Kokend bloed, hart van ijs

Cooley en Slane

27 december 2018

Over burgemeester Kit Mahy ging het gerucht dat hij de hersens van zijn voorganger in kalk gegoten op zijn bureau had staan. Of het waar was wisten alleen zij die toegang hadden tot het stadhuis. De rest kende hem als de man die al sinds mensenheugenis de scepter zwaaide over Dubblai, de stad die op deze ochtend lag te glinsteren in een felle novemberzon.

PDF-versie

Dan Cooley stuurde ontspannen door de stad terwijl hij met een half oor luisterde naar het gesprek achterin de BMW. Het glas tussen hem en de achterbank liet bijna geen geluid door. Khalil Mahmadi, de passagier aan de rechterkant, wist niet dat er een microfoon was aangebracht en dat Cooley elk woord zonder moeite kon horen. Fergus MacRoich, hoofd van Dubblai’s veiligheidsdienst ULAD, wist dat natuurlijk wel. Geheimen had hij niet voor zijn 23-jarige chauffeur en dit gesprek was ook nog eens van het soort dat hij als tijdverspilling beschouwde. Om tijd uit te sparen had hij het laten plannen tijdens een autorit.

Ze hadden Khalil Mahmadi opgepikt bij het hoofdgebouw van ULAD. Bij het openhouden van de deur had Cooley hem snel bekeken. Daar waar Fergus de uitstraling had van een staatsieportret uit de Gouden Eeuw leek Khalil met zijn korte donkere haar en confectiepak uit de pasfoto-automaat op een metrostation te zijn gerold. Hij was het hoofd van de personeelsafdeling. Cooley vermoedde dat hij elke morgen een broodtrommeltje naar zijn werk meebracht en dat hij niet besefte hoe uitzonderlijk het was dat hij een half uur van Fergus MacRoichs tijd had weten te claimen.

De auto was nog nauwelijks op snelheid toen Khalil abrupt begon te praten.

‘Laat ik maar meteen terzake komen, Fergus. Het betreft ongepast gedrag. Een klacht van Deirdre Vedelmoed, de postgrad die in het voorjaar stage bij jou liep.’ Hij pauzeerde alsof hij een reactie verwachtte. Die kwam niet. ‘Het betreft een avond en nacht tijdens de internationale veiligheidsconferentie in juni, maar ook een week in april. Zij is toen enkele malen bij jouw thuis geweest en geeft aan dat dat vanwege druk van jouw kant zou zijn geweest. Ze kreeg de indruk dat jij invloed zou kunnen hebben op de carrière van haar vriend als ze zich niet schikte in jouw wensen.’

In de achteruitkijkspiegel zag Cooley dat Fergus zijn hoofd rustig en afwachtend naar Khalil toegedraaid bleef houden. Waarschijnlijk zat hij aan heel andere dingen te denken.

‘En dit is natuurlijk niet de eerste keer, Fergus. Slippertjes horen bij jou als bezwaarschriften bij een kapvergunning, maar wat in eerdere eeuwen normaal was maakt ons in deze tijd kwetsbaar. ULAD heeft de handen vol aan de corruptie van Mahy, om nog maar niets te zeggen over de verdwijning van die journalist. Slechte publiciteit voor de veiligheidsdienst is koren op zijn molen.’

Fergus zei nog steeds niets.

‘En dan is er ook nog de dood van die klokkenluider.’

Cooley maakte een geërgerd geluid. Als het half uur voorbij was dan zou hij de auto abrupt tot stilstand brengen, uitstappen en het portier voor Khalil openhouden, al stonden ze bij de rand van een vuilnisbelt. Of al eerder. In de achteruitkijkspiegel bleef hij Fergus’ gezichtsuitdrukking in de gaten houden.

‘Deirdre Vedelmoed, de blonde godin,’ zei Fergus. ‘Ze had grote klasse, moet ik zeggen. En aan wie heb ik deze onthullingen te danken?’

‘Klachten worden altijd onderzocht. Dat zijn standaardrichtlijnen.’

‘Zeker aan die chagrijnige slungel Nuca van Interne Zaken?’

‘Het maakt niet uit,’ zei Khalil kortaf. ‘Het onderzoek leverde een aantal verontrustende zaken op.’

‘Ach ja, Lex Nuca met de slobberhuid,’ zei Fergus peinzend.

Khalil begon iets te zeggen maar hield op.

Terwijl hij de zesbaanse Fownesstraat op draaide en versnelde vroeg Cooley zich af waar ze toch altijd het lef vandaan haalden, die ambtenaartjes die na afronding van een of andere opleiding bij ULAD kwamen werken en plaats namen aan kant van de scheidslijn die door hun soort als ethisch juist was aangemerkt. Vliegjes op het voorruit van de eeuwigheid. De echte groten der aarde waren gletsjers. Fergus was ULAD binnen gegroeid: massief en over een tijdspanne die het begrip van gewone mensen te boven ging. Aan scheidslijnen had hij geen boodschap. Die bestaan zodra je ze trekt en hebben verder geen enkel verband met de realiteit. Twee jaar geleden had Fergus zonder protest de chauffeur geaccepteerd die ULAD aan hem toewees, de man naar een andere afdeling weggewerkt en Dan Cooley in dienst genomen. Fergus had geen boodschap aan standaardrichtlijnen. Hij herkende talent, ook als dat mager en puisterig in de goot naar broekspijpen lag te happen.

De rivier de Lif was op sommige plekken een brede rivier met ordentelijke kades. Op andere plaatsen ging hij over in moerassige vlakten, waar vissen verpopten tot meeuwen en vice versa en waar de stedelingen op de rand van modder en lucht leefden. Globaal stroomde hij van oost naar west, al namen de gedeelten door Cernach Park soms richtingen waarvoor taal geen woorden heeft. Elke oversteekplaats was wat de rivier op die plek vereiste. Er waren voorden waar het glinsterende water langs je wieldoppen spoelde en er waren vele bruggen, zoals de massieve gietijzeren Doeversbrug tussen Nemed en Partholon. Cooley kende elke brug in Dubblai, net als dat hij elk steegje, achterplaatsje en dak in de stad kende.

Hij reed stapvoets over de kasseien van de Grattanbrug en sloeg af naar het westen waar de weg eenzaam tussen de hoge muren van de universiteitscampussen naar Partholon kronkelde. De banden zoemden. Van Dubblai was weinig meer te zien dan hogere gebouwen en boomtoppen, en de enorme zonnewijzer die vanuit Cernach Park zijn zwarte schaduw over de stad wierp.

‘Deirdre Vedelmoed is conform standaardrichtlijnen nagetrokken,’ ging Khalil met hardnekkige serieusheid door. ‘Iets wat jij overigens niet hebt laten doen toen je haar aannam.’

‘En wat hebben de standaardrichtlijnen overigens opgeleverd?’

‘Dat ze de afgelopen vier jaar regelmatig is gezien in het gezelschap van Conny ‘de Molensteen’ Nes.’

‘Ach, ik had niet de primeur, begrijp ik,’ zei Fergus, iets koeler. ‘Maar ‘regelmatig gezien zijn in het gezelschap van’ is een handige kapstok voor alles wat aan elkaar gekletst moet worden, Khalil. Daar weten wij bij ULAD genoeg van, niet?’

‘Verder onderzoek heeft meer uitgewezen.’

‘Dat ik de Molensteen via onze mooie Deirdre de mogelijkheid heb gegeven om te infiltreren bij ULAD, en dat er via Fergus MacRoich vertrouwelijke informatie is gelekt? Khalil, denk je nou echt dat ik zo’n amateur ben dat ik me laat leegpompen door een postgrad met mooie benen die een paar weken in mijn kantoor rondtrippelt?’

‘Verder onderzoek heeft uitgewezen dat de Molensteen in zijn strijd met de Stotteraar om het drugsmonopolie in Zesbond en Temarijn al bijna een decennium wordt gesteund door Fergus MacRoich. Met geld, met liquidaties – en met vertrouwelijke informatie.’

Stilte. Cooley zoemde voort, met de zon op zijn wang en zijn ogen op de lange schaduw van de zonnewijzer voor hem uit. Die brak zigzaggend over de platte daken van stadsdeel Partholon en rimpelde over boomkruinen.

Khalil strekte zijn benen en glimlachte. ‘Vrouwen blijken altijd fataal, Fergus. Zelfs voor een viriele stier als MacRoich.’

‘Viriliteit is geen schande, behalve als ze een man de grotere belangen van de strijd doet vergeten.’

Khalils glimlach verbreedde. ‘Je slagveld was koninklijk – of zoals je zelf aangaf: goddelijk – maar de strijd lijkt niet in je voordeel te zijn beslist.’

De BMW reed de schaduw van de zonnewijzer binnen. Cooley minderde nadrukkelijk vaart en reed stapvoets verder. De honderden meters hoge zuil stond aan de zuidkant van de rivier middenin Cernach Park en in primitievere tijden dacht men dat je lepra kreeg als de schaduw op je viel. Misschien was dat ook wel zo. Elke tijd schept zijn eigen realiteit en daarmee zijn eigen vloeken. Tegenwoordig verstoorde de schaduw GSM-signalen.

‘Namens wie spreek je eigenlijk?’ vroeg Fergus.

‘Namens ULAD.’

‘Welkom op het spelbord, Khalil Mahmadi.’

‘Elk spel kent zijn verliezers, al zijn de stukken van goud en zilver.’ Khalil klonk nog steeds zelfverzekerd. ‘Er zijn meer verbanden tussen jou en de drugsoorlog in Temarijn. En denk ook aan de klokkenluider die dood werd teruggevonden in de Japanse tuinen van Cernach Park.’

‘Ach ja, na een halfzachte getuigenverklaring. Niet wat je noemt een meesterzet.’

Een ongeval moest goed geënsceneerd en uitgevoerd worden. Hoe langer ze onder de schaduw van de zonnewijzer bleven, des te meer tijd was er om zaken te regelen en sporen uit te wissen. Cooley luisterde niet meer naar het gesprek, alleen nog naar Fergus’ toon. De BMW zou opgeofferd moeten worden, dat was duidelijk. Waarschijnlijk zou het een ravijn of een zijtak van de Lif worden. Het speet hem even.

Ze reden nog steeds op wandelsnelheid. De schaduw was hier een meter of honderd breed en hij kon de overkant al zien. Bij de eerste zijstraat sloeg hij af, bracht de auto tot stilstand en viste een stokoude stadsplattegrond uit het dashboardkastje. In de achteruitkijkspiegel ontmoette hij Khalils blik. Hij zag oogwit flikkeren.

Fergus klopte met zijn knokkels op het glas en riep luidkeels: ‘Verlies de tijd niet uit het oog, hè!’

Het frustreerde Cooley dat Fergus het als een persoonlijk gevecht zag maar hij borg de kaart op en liet de auto weer optrekken. In gedachten ging hij na welke wapens en cleasa hij kon inzetten om Khalil te ontwapenen en uit te schakelen. De krijgers-afzet, de sian caurad, de aangescherpte munt in zijn manchet, de gaibolga die in zijn combat boot verborgen zat: vecht- en verdedigingstechnieken die hij beheerste.

‘Ik weet dat je ambitieus bent en op mijn positie aast, maar is dit verstandig?’ vroeg Fergus. ‘Een rechtszaak gaat ULAD kapitalen kosten, plus jarenlang negatieve publiciteit waar onze burgemeester zeker garen bij gaat spinnen.’

‘Een rechtszaak gaat jou ook niet in de koude kleren zitten, Fergus. Er is een tijd van komen en een tijd van gaan. Het leven kan erg aangenaam zijn met goud, zilver en drinkbekers. Met onroerend goed en stokerijen. Met melkkoeien, ossen en kleinvee.’

Het was stil. Toen lachte Fergus schamper. ‘Ben je serieus?’

Cooley trok zijn mondhoeken ook op. Iemand die alles kon krijgen wat hij wilde en het vrijelijk deelde met wie loyaal aan hem waren, liet zich niet omkopen door buitenstaanders. Maar elitaire typetjes als Khalil begrepen zoiets niet.

Hij reed met een rustige gang verder. De bosrand ging geleidelijk over in Cernach Park. De struiken en bomen langs de weg waren stille silhouetten van antraciet, maar tussen de bladeren door zag hij vlaktes met rode en zilveren bloemen, en bomen ragfijn en kleurig als pauwenveren. Er bewogen grazende koeien.

Cernach Park was veranderlijker dan de seizoenen maar Cooley wist ongeveer waar hij was. Bij de eerste grote verharde weg minderde hij vaart en reed het park in. Door zijn zonnebril leek alles mild en gelig. De gevallen herfstbladeren langs de weg leken van brons, met gevallen kastanjes zwart als kevers. Links van de weg was een ondiepe, kristalheldere beek. Hij liet het raampje iets openglijden. De lucht van het park drong de auto binnen. Boven het gebrom van de BMW en de stemmen achterin hoorde hij gedruppel en gekraak. De grasvelden achter de beek dampten nog wat mistig waardoor alles in elkaar leek te lopen. Soms leken de grazende koeien met elkaar te versmelten, alsof ze rondgekarnd werden door de vier stieren die zich koninklijk en dreigend door de kudde woven. Het zonlicht glinsterde op de gifdruppels aan hun hoorns.

‘Je chauffeur is geloof ik de weg kwijt,’ hoorde hij Khalil zeggen. ‘Of heb je hem de opdracht gegeven om ons naar Cernach Park te brengen?’

‘Je voelt je toch niet geïntimideerd?’ vroeg Fergus geamuseerd.

‘Volstrekt niet.’

‘Deze jongen komt uit Murtheim. De zoon van een alleenstaande moeder en een schimmige vader, erkend door een herenboer maar na de dood van zijn moeder tussen allerlei familieleden heen en weer geschoven tot hij onder staatsvoogdij kwam. Diploma’s heeft hij uiteraard niet, wel een strafblad. Een probleemgeval met een historie van mishandeling, pleeggezinnen en jeugdzorg.’

Cooley schokte op uit zijn verkenning en keek door de achteruitkijkspiegel naar Fergus. Diens gezicht was naar Khalil gedraaid.

‘Ken je Murtheim? Zo’n achterstandswijk aan de zuidkant van de stad. Je wilt niet weten wat ze daar allemaal doen en leren, van jongs af aan.’ Nu boog Fergus naar voren. Hij bonsde op het raam. ‘Wat was dat ook al weer wat je me eens vertelde, Cooley? Dat je jezelf al vanaf je tiende hebt getraind om met een auto over verticale muren te rijden?’

Cooley kon alleen maar niet-begrijpend staren, door het raam en door zijn zonnebril die Fergus’ gezicht vreemd doods maakte.

‘Dat zal bekwame chauffeurs opleveren,’ zei Khalil, ook met stemverheffing.

‘Ze noemen het cleasa: allerlei gevechtstechnieken waar je je voordeel mee kunt doen maar die ook een sterk ritueel en symbolisch karakter hebben. Ooit vertelde hij me over – wat was dat ook al weer, Cooley? Hoe je over een glazen dak klimt zonder dat je er doorhee-’

Cooley gooide het stuur om en trapte het gaspedaal in. De BMW schoot de beek in, bonkend en in fonteinen van opspattend water, en daarna de andere oever op. Daar gaf hij nog meer gas. De motor brulde en de zwaartekracht drukte hem naar achteren in zijn stoel. Even was er alleen maar blauwe lucht, meteen daarna gras, en koeien.

Laat de voorkant van je auto als een strijdwagen zijn. Men je paarden de vijandelijke infanterie in en strooi hen als zandkorrels over het slagveld. Dat is de cleas die de ‘donderrit’ wordt genoemd. De BMW bonkte maar Cooley’s handen waren een met het stuur en zijn woede en bitterheid hielden de auto in toom. Hij zag vacht tegen de ramen geperst, soms een uitpuilend oog, en het pad van wegvluchtende koeien dat voor hem opende alsof hij het universum uiteenscheurde.

‘Ben je gek geworden, Cooley!’ hoorde hij Fergus brullen.

Maar elk pad is smal en gevaarlijk. Een tegenstander die uit het pad van de malende wielen weet te blijven kan vanaf de zijkant zijn speer of pijlen over de rand van de strijdwagen laten gaan en de menner of de krijger uitschakelen. Dat is de uitdaging van de donderrit.

De eerste stier verscheen aan de bestuurderskant en stortte zich op de auto. De dreun deed de auto even op twee wielen rijden. Cooley boog snel uit de weg toen metaal krijste en scheurde en rookwolken opwolkten van in het gif opgelost chroom. Even later doemde een tweede stier op en beukte de zijkant naast Fergus krakend en splinterend in. De scheidingswand tussen de voor- en achterkant van de auto werd mee verbogen en het glas brokkelde weg.

Op dat moment trapte hij op de rem en deed de motor van de auto uit.

Hij draaide zich om. Khalils ogen puilden uit en werden groot toen er ook aan zijn kant een dampende stierenkop verscheen en twee druppende hoorns het raam versplinterden tot ijzeltakken en wit sneeuw. Het stemde Cooley tevreden maar hij besteedde er verder geen aandacht aan. Hij keek naar de passagier achter hem. Fergus’ grijze ogen waren dichtgeknepen, zijn mond ook, en zijn revolver was op Cooley gericht.

Ze keken elkaar aan over de loop van het wapen.

Denk maar niet dat je me kunt intimideren, oude man, dacht Cooley. Dat je je laat kopen met drinkbekers, landhuizen en kleinvee moet je zelf weten, maar denk niet dat je de victorie kunt kraaien omdat je me twee jaar lang als een hondje achter je aan hebt laten trippelen en me nu aan de kraaien probeert te voeren. Deze hond bijt vanaf nu ook jouw hand af. Dit is mijn waarschuwing.

Toen de passagiersdeur aan de voorkant ook brak en de geur van gras en dier naar binnen woei, draaide hij zich weer om en startte de BMW. Met korte, brullende stoten veegde hij de dieren aan de kant, tot hij met een ruime boog door het gras terug naar de beek kon rijden. In zijn achteruitkijkspiegel zag hij twee stieren achter de auto aan rennen, daarna slingerend tot stilstand komen.

Ik groet u, stieren, dacht hij. Kokend bloed, hart van ijs.

Een paar minuten later reden ze weer op de weg langs de zwart-witte zoom van het park. Cooley floot zachtjes. Hij hoorde aan het geritsel dat Fergus zijn revolver weer terugstak onder zijn colbert. Op de achterbank werd niet meer gepraat. In stilte reden ze verder, met eerst koele boslucht en daarna vettige stadsgeuren die tussen de slierterige glasscherven naar binnen drongen. De zwaar beschadigde wagen trok natuurlijk aandacht maar Cooley zocht de rustige wegen op zodat ze zonder oponthoud en in minder dan tien minuten de achterkant van Fergus’ landgoed hadden bereikt. Op het landweggetje waar hij zijn baas vaak had afgezet of van auto had laten verwisselen, stopte hij abrupt. Zonder de sleutels uit het contact te halen ontgrendelde hij het portier naast hem, trapte het verbogen metaal open, stapte uit en liep weg.

Er sloeg geen kogel in zijn rug.

Tegen de tijd dat de twee mannen bij de auto hem niet meer konden zien was zijn razernij weggesmolten in de novemberzon. Hij voelde zich lui en ontspannen, zoals je dat hebt als je een gevecht hebt geleverd. Misschien kon hij naar huis gaan om wat slaap in te halen, of zich in een bar in Jedannen rustig gaan volgieten zodat hij in een passend levendige stemming was tegen de tijd dat daar vrienden kwamen. In nadenken over de toekomst had hij nog geen zin. Hij had er twee machtige vijanden bij gekregen, maar Dubblai was groot en nooit veilig. En niemand naaide Dan Cooley.

Toen hij op de weg naar Diuran liep met vage wraakgedachten die moeite hadden om zich in de zon uit te strekken tot echte plannen, voelde hij een telefoon trillen in de binnenzak van zijn jas. Hij bleef doorlopen. In het glooiende landschap met boomwallen bewoog niets. Dit toestel stond niet op zijn naam en hij had geen enkele reden om op te nemen. Maar de zon scheen schuin en november-fel over het gras en als een zeker iemand de handschoen wilde opnemen tegen Dan Cooley dan deed hij dat maar.

Hij nam op.

‘Dan, waar denk je dat je mee bezig bent?’ Fergus liep zo te horen ook in de buitenlucht.

Cooley zei niets.

‘In een paar minuten tijd maak je twee vijanden. Denk je dat je in Dubblai rustig je gang kunt blijven gaan als ULAD zich serieus met jou gaat bezighouden?’

Cooley zweeg nog steeds.

‘En denk je serieus dat je kunt overleven als ík me met jou ga bezighouden?’

De woede begon weer in hem te koken. Kom maar hier, oude man, dacht hij, dan gaan wij ons met elkaar bezighouden.

‘Ik weet dat dit soort nuances jou ver boven de pet gaan, maar prent één ding in dat stomme, roekeloze hoofd van jou: als duidelijk is dat je een stuk van je domein verliest dan moet je niet in blinde razernij de rest ook weggooien. Als ik dat niet wist dan was ik in mijn leven niet gekomen waar ik nu ben. Je denkt niet na, Dan, en als ík daarvan gebruik kan maken door geduld te hebben, door te voorspellen wat jij in je dolle-honderigheid gaat doen, dan zullen andere mensen dat ook doen. Jij kunt veel maar met roekeloosheid bereik je maar de helft van wat je zou kunnen bereiken.’

Jij kunt helemaal niets over mij voorspellen, dacht Cooley, en dat ga je merken ook.

Fergus zuchtte. ‘Als je een lucifer bij jou houdt, Dan, dan ga je af. Je bent een kanon. Iedereen die zorgt dat de kanon de juiste kant op is gericht bereikt zijn doel, wat het machteloze staal van de loop zelf ook wil.’

Alsof Fergus Cernach Park zo goed kende dat hij had geweten dat die stieren daar waren, alsof hij Cooley’s donderrit had kunnen voorspellen. Alsof Fergus met Khalil over zijn cleasa kon praten, alsof hij daarmee weg kwam.

‘Wat wil je, MacRoich?’ vroeg hij.

‘Je hebt een hoop goed te maken, Dan. Bij ULAD, bedoel ik. Ik heb Mahmadi laten zien dat Dan Cooley een onschadelijke imbeciel is die toevallig ook erg goed chauffeert. Ze willen je nu vast niet kwijt, maar zoals ik al zei: wat ík kan voorspellen kunnen zij -’

‘Wat bedoel je met dat jíj Mahmadi hebt la-’ begon Cooley.

‘- ook voorspellen,’ ging Fergus onverstoorbaar verder. ‘Want natuurlijk willen ze je ondervragen over mij en ze zien heus wel dat ze meer bereiken als jij daar zelf voordeel bij hebt, als jij je baantje houdt. Daar gaat het ze om, daar wordt jouw positie vanaf nu volledig door bepaald. Dus daar gaan jij en ik het nog uitgebreid over hebben, Dan, want als jij dan weer als een kip zonder kop bezig gaat of met puberale opmerkingen gaat zitten provoceren dan is alles voor niets geweest.’

Cooley’s combat boots bleven op het asfalt neerkomen, maar met het naderen van de rand van de bebouwde kom van Diuran was het alsof zijn begrip muren van steen en fundamenten van beton kreeg. Of Fergus’ eerlijkheid opwoog tegen zijn arrogantie wist hij nog niet. Hoe dan ook, zijn leven schikte zich weer in het grotere geheel. Het verstijfde hem, het besef dat die webben van belangen van gewapend staal waren en hij een vluchtige mistflard die bij het kleinste zuchtje wind kon vervliegen.

Kokend bloed, hart van ijs, hoe kort het vuur ook woedt.

‘Ben je daar nog, Dan?’ hoorde hij Fergus’ stem.

De stad leek ineens onafzienlijker dan ooit, en Fergus de spin die draden liet trillen. Een stier heeft vazallen nodig die hem steunen maar een spin niet.

‘Dan?’

Cooley vond zijn stem terug. ‘Ja,’ zei hij, met een hulpeloosheid die hem meteen kwaad maakte. Stieren of spinnen, ze zouden merken wie Dan Cooley was.

‘Goed. We moeten het ook hebben over hoe jij en ik vanaf nu gaan communiceren. Als je dacht dat het nummer dat we nu gebruiken niet tot jou terug te leiden is dan had je het mis.’ Fergus wachtte even, alsof hij Cooley’s gezicht op dat moment kon zien. ‘Begrepen?’

Cooley knikte werktuigelijk, opende toen zijn mond om te antwoorden, stopte. Denk na, dacht hij. Als je nadenkt dan kan Fergus je niet gebruiken, kan niemand je gebruiken en manipuleren.

Hoe kort het vuur ook woedt.

‘Dan?’ vroeg Fergus, nu koel.

‘Begrepen.’ Er was nog alle tijd van de wereld om te laten zien dat Dan Cooley niet met zich liet spotten. Ik groet u. ‘Ik hoor het wel.’

Tot zijn verbazing en meteen weer oplaaiende woede lachte Fergus even en verbrak toen de verbinding.

Cooley wilde het toestel terug in zijn binnenzak stoppen maar slingerde het toen met al zijn kracht het struikgewas in. Niemand solde met Dan Cooley, ook Fergus MacRoich niet. Wacht maar, dacht hij. Wacht maar, oude man. Je weet nu al wat ik waard ben en er zal een moment komen dat je ziet dat zelfs jouw macht en slimheid geen partij zijn voor mijn kracht. Elke stier moet op een zeker moment het veld ruimen voor de volgende.

Ergens had hij het gevoel dat Fergus ook die gedachte had voorspeld.

 

‘Kokend bloed, hart van ijs’ is een verhaal dat volledig op zichzelf staat maar ook deel uitmaakt van een groter geheel: Cernach Park.

Last modified: 12 maart 2019

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *