Bretts kogel

Cooley en Slane

13 juli 2018

De munt met de vlijmscherpe rand buitelde over de vingers van zijn rechterhand. Het was donker in de BMW, maar de nachtwolken gloeiden oranje boven de stad en lieten de munt vaag oplichten. Niet dat hij zijn ogen nodig had voor deze routine-oefening. Hij liet de munt tussen zijn wijsvinger en duim glijden en maakte snelle sneetjes in de lucht, langs verschillende imaginaire bloedvaten. Toen de munt onderhands weer onderweg was naar zijn pink, kruiste hij zijn linkerhand onder de rechter om hem in het passeren over te nemen.

Op dat moment hoorde hij de schoten.

PDF-versie

Dan Cooley, tweeëntwintig jaar oud en privéchauffeur, keek met een ruk op. Hij liet de munt terugglijden in de manchet van zijn leren jack en stapte snel uit. Vanuit de beschutting van de auto scande hij met zijn ogen het park af.

De bomen leken bleek en oud en hadden een onnatuurlijke koortsige gloed gekregen. Terwijl hij luisterde of hij meer schoten hoorde, rukte een windvlaag aan een berk aan de rand van het park en maakte een wolk stof los. Even later kolkte het over het gescheurde en overgroeide asfalt waar hij nog geen twintig minuten geleden de BMW had geparkeerd en de passagiersdeur had opengehouden voor Fergus MacRoich en diens twee lijfwachten. Hij had het drietal tussen de bomen zien verdwijnen voor de ontmoeting met drugsbaron Gilla ‘De Monnik’ Koeman.

Hij stond nog te kijken en te denken toen zijn mobieltje trilde.

‘Loui, neem op,’ zei hij zacht tegen zijn virtuele assistent.

‘Dan?’ De stem van Fergus MacRoich echode hol tussen metalen muren. ‘Ik wil dat je hierheen’ – een oorverdovend schot en een stokken van de stem – ‘hierheen komt.’

Er klonk weer een schot, en bonkende geluiden alsof voeten een trap op kwamen gedonderd. En nu schoot Fergus zelf, fel en dichtbij. ‘Dan, hoor je me? Weet je waar de uitkijktoren is?’ Fergus’ stem had iets van zijn gebruikelijke beheersing verloren.

Cooley was al aan de rand van de begroeiing. ‘Waar zijn Ford en Brett?’

‘Dood. Sta daar geen wortel te schieten! Neem het pad dat wij ook namen. En gebruik je verstand. Koemans auto moet ergens staan en hij laat zijn lijfwachten nooit chaufferen. Laat je niet verrassen.’

Fergus’ laatste woorden gingen onder in het gekraak onder Cooley’s combatboots. Hij stormde het pad op. Onder de bomen moesten zijn ogen wennen aan de duisternis maar al gauw zag hij genoeg om de stammen van de bomen langs het pad als markeerpalen te kunnen gebruiken. De kruinen boven hem ruisten en het sneeuwde as. De grond leek te sidderen en golven. Hij trok zich er niets van aan.

‘Let goed op of je die auto ziet. Dan, hoor je -?’ Een nieuwe kogelsalvo onderbrak Fergus abrupt.

Cooley minderde vaart. ‘Hallo?’

Stilte. Alleen nog holle voetstappen.

Takken explodeerden onder zijn schoenen. Het pad leek te zijn verdwenen maar de jaren dat hij als schoffie de uitlopers van Cernach Park had verkend en veroverd wezen hem blindelings de weg naar de uitkijktoren. Hij ploegde als een tank door struikgewas heen en plonsde door beken. Boven hem desintegreerden boomtoppen en het was alsof hij door een storm van lauw, soms gloeiend as rende. Hij sneed er als een mes doorheen. Cernach Park vernietigde en herschiep zichzelf deze nacht maar Dan Cooley schiep zijn eigen weg.

Pas toen hij de rand van de omhoog glooiende open plek met de uitkijktoren had bereikt, minderde hij vaart. Hij herinnerde zich Fergus’ waarschuwing over Koemans auto weer en hurkte hijgend neer. Zijn donkere haar en kleding waren bedekt met stof zodat hij nauwelijks nog afstak tegen de struiken en grond.

Bij de voet van de wenteltrap stond een donkere gestalte met een geweer. Cooley’s blik ging omhoog, de levenloze wentelingen langs, tot aan het trapgat in de onderste verdieping van de uitkijktoren, waar schaduwen bewogen tegen oranje licht. De raamopeningen van de beide verdiepingen van de toren waren wel zwart, want voor het gesprek tussen de Monnik en het hoofd van Dubblai’s veiligheidsdienst ULAD waren ze met landbouwplastic afgeplakt. Cooley keek naar de zwarte rechthoeken. In die ronde, holle ruimten daarachter kon nog geen vlieg dekking vinden.

Hij verspilde geen tijd. Hij ritste zijn jack open, trok zijn revolver uit de schouderholster, veerde overeind en stormde de helling op. Pas toen hij drie, vier kogels had afgevuurd begreep de man aan de voet van de wenteltrap dat het leven minder eenvoudig was dan hij had gedacht en begon terug te vuren. De kogels sloegen mijlenver achter Cooley neer tussen de boomrand en slechts een enkele liet modder om hem heen opspatten. Zelf bleef hij schieten, tot het geratel abrupt stopte en de man ineen zakte.

Bij de voet van de wenteltrap propte Cooley de Walther terug, rukte de G36 los van het lijk, schoof de schouderriem over zijn schouder en rende met drie treden tegelijk en gedonder als van een keteldrum de trap op. Een paar wentelingen hoger stopte hij om over de spijlenleuning een salvo lood naar het trapgat te zenden. Geschreeuw bewees dat ze nu begrepen dat hij eraan kwam. Hij donderde verder. Van boven kwam een antwoord en overal hoorde hij kogels tegen de roostervloer van de trap neerslaan als hagel. Weer leunde hij naar buiten, zag uit zijn ooghoeken water opspatten bij de voet van de toren. Zijn gekromde vinger leverde een passend antwoord.

Hij was al halverwege toen hij zich ervan bewust werd dat de stem van Fergus al een tijdje in zijn oortje riep.

‘Van twee kanten, MacRoich!’ riep hij, voor het geval Fergus dacht dat er meer tegenstanders waren gekomen, en vuurde nog een keer naar het trapgat.

Eindelijk hoorde hij wat Fergus brulde. ‘Gebruik je verstand, jij dolle stier! Ik heb geen ammunitie meer!’

Cooley remde vaart, draaierig van de wendingen. Er lag intussen al een lichaam op de bovenste wenteling van de trap. Hij zag het afsteken tegen het oranje licht. Maar daar bewogen nog altijd schaduwen. Met hoevelen waren ze dan wel niet? Toen zag hij dat de woeste oranje schaduwen in het trapgat geen mensen waren maar het flakkeren van vuur. De vloer onder Fergus’ voeten werd roodgloeiend opgestookt.

Cooley’s instincten gaven hem nog een laatste adrenalinestoot die zijn laarzen een stuk of tien treden liet opstormen. Toen drong het echt tot hem door. Tegen de tijd dat Fergus’ laatste man zich een weg naar boven had gevochten, zou de leider zich al hebben moeten overgeven – als hij dan al niet bezweken was in de hitte.

Abrupte kalmte. Het oog van de storm. IJs.

‘MacRoich?’ Zijn adem raspte en zijn tong had nog moeite om woorden te vinden.

‘Dan, wat ben je godverdomme aan het -’

‘MacRoich, scheur het plastic voor de ramen weg.’

Het was even stil. Toen hoorde hij snelle voetstappen en de eerste rauwe scheurgeluiden.

Cooley vuurde een langdurig salvo omhoog om de geluiden te maskeren en te demonstreren dat hij niet verslagen was. Daarna sloeg hij zijn benen over de reling en sprong.

Het was ruim zeven meter maar ook als de grond onderaan de uitkijktoren inmiddels niet tot drassige moeras was verworden dan was hij gesprongen en was hij veilig geland. Hij was een speer die door vlees en botten brak, die bloed op kogelvrije vesten liet spatten. Dit was nog maar het begin. Als Fergus MacRoich viel dan zou Dan Cooley als een stier elke tegenstand onder de voet lopen en pas stoppen als hij zijn bebloede horens triomfantelijk boven de omgewoelde wereld kon heffen.

Hij landde met een enorme plons en zakte tot zijn knieën weg in lauwe modder. Het duurde even voordat hij zijn benen had losgetrokken en zijn evenwicht hervonden. Toen dat was gebeurd plaste hij een meter of tien weg van de toren. De kogels die om hem heen in het water sloegen deerden hem niet. Het laaiende vuur in zijn hoofd had opnieuw plaatsgemaakt voor kalmte.

Hij schoof de G36 achter zijn rug en haalde een bundeltje uit zijn broekzak. Terwijl hij met hete, modderige handen de twee koorden los wikkelde keek hij omhoog naar de toren. Op de bovenste verdieping straalden de zwarte rechthoeken van de ramen nu oranje. Voor eentje stond een silhouet. Zelfs van deze afstand herkende hij het gekapte haar en de colbertschouders van Fergus.

Hij opende het magazijn van zijn Walther. Hoeveel 9×19 Parabellum-munitie er nog in zat wist hij niet, maar hij liet alles in zijn zak rollen en stak de Walther weg in de schouderholster. Toen legde hij de eerste kogel in het leren lapje van de slinger. Met de grootste en felste snelheid die hij kon opbrengen maakte hij enkele slingerbewegingen terwijl hij zich concentreerde op de nauwe rechthoek ruim twintig meter boven hem. De ramen in de toren waren bedoeld om over het park uit te kijken, maar een lenig jochie van acht klom natuurlijk probleemloos naar buiten en werkte zich onder gejuich van vrienden het halfronde dak op. Cooley wist dat zijn doelwit ongeveer vier handlengtes breed en ruim twee hoog was. Een makkie. Hij liet het voorste koord los. In het donker kon hij niets zien en het gekreun en geruis van het park overstemde het stuitergeluid van het kleine voorwerpje op de metalen vloer, maar ruim vijftien jaar ervaring vertelde hem dat hij niet had gemist. Hij pakte een volgende kogel, laadde de slinger opnieuw, slingerde en schoot weer. En weer. De vertrouwde, geconcentreerde bewegingen kalmeerden hem verder, tot hij de vijfde kogel tegen de metalen wand aan voelde knallen. Furie kreeg weer de overhand, zeker toen hij naar een volgende 9×19 tastte en zijn vingers enkel jaszakvoering tegenkwamen.

Rustig, dacht hij. Gebruik je verstand.

Cernachs bosgrond reikte inmiddels tot ver boven zijn knieën. De lauwe soep streek langs zijn benen alsof het ergens in beweging werd gehouden. Het deerde hem niet. Ook de wetenschap dat ze boven hem dachten dat zijn rol was uitgespeld liet hem koud, want straks zouden ze merken hoe erg ze zich vergist hadden. Hij trok de G36 weer naar voren en wachtte met zijn hand op de greep tot Fergus in het donker de kogels had weten te vinden en zijn revolver had herladen.

De eerste twee knallen in zijn oortje dreven zwarte gestalten achterwaarts door het trapgat naar buiten als makke schapen, en Cooley kon ze rustig wegmaaien. Er werd teruggeschoten maar de nacht was van hem en Fergus.

Toen was de G36 leeg. In de stilte rolde en ruiste het park met het geluid van stromend water. Hij wachtte, sterk als een stam en met zijn voeten in de aarde van Cernach.

‘MacRoich?’ vroeg hij toen.

Het bleef stil.

Met een zuigend geluid bevrijdde hij eerst zijn rechterbeen en toen de linker uit de modder.

‘MacRoich!’

Boven hem verrees de toren zwart als een kraai. Cernach rimpelde en druppelde, de bomen langs de rand van de open plek een skelet van donkere stammen, bekleed met vlees van bleek-oranje mist waarin hier en daar nog een enkele vuurvonk gloeide. Kleuren waren er niet meer. Deze nacht kende geen lichtgoud of purper, geen wit of koningsblauw.

Een eeuwigheid verstreek. Toen hoorde Cooley in zijn oortje de voetstappen waarmee de machtigste man van Dubblai’s veiligheidsdienst, Fergus MacRoich, een trap afdaalde. Cooley wachtte. Even later zag hij de eenzame figuur afsteken tegen het trapgat en, traag van moeheid maar met een rechte rug, de wenteltrap afgaan, langs de lichamen van de gedode vijanden.

Ze ontmoetten elkaar bij de voet van de wenteltrap. Cooley trok zijn oortje los.

Fergus wierp een blik om zich heen. ‘Een toepasselijke setting voor enerverende gebeurtenissen,’ zei hij. ‘Aan een constructieve samenwerkingsrelatie van enkele decennia is vannacht een einde gekomen. Laten we gaan. En laten we hopen dat de vele lieden die hier in de loop der tijden een onceremoniële begrafenis hebben gekregen, diep genoeg liggen. Ik heb geen behoefte aan gezelschap van gene zijde.’ Hij zette een paar stappen en wankelde.

‘Gaat het?’

‘Ik ben niet meer zo’n jonge, roekeloze gek als jij, Dan. Vroeger wel, natuurlijk, maar met de jaren komt de calculerende roekeloosheid die we wijsheid noemen.’ Hij kreunde en kwam tot stilstand. ‘Ik vrees dat ik je om een lift moet vragen.’

Zonder verdere omhaal liet Cooley Fergus op zijn rug klimmen. De armen sloten zich om zijn nek. Het lichaam beefde van alle inspanningen maar de toon waarmee Fergus achter hem ‘Vooruit dan maar weer, Dan,’ zei was vast.

De beken die Cooley eerder had geslecht waren inmidddels vervloeid met de bosgrond, die meestal lauw maar soms ook heet of juist ijskoud aanvoelde aan Cooley’s vermoeide benen. Vaag drong het tot hem door dat de stammen langs het pad niet meer van solide hout waren. De bomen rimpelden omhoog, vertakten zich en spatten in de dunste twijgen van de kruin als branding uiteen om over zijn gezicht te sproeien. Het vocht op zijn lippen had een zurige smaak met een zweem van verrotting.

‘Cernach Park, dat eindeloos sterft en zichzelf herschept uit het vocht van de aarde en de lichten van de stad,’ klonk Fergus’ stem vanaf zijn rug.

Cooley kon geen adem missen voor een reactie maar had er ook geen geweten.

‘En wij tweeën er eenzaam doorheen trekkend, Dan. Strijders, veroveraars, kinderen van de vloed, die door de branding het strand op waden om de groene kusten en de ijzeren bergen aan onze wil te onderwerpen. Ben jij onderweg iemand tegengekomen? Gilla’s chauffeur, bijvoorbeeld? Ik ken Gilla lang genoeg om te weten dat hij te zwaarlijvig en te belangrijk is om vanaf de rand van de stad te komen lopen.’

Het interesseerde Cooley niet, maar hij voelde dat Fergus een antwoord verwachtte dus hij bromde even.

‘Gelukkig heeft Cernach altijd een oplossing voor de onvermijdelijke sporen van onze activiteiten,’ vervolgde Fergus, wiens stem steeds sterker en rustiger begon te klinken. ‘Zoals dit object, dat jou het afgelopen half uur ongetwijfeld zijn nut heeft bewezen.’ Cooley voelde dat Fergus een arm van zijn nek loshaakte en, voordat hij iets kon doen, de schouderband van de G36 over zijn hoofd trok. Hij hoorde het wapen in de bosgrond plonzen. ‘Hoe kwam je daar trouwens aan?’

Hoe hij daaraan kwam? Moe of niet, er welde woede in Cooley op over Fergus, die zonder hem erin te kennen zijn geweer weggooide en meende te kunnen vragen hoe hij zich verdedigde. Maar hij beheerste zich en zocht in zijn geheugen. ‘Van Gilla’s chauffeur,’ zei hij. ‘Die kwam ik onderweg tegen.’

‘Goed werk vannacht, Dan.’

Dat dacht ik ook, dacht Cooley. ‘Wat gebeurde er nou eigenlijk?’ vroeg hij.

‘Gilla had zich al ongemerkt op de wenteltrap teruggetrokken toen mijn oog op de jerrycans viel. Ik moet zeggen dat het een weldoordachte operatie was en dat het een prestatie kan worden genoemd dat hij vooraf allebei mijn lijfwachten heeft weten om te kopen. Of daar had het in elk geval alle schijn van. Ford kon ik zelf uitschakelen. Brett sneuvelde in het vuurgevecht. Zijn wapen heeft me vanavond goede diensten bewezen. Het heeft de Monnik het tijdelijke met het eeuwige doen verwisselen.’

In de verte zag Cooley de parkeerplaats liggen. Aan de rand zag hij de BMW staan, donker en zijn aanwezigheid enkel verradend door een oranje glans langs de curves van de carrosserie. De gedachte dat hij binnen enkele minuten plaats kon nemen in de bestuurdersstoel en de motor het werk kon laten doen was als een warm bad.

‘Waarom heb je de auto verplaatst?’ vroeg Fergus.

‘Huh?’ Cooley keek om zich heen en zag wat hij bedoelde. Hij bleef staan.

Links, tussen de stromende bomen, stond een spookversie van de BMW. Op een paar meter afstand van de auto stond een man naar hen te kijken, in een leren jack en met hetzelfde donkere haar als hijzelf.

Cooley kon het niet bevatten. Toen zag hij dat de auto geen BMW was maar een Audi. Hij zag de man een gehandschoende hand heffen. Fergus maakte een heftige beweging met één arm, maar Cooley kon alleen maar blijven staan en staren, zijn benen in de lauwe drab, zijn oren suizend van de uitputting.

Er klonk een schot.

De spanning zakte weg uit Fergus’ lichaam.

Dit kan niet, dacht Cooley. Vertel me niet dat alles voor niets is geweest, dat ik straks het levenloze lichaam van Fergus MacRoich van mijn rug af voel glijden.

Toen zag hij Gilla Koemans chauffeur voorover vallen.

Fergus’ arm maakte zich van zijn nek los. Het hoofd van ULAD liet zich omlaag zakken en stond even later tot zijn knieën in de bosgrond, een revolver in zijn hand. Hij maakte een hoofdbeweginkje. Cooley volgde hem stil, nog steeds perplex.

‘Zorg dat je altijd een kogel achter de hand houdt, Dan,’ zei Fergus, toen ze de rand van het parkeerterrein hadden bereikt. Eenmaal op het droge bukte hij zich om een opgestroopte broekspijp van zijn kostuum op zijn plaats te trekken. Hij richtte zich met een kreungeluidje weer op. ‘Ik meen me te herinneren dat je zei dat je de chauffeur onderweg had uitgeschakeld.’

Cooley voelde een golf van verontwaardiging. Hij mocht dan niet zoals Ford een telg uit een geslacht van elite-soldaten zijn, híj had zich niet laten omkopen. Híj had vannacht zijn waarde bewezen. ‘Dan heb ik me zeker vergist,’ zei hij sarcastisch.

Fergus zweeg.

Toen zei hij: ‘Mensen als jij zijn nodig, Dan. Jullie zijn de bosbranden die het aardoppervlak teisteren en de lei schoonvegen voor hen die hem willen beschrijven.’

Hij leek op een antwoord te wachten maar Cooley zweeg en bewoog zich niet. Als Fergus dacht dat hij een bosbrand was dan kon hij maar beter een paar blusvliegtuigen laten aanrukken.

‘Zoals ik al zei: Bretts wapen heeft me vanavond goede diensten bewezen,’ vervolgde Fergus, luchtiger. ‘Ik zou het een naam moeten geven, zoals we dat heel vroeger bij onze wapens deden. Gilla-Doder. Een naam voor een wapen dat van vader op zoon werd doorgegeven, een wapen dat met elk gebruik effectiever werd omdat het de magische overwinning van leven op dood in zich meedroeg. Verraad-Vergelder. Maar het mag niet zo zijn.’ Hij draaide zich om naar het park en zijn hand zwiepte. Een moment later hoorde Cooley de revolver in de bosgrond plonzen. ‘Getuigen zijn hier niet wenselijk, dat begrijp je zeker wel.’ Hij draaide zich naar Cooley om.

Het was secondenlang stil. Toen knikte Cooley.

‘Zorg dat je morgenochtend om negen uur weer klaar staat met een schone auto, Dan,’ zei Fergus nadat Cooley de deur voor hem open had gehouden en zelf aan de andere kant was ingestapt. ‘Ik heb twee volle agenda’s. Flidas?’

‘Ja, MacRoich?’ hoorde Cooley de stem van een virtuele assistent in Fergus’ oortje ritselen.

Nog voordat hij de auto had gestart en was opgetrokken was Fergus al aan het werk, zijn benen en met modder beklonterde design-schoenen uitgestrekt en zijn handen rustend in zijn schoot. Hij deed geen moeite om zijn stem te dempen.

Cooley reed het oude fabrieksterrein af en deed alsof hij geen woord hoorde. Op de Doelting-avenue, toen hij vaart kon maken en de BMW luider zoemde, begon hij zachtjes in zichzelf te fluiten. De nacht was goed geweest.

 

Bretts kogel is een verhaal dat volledig op zichzelf staat maar ook deel uitmaakt van een groter geheel: Cernach Park.

Last modified: 28 oktober 2018

2 Responses to :
Bretts kogel

  1. Carol schreef:

    Nu wil ik Táin bo Cuailnge ook lezen natuurlijk….

    1. deborahva schreef:

      Naast extreme roekeloosheid, geweld en geldingsdrang zijn er ook andere dingen in te vinden, gelukkig. De Engelse vertaling uit 1969 van Thomas Kinsella (Oxford UP) is trouwens erg goed en leesbaar, en via internetboekwinkel vlot te verkrijgen, paperback en eboek. Maar hoed u dus voor de bergen lijken – veelal letterlijk, want in de Oudierse heldenliteratuur mocht men graag overdrijven. En voor de lage opinie van vrouwen die men er aan de dag pleegt te leggen…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *