Oude wereld

Mens tussen machines

15 juni 2018

Het was de dag van de wedstrijd. Een prachtige, zonnige dag, maar alleen een idioot als Semmeling had deze selectie kunnen verzinnen. Camu in de aanval, met Abramovic en Brood in de verdediging.

Eva hielp hem met omkleden.

‘Camu in de aanval is geen slecht idee, maar dan moet je niet Brood in de verdediging zetten. Dan weet je dat het bij balverlies helemaal in de soep loopt.’ Met zijn ogen volgde hij haar terwijl ze zijn schoenen een voor een onder de kraan hield en wat aangekoekt modder van de zolen krabde. ‘Als het nou nog De Vett was geweest.’

PDF-versie

‘Vergeet je rits niet,’ zei ze alleen maar.

‘O ja, goed dat je het ziet.’ Ze waren al samen sinds hij op zijn achtendertigste bij een val van een steiger een dwarslaesie had opgelopen en dit waren van die rituelen.

Buiten snoof Austin de zomerlucht op. Er stond een licht briesje dat de bomen in een nabijgelegen uitloper van Cernach Park liet ritselen. Hij hoorde zacht geroezemoes uit tuinen en een enkele grasmaaier. Winnen met twee punten voorsprong was mogelijk als Novak even goed scoorde als vorige maand tegen Hippolyt. En twee punten was genoeg om in de eredivisie te blijven. Vanavond zou het feesten kunnen worden.

‘Mijn petje nog,’ bedacht hij ineens. ‘Anders verbrand ik.’

‘Waarom denk je daar zelf ook niet eens aan?’

‘Ik mag toch ook wel eens wat vergeten.’

Hij wachtte tot ze weer terug kwam met zijn rood-gouden Aetates-petje. Terwijl hij het stevig op zijn hoofd plantte klikte zij zichzelf vast achterop zijn scootmobiel. Eva was een meter twintig hoog en bekleed met lichtgrijs rubber waaronder metalen gewrichten rimpelden. Alles wat ze wist had ze in de loop van de tijd geleerd door data te analyseren en de juistheid van haar conclusies te toetsen aan Austins responsen. Ze was honderd procent functioneel. Ze had niet eens een hoofd. Austin had nooit begrepen wat andere mannen zagen in van die neppoppen met blauwe ogen en wimpers.

Ze reden de straat uit, langs rijtjeshuizen en veldjes, langs flats die met betonnen stilzwijgendheid in de middagzon lagen te gloeien. Daarna sloegen ze de Doelting-avenue op waar weinig verkeer was. In de villa’s en tuinen rechts zaten mensen in de schaduw en in de verte links glinsterde het water van de Lif tussen de bomen. Austin genoot van het briesje langs zijn gezicht.

‘Brood heeft twee jaar geleden bij Formora klassevoetbal gespeeld tegen Mundo, zeiden ze op de persconferentie. Alsof dat wat zegt.’

Ze zweeg nadrukkelijk zoals ze dat altijd deed als hij over voetbal praatte.

‘Als ze dat echt geloofden dan hoefden ze dat niet zo nadrukkelijk te zeggen, dan wist iedereen –’ Hij stokte toen de avenue een bocht maakte en ze een rij stilstaande auto’s zagen staan voor de slagbomen van de Doeversbrug. Austin sloot zijn mond en perste zijn lippen op elkaar.

Eva bekeek de situatie. ‘Het kan wel even duren,’ zei ze toen. ‘De brug is nog niet open.’

‘Hoeveel schepen moeten er door?’ Austin drukte zich op de steunstangen omhoog en probeerde iets te zien.

‘Ik zie er een stuk of vijftien liggen maar er komen nog meer aan.’

‘Van die slome roestbakken, zeker. Ga eens kijken.’

‘Wat hebben we daaraan? We kunnen er toch niets aan veranderen?’

‘Ga nou gewoon even kijken. Dat is toch niet zoveel moeite?’

Ze klom van de scootmobiel en scharrelde op haar vier gevoelige benen naar de rand van de weg. Daar bleef ze geruime tijd bewegingloos staan. Austin wachtte ongeduldig af. De oude Doeversbrug overspande de Lif hier op een van haar breedste plekken met zes stenen pijlers en tonnen aan gietijzer. Aan de overkant van het water verrezen de hoogbouw van de stad en de rollende kruinen van Cernach Park, wat heiig in de zomerzon.

Rondom hem sloegen autoportieren en klonken gelaten stemmen. Als de Doeversbrug open ging dan wist je dat dat lang ging duren. Austin keek op de dashboardklok. Het was al bijna kwart voor een. De wedstrijd begon om half twee.

‘En?’ riep hij naar Eva.

Ze stond stil te kijken en reageerde niet.

‘Eva?’

Ze bleef stil ook al had ze hem best gehoord.

‘Moeten we contactlenzen voor je kopen?’ riep hij geïrriteerd. ‘Of zo’n antieke bril op een stokje?’

‘Moet ik deze twee vragen eerst analyseren en dan pas die over de schepen?’ riep ze terug.

‘Alsof jouw beperkte capaciteit dat allemaal zou klaarspelen!’ Austin liet zich weer zakken. Er viel ook niets te weten. Ze moesten gewoon wachten. En dan sneller rijden, stukken afsnijden. ‘Wanneer moet hij op zijn laatst dichtgaan willen we toch op tijd komen?’ riep hij naar Eva.

Ze kwam weer terug. ‘Daar is mijn capaciteit toch te beperkt voor?’

Austin maakte een snuifgeluid. Ze konden er inderdaad niets aan veranderen.

Hij nam zijn petje af en woof zichzelf koelte toe. In het stadion zou het snoeiheet zijn, bedacht hij. In het stadion. Om drie minuten voor half twee zou het tromgeroffel starten, de muziek aanzwellen, en zouden tienduizenden supporters de spelers van Aetates en Dubblai Mundo met een donderend gejuich ontvangen. Als ze hier dan nog steeds stonden dan zouden ze het in de verte kunnen horen. En ze zouden een flink deel van de eerste helft missen.

‘Pas op dat je hoofd niet verbrandt,’ zei Eva. ‘Je hebt niet gesmeerd.’

En naar een goede plek konden ze ook fluiten. Tegenwoordig reed de halve wereld in een scootmobiel en zoiets was geen excuus meer om te laat te komen. Austin voelde dat zijn ogen vochtig werden. Waarom gebeurde dit? Waarom spande het universum tegen hem samen, uitgerekend op de dag dat het lot van Aetates werd bepaald?

Hij knipperde de nattigheid weg, zette zijn petje weer op en keek om zich heen. Naast de weg was een berm, bezaaid met afval van generaties mensen die ook hadden staan wachten op die rotbrug. Het gras glooide omlaag naar een vervallen kade waar nog enkele half ingestorte fabrieksloodsen en gebouwen stonden. Vanaf de kade liepen onkruidhellingen omhoog naar de stad, met overal kleine kronkelpaadjes van hondenuitlaters.

Achter hem klonken kinderstemmen alsof een heel gezin was uitgestapt. Hij keek of iemand van de wachtenden een shirt of petje van Aetates of Mundo droeg. Dat was niet zo. Er was wel een man in een colbert die met felle, geërgerde bewegingen terug in zijn auto stapte en terugreed, door de berm omdat de weg achter hem intussen helemaal vol stond met auto’s en fietsen. Meer automobilisten volgden zijn voorbeeld en al gauw was het ook in de berm druk door kerende auto’s.

‘Is er een andere brug in de buurt?’ vroeg hij aan Eva.

Ze antwoordde niet.

‘Eef!’ Die trut deed het gewoon met opzet. Alsof hij haar iets onredelijks vroeg. Alsof een beetje meedenken met zijn voetbalpassie betekende dat ze dan helemaal geen capaciteit meer overhield om iets anders te leren.

Ze hield zich nog steeds stil en ineens had hij er genoeg van. Met een bruuske beweging reed hij de scootmobiel omlaag de berm in. Het hotste en hobbelde maar hij kon zich met zijn linkerhand vasthouden en bleef in de stoel.

‘Wat doe je,’ riep ze achter hem.

‘We gaan daar omhoog en via zo’n paadje terug naar de avenue. Dan zoeken we een andere brug.’

‘Dat lukt toch niet met de scootmobiel?’

‘Laat dat nou maar aan mij ove-’ Het voorwiel reed over een bult en zijn hand rukte ongewild aan het stuur. De scootmobiel begon meteen af te buigen en hobbelde overhellend verder. Austin kon zich alleen maar machteloos vastklemmen aan het stuur.

Eva greep pas in toen hij al bijna beneden was. Hij voelde een schok toen de scootmobiel zijn druk op het stuur begon te corrigeren. Een paar zenuwslopende momenten later had de scootmobiel zijn evenwicht hervonden en kwam tot stilstand. Austin bleef stil zitten, met een bonkend hart en verkrampte handen. Een meter of vijf verderop klotste het water van de Lif zachtjes tegen de kade. Er krijsten meeuwen en de oude platbodems en binnenvaartschepen bromden. Achter hem hoorde hij Eva afdalen met de zachte kraak- en klettergeluidjes die hij uit duizenden zou herkennen.

‘Lukt het?’ riep hij, nog wat trillerig. Hij had niet zo stellig moeten praten over paadjes en een andere brug. Ze was meteen geodata gaan analyseren om te zien welke brug dat dan zou moeten zijn. Daarom had ze zo traag gereageerd toen de scootmobiel op tilt sloeg.

Hij bewoog zijn vingers om de kramp eruit te krijgen. Zijn hart bonkte nog steeds.

Even later stond ze naast hem. Hij bleef voor zich uitkijken. De Lif stroomde traag en glinsterend en de lange stoet schepen kwam langzaam samen, wachtend op het moment dat de brugdelen open draaiden en ook zij in de heiige verte konden verdwijnen. De kade leek een vergeten stukje wereld, dimensies verwijderd van niet alleen het begin van de wedstrijd maar ook van de hele mensheid. Ergens boven hem op de weg hoorde hij een stem een vraag roepen, maar hij negeerde het. In het bagagevakje zocht hij naar het flesje water en nam een paar slokken. Het friste hem op.

Hij draaide zijn hoofd naar Eva toe en bekeek haar. Alleen iemand die haar al een paar decennia kende kon zien dat ze nog steeds uit haar doen was. De analyse van geodata had ze afgebroken maar het verwerken van het voorval nam nu een groot gedeelte van haar capaciteit in beslag.

‘Gaat het?’ vroeg hij.

‘Ja hoor,’ zei ze alleen maar.

Dat was onzin, wist hij. Dat ze door haar beperkte capaciteit niet altijd adequaat kon reageren als hij gevaar liep was een zeer gevoelig punt voor haar.

‘Nou, laten we maar even blijven zitten om bij te komen, en dan kijken we hoe het verder gaat.’

‘Je bedoelt dat jíj blijft zitten.’

‘Ja natuurlijk bedoel ik dat, Eef,’ zei hij geduldig. ‘Of is je accu bijna leeg? Dan kun je beter weer terug op de scootmobiel.’

‘Nee, natuurlijk niet. Het competitieschema van Aetates staat al tijden in mijn planning dus dan zorg ik voor een volle accu.’

Hij bromde maar wat. Boven het water begonnen de delen van de brug een voor een te draaien, traag en piepend. Straks breken ze, dacht Austin. Of zinkt de hele brug door zijn gewicht onder water, samen met de rest van de stad. Straks blijven wij hier achter op dit vreemde betonnen eilandje, alsof een ramp de hele mensheid heeft weggevaagd. En in de doodse, donkere aanloop tot de ochtend, als Eva’s accu leeg is en zij stil en stijf, dan ben ik hier alleen. De laatste mens op aarde.

Eindelijk zei Eva iets. ‘We moeten maar gewoon weer naar huis gaan.’

‘Nee, dat moeten we níet!’ schoot hij uit. ‘We gaan naar het stadion, gewoon zoals we van plan waren.’

‘Jij weet ook nooit wanneer iets een hopeloze zaak is, hè.’

‘Ik weet nog altijd meer dan jij.’

‘Daar hebben we de afgelopen minuten dan weer een geweldige demonstratie van gezien. Vertel maar eens met jouw briljante verstand hoe we weer boven op de weg moeten komen.’

Het was zo voorspelbaar allemaal, zo tot jankens toe deprimerend. Austin gaf de versnellingshandel van de scootmobiel een zet en begon te rollen, naar de waterkant.

Het bleef even stil. Toen had ze het door. ‘Austin!’

De scootmobiel gaf geen weerstand. Eva was te vermoeid om te kunnen besluiten wat ze precies moest doen, dus hij kon doorrollen, zijn ogen op het hel glinsterende water gericht tot hij alleen nog maar zwarte vlekken zag.

Drie meter voor de rand gebeurde het onvermijdelijke. Achter hem begon een oorverdovende sirene te loeien. Eva sloeg alarm.

Vanaf de weg boven werd geschreeuwd en uit zijn ooghoeken zag Austin dat er mensen de helling afgerend kwamen. De kaderand kwam steeds dichterbij. Eva bleef gillen. De mannen – het waren er twee – waren er nog niet. Austin vroeg zich af hoe het zou zijn om in het water te plonzen, te zinken met dat hulpeloze onderlijf, water in zijn longen te krijgen en in paniek met zijn armen om zich heen te slaan, om doodsangst te voelen.

Een halve meter voor het water bracht hij de scootmobiel abrupt tot stilstand. Door de schok moest hij zich vastgrijpen aan de armleuningen waardoor de scootmobiel nog een klein stukje doorschokte. Weer jakkerde zijn hart. Toen stond hij stil op een paar centimeter van de rand.

Eva was eerder bij hem dan de mannen. Haar sirene was stilgevallen maar haar zwaailicht strooide nog steeds rode vlekken over het gehavende beton.

‘Redder van een vrouw in nood,’ zei ze, met haperingen. ‘Maar aan een moderne zorgbot zou jij nooit meer wennen, Austin Degaste. Je zou een kasplantje worden.’

‘Alsof het op de schroothoop zo aangenaam vertoeven is,’ zei hij bitter.

Voetstappen dreunden op het beton en even later trilde de scootmobiel toen een hand een van de steunstangen vastgreep.

‘Alles goed met u, meneer?’ vroeg een hijgende stem naast hem.

‘Ja hoor,’ zei Austin vermoeid. ‘Alles is goed met ons.’

 

‘Oude wereld’ is een verhaal dat volledig op zichzelf staat maar ook deel uitmaakt van een groter geheel: Cernach Park.

 

Last modified: 25 oktober 2018

One Response to :
Oude wereld

  1. Carol schreef:

    Verontrustend goed geschreven. Verontrustend omdat ik het een toekomstbeeld vind waar ik niet op zit te wachten maar zoals jij het beschrijft wel volstrekt logisch en onontkoombaar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *