ambtenaren die tegenwoordig niet meer? Pennen waren goed om op te kauwen. Kauwen is bewegen, van voor naar achteren, maar dan in het klein. Bewegen doet leven. Stilstaan is verstillen en vergroeien, dan verrotten en afsterven.

De Ambtenaar leek klein. Hij zat stil voor zich uit te kijken terwijl de boot voortgleed, langs de hoogste verdiepingen van het voormalige Belastingkantoor. Ook daarbinnen was kanaal, want gebroken glas is geen partij voor waterspiegels. Zelfs het gescheurde spandoek met ‘Handen af van onze wijk!’ aan de dakrand kon daar niet veel tegen beginnen. Het water was naar binnen gerimpeld, had meubels en papieren opgetild en gewiegd, soms mee naar buiten genomen. Daar dreef het hulpeloos rond: de lichtbruine dossiermappen als vellen boombast in een vijver, de weke twijgen van computersnoeren, de harde bakjes voor ingaande en uitgaande post (in en uit, in en uit). Het had zijn draai nog niet gevonden en school onzeker samen in de schaduw van het gebouw. Een enkele zeepflacon had zich in de vaargeul gewaagd en sprong bij elke waterrimpeling panisch in het rond.

‘Doet u dit werk al lang?’ De stem van de Ambtenaar klonk vreemd luid in de stilte.

‘Het is maar wat je lang noemt.’

‘Ik denk wel eens dat dat wijkgondeliers een beetje van beide werelden vertegenwoordigen. Omdat ze met iedereen in contact komen.’

‘Het is maar hoeveel werelden je benoemt, en hoeveel iederenen.’

De Ambtenaar knikte onzeker. Hij draaide zijn hoofd weer naar voren. De haartjes op zijn kruin leken slapper te zijn geworden.

Ze gleden een klein meer over terwijl het licht grauwer werd. Een nieuwe rij gevels van kantoorpanden stond met de handen in de zakken te wachten, in zichzelf gekeerd als mensen die bij een bushalte staan te wachten op de laatste bus.

‘Zijn we nog op tijd bij het wijkcentrum?’

De wijkgondelier knikte kort. Van voren naar achteren, van voren naar achteren. Alles gebeurt en gebeurt opnieuw. De vogels die nu steeds stiller werden zouden weer gaan kwetteren, dan weer stiller worden. De wind hield zijn adem in maar zou weer gaan blazen, eerst slaperig en muf, dan weer met alle ramen open gegooid.

Ze waren niet meer de enigen die op weg waren, zag de wijkgondelier. Twee oude, vermoeide dobharchu’s zwommen in dezelfde richting als de boot, hun grijze koppen op en neer gaand in het water. Een meerkoetstelletje deed hetzelfde, maar dan op die rommelige manier waarop kleine dieren meedoen met grote gebeurtenissen. En er waaierde een dakloze banshee met warrig haar langs, even in zichzelf gekeerd als de gevels waartussen ze leefde.

‘U ziet het mengvermogen van de wijk,’ merkte de wijkgondelier op. ‘Allemaal samen op de vlucht.’

De Ambtenaar mompelde iets onverstaanbaars. Hij draaide zijn hoofd, en de wijkgondelier wist dat hij naar zonnewijzer keek die boven het stadslandschap uittorende en inktzwart afstak tegen de middaglucht. Een randje van de zon was al achter de zuil verdwenen. Met elke ademtocht verdween er kleur uit de wereld. Een half verzonken pol wentelde zich in het water, borrelend en wriemelend, en de meerkoeten stegen paniekerig op. Kleine geestjes, dacht de wijkgondelier, maar hij wist dat het ook voor henzelf tijd was geworden.

‘We gaan aan wal,’ zei hij.

Bij de eerste galerijflat bracht de wijkgondelier de boot tot stilstand. Hij wachtte tot de Ambtenaar met zijn koffertje was uitgestapt en maakte het bootje vast. Alleen grind knerste toen ze over het dak van de flat verder gingen, de lengte over en daarna een brug van houten planken over naar het volgende dak. De schemering begon zich te vullen met geluid, luid en tegelijkertijd onhoorbaar, alsof het overal vandaan kwam. Het geklop van gespannen harten en hartjes, het inkrimpen of juist het ontwaken van groeisels. De Ambtenaar leek zich niet bewust van de lange, grijze colonnes die zich voortspoedden in dezelfde richting. Toen ineens een schare kraaien krijsend opsteeg, als een knallende donderslag, struikelde hij en greep zich aan de wijkgondelier vast, liet meteen weer los. Zijn adem was een tijdje luid, daarna rustiger. Alleen de onstilte liet zich horen, en het groeien van de gebouwen dat soms dakgrind in beweging bracht en kletterend naar beneden liet stuiteren.

Toen de eerste tekenen van stampedes in de verte klonken, hield de wijkgondelier stil. ‘Nu is het tijd om te gaan schuilen.’

De Ambtenaar knikte met een kleine beweging. Omdat hij zo te zien wel wat begrijpelijks kon gebruiken maakte de wijkgondelier een gebaar naar een plaatje van een voetafdruk dat met spuitbus en sjabloon bij de rand was aangebracht. ‘Kijk, dat wijst naar een schuilplek.’

Er leidde een ladder omlaag. Een meter of drie lager was de nis van een balkon en een geur van muf kanaalwater. Het was er schemerig maar de wijkgondelier zag dat er al andere wezens achter de stenen balkonrand hurkten. Ze maakten ritselend en krakend plaats. Een gancanagh in de hoek doofde snel zijn pijp en wapperde een langvingerige hand om de rook te verdrijven. De Ambtenaar ging op de grond zitten, knikte een aantal keren in het rond, en slikte luid en gegeneerd toen er geen reactie kwam.

Het geritsel en gekraak verzonk in het aanbulderende geluid van buiten, van rennende voetstappen en hoeven, van borrelend kanaalwater, van suizende vleugels, van gehinnik van aupisky’s, van kelen krijsend als bordkrijt. De buitenwereld boven de balkonrand was een lage rechthoek van grauwheid geworden. In het kanaal beneden hen roerden de mistherten zich, ontworstelden zich aan het water, schudden hun geweien en stormden in een ijzig koude luchtstroom weg.

Niemand sprak. Naast de gancanagh zat een gormshee, met statisch haar dat blauwig afstak tegen het duister en rusteloos woof. Er hurkte een cafruffyth, met exotische karbonkelgroene ogen die knipperden met onnatuurlijke regelmaat, en een heel klein iemand die voortdurend klikgeluidjes maakte. In de hoek zat de volledig ingezwachtelde vorm van een lichtschuwe banban, gewantrouwd door de dagwezens maar beschimpt door hen van de nacht. De marol in de andere hoek bewoog niet. Het hoofd en de handen van de Ambtenaar staken bleek af. De wijkgondelier zag het kortgeknipte hoofd draaien naar een bloempothouder aan de muur, alsof hij zich afvroeg of die ook schuilde. De wijkgondelier gniffelde in zichzelf.

De stem van de cafruffyth kwam boven het gekolk en gekrijs van buiten uit. ‘Hebt u daar uw eten in?’

Iedereen keek naar het koffertje.

De Ambtenaar schraapte zijn keel. ‘Nee, dat koop ik altijd in het bedrijfsrestaurant. Soms heb ik er wel een appel in, maar nu niet.’

‘Een appel mengt toch niet goed met de paperassen?’ kon de wijkgondelier het niet nalaten om te zeggen.

De hoofden en haarbossen draaiden vragend naar de Ambtenaar.

‘Ja, eh, nee. Ja, dat is inderdaad waar ik me mee bezighoud. De overheid zoekt naar sociale cohesie in een wijk die is teruggegeven aan de natuur.’ Zijn stem begon nu zelfverzekerder te klinken. ‘Dus dat iedereen mengt, dat je geen segregatie krijgt. Dat iedereen elkaar kent en elkaar helpt, ongeacht wie je bent en wat voor dromen je hebt. Omdat deze wijk net is teruggegeven, hopen we hier veel te kunnen leren.’

Daar dachten ze over na. Het tuufje klikte, de banban zong zachtjes in zichzelf over binnen en buiten, over bevatten en omvatten.

Toen zei de gancanagh raspend: ‘Daar schrijft u een rapport over.’

‘Nee, geen rapport.

‘Geen rapport?’

‘Dat doen we niet meer, rapporten schrijven.’

Er werden vragende blikken gewisseld.

‘Die leest niemand,’ verklaarde de Ambtenaar.

‘Dat is goed,’ zei de gormshee. ‘Geen rapporten meer.’

Iedereen lachte, ook de banban, die een ander tijdritme had en nog zat na te denken over de appel.

‘Maar wat doet u dan wel?’ vroeg de gancanagh.

‘Nou, zoeken, dat zegt hij toch?’ zei de gormshee verbaasd.

De Ambtenaar begon iets te zeggen maar viel stil toen hij zag dat iedereen dit een goede uitleg vond. Zijn tanden lachten wat opgelucht.

De duisternis verdichtte. Waar lucht begon en mistwezen eindigde was niet meer te zien. Zij die uit geur bestaan verhieven zich nu ook uit het kanaal en wentelden zich, stootten met horens en wreven hun vachten tegen de balkonmuur. Waterdruppels sproeiden over de schuilenden heen en ze krompen in elkaar. Heel even, tussen half dichtgeknepen oogleden door, leek er een Badb neergestreken te zijn op het steen. De wijkgondelier dacht rode kraalogen te zien, maar toen hij beter keek zag hij niets behalve mist en duister. Het zwarte geflapper van vleugels kon overal vandaan komen.

Niemand zei iets. Het was te donker en te koud voor woorden, en bovendien praat je over sommige dingen niet. Niet over dat solide wezens en transparante wezens elkaars gezelschap mijden en zelfs niet dezelfde schuilplaats zoeken wanneer de schaduw van de zonnewijzer over de wereld strijkt. Niet over dat ze zeggen dat droogte in hoger gelegen baksteenregio’s wordt veroorzaakt door banshees, al willen ze daar op het stadhuis niet over praten. Zeker niet als er een Ambtenaar bij zat, al bedoelde die het goed. Ambtenaren snappen het niet echt, dacht de wijkgondelier. We leven en vermenigvuldigen ons op wonderbaarlijke en verschillende manieren, en als de schaduw van de zonnewijzer ons raakt dan schuilen we. Of we verheffen ons korte tijd vanuit de diepte van kanaal of zonneslaap en leven ons uit. Trouwens, niet iedereen bestaat maar de hele tijd. Soms verdwijn je gewoon en pak je de draad op als je er weer bent. Iedereen overleeft op zijn eigen manier. Als de schaduw is gepasseerd, krabbelen we overeind en gaan we verder, tot de volgende schaduw nadert. Daar valt niets te mengen of te onmengen.

Langzaam werd het minder donker, al nam het geraas niet af, want in het kielzog van het duister rende de schemerigheid mee. Altijd rennen, besefte de wijkgondelier. Wij kunnen in elk geval nog schuilen en rusten. Hij keek naar de gancanagh, die onrustig overeind begon te komen, naar het tuufje dat steeds hoger en sneller begon te klikken, naar de gormshee en de cafruffyth. De marol begon zijn eerste nieuwe takken te ontspruiten.

‘We gaan,’ zei hij abrupt tegen de Ambtenaar, want er is een tijd van mengen en een tijd van onmengen, zeker als je verstrikt dreigt te raken in marolspruiten.

Hij hielp de Ambtenaar bij het naar boven klimmen, naar het dak van de flat dat nu vreemd lichtgrijs was en borrelde als brandingbellen die zich terugtrekken naar de waterlijn. De mosachtigen die razendsnel hun levenscyclus van een uur hadden geleefd, waren aan het verschrompelen. Minuscule eitjes, nu nog kleverig en glinsterend maar straks zwart als zandkorrels, zonken weg tussen het grind om over een etmaal uit te komen. Maar het zonlicht was al weer behaaglijk aan het worden. Het was zomer. De schouders van de Ambtenaar ontspanden.

In het stille gevoel van de ochtend na een nacht gingen ze verder. Grind knerste onder de nette schoenen van de Ambtenaar, plankenhout boog en kraakte als ze afgronden tussen flats overstaken. In de kleurloze wereld kwam steeds meer aarzelende zonnewarmte. De eerste helwitte vliegjes lichtten op en pastelkleurige bloemen kronkelden omhoog langs de brandtrap van de torenflat die ze bestegen. De warmte werd intiemer, nog behaaglijker. In de verte ruisten bomen en stadsgeluiden.

Uit het wijkcentrum op de veertiende verdieping klonk geroezemoes en gekletter van servies. Er hing een geur van koffie. De wijkgondelier hielp de Ambtenaar door het raam naar binnen te klimmen. Het lukte, ondanks het lange stilzitten en het koffertje.

‘Heel erg bedankt,’ zei de Ambtenaar onhandig.

‘Graag gedaan.’

De grote hoogte nodigde uit tot kijken en eenmaal over de vensterbank bleef ook de Ambtenaar staan om dat te doen. De stad lag aan hun voeten, tot aan de horizon. Er glinsterde water tussen de contouren van bomen en begroeide kliffen waar de vlakken van oud beton zichtbaar waren. Paarden en geiten van mist wervelden boven de huizenhoge waterwal van stadsdeel Cesserijn, boven de vederachtige bomen van Cernach. Water geurde, met de geur van gesneuveld zwart-slijmerig hout, met de as van oudere generaties onzichtbaar vermengd tot een milde, voedende soep. Er boven wiekten vogels, in zwermen of alleen. De schaduw van de zonnewijzer trok met een gedachteloze vinger een zwarte lijn over het alles, een lijn van groeien en verwelken, van vluchten en tot rust komen. De eb en vloed van een stad, de seizoenen van een dag, de hartslag van het leven.

De Ambtenaar draaide zijn hoofd naar de daken en houten plankbruggen. ‘De laatste wijk die wordt teruggegeven aan de natuur,’ zei hij.

‘Het laatste eilandje van begrijpelijkheid?’ vroeg de wijkgondelier.

De Ambtenaar knikte, schudde toen zijn hoofd. ‘Waar begint en stopt begrijpelijkheid?’

De loten van de wijkgondelier schudden langs de gevel en de brandtrap toen hij lachte. ‘Als u dat niet eens weet, wat wilt u dan mengen?’

De Ambtenaar trok een gezicht, lachte ook maar een beetje. ‘Dat is een goede vraag,’ zei hij. Toen knikte hij nog een keer en verdween met zijn koffertje.

De wijkgondelier draaide zijn bewustzijn om en trok het door zijn vertakkingen terug naar de boot. Op de daken werd weer geleefd en bewogen, door de kanalen voeren bootjes en in de balkonnis zette iemand een geranium in de bloempothouder. De zon wás behaaglijk, besloot hij. Als er de komende uren geen passagiers waren dan kon hij zijn bewustzijn laten dobberen op het kleine meer bij het Belastingkantoor en rustig reflecteren op de leefcyclus van koffiegeur. 

 

Naar Cernach Park

Home