Het woud op de wand van de wereld

Mens tussen mensen

25 mei 2018

‘Er zit een verhaal aan vast,’ zei hij. Het was de avond voor haar achtste verjaardag en hij zat op de rand van haar bed. Zij lag al onder het dekbed, met alleen haar voorhoofd en ogen zichtbaar.

‘Maar wat is het dan?’

‘Dat zie je morgenochtend natuurlijk pas, als het je verjaardag is,’ zei hij. ‘Nu vertel ik je hoe de magie uit de wereld verdween.’

‘Magie bestaat niet,’ zei ze meteen, maar daar reageerde hij niet op. Hij vertelde, en de woorden brachten het verleden weer tot leven.

Het waren de jaren ’80. Het was de tijd van USA en USSR, van IRA en ETA, van krakers en kruisraketten, van apartheid en relatie-onvrijheid. De tijd van Madonna, Michael Jackson en U2. En van Suzanne Vega. ‘Left of center’.

If you want me you can find me

Left of center off the strip

Dat was niet dé magie geweest maar wel magie, en het wees de weg naar de toekomst. Tycho maakte zijn onafgemaakte liedjes af en kocht een hoes en schouderriem voor zijn gitaar. Hij besloot om zich The Point te noemen – tenenkrommend, vond hij nu. Hij kocht vijf setjes goedkope reservesnaren (die al binnen een week waren geknapt) en ging met zijn gitaar en een pakje boterhammen naar het station om een leven als rondtrekkende singer-songwriter te beginnen.

In die tijd hadden treinen geen vaste eindbestemming. Je stapte in zonder te weten waar je aankwam. Als je station Hilversum passeerde dan had je geen enkele zekerheid dat het volgende station inderdaad Amsterdam CS was. Het kon net zo goed Beek zijn, of Bandung.

‘Dames en heren, we naderen onze eindbestemming,’ riep de machinist alleen maar als de trein vaart begon te minderen. ‘Vergeet u bij het verlaten van de trein niet om uw eigendommen mee te nemen.’

Dan drukte iedereen zijn gezicht tegen het raam om te zien waar ter wereld ze ergens waren. Er werd gemompeld en soms gejuicht want natuurlijk waren er wedkantoren en hadden mensen een kansje gewaagd. Ooit zat Tycho in de coupé met een man die honderdvijftigduizend gulden won. Terwijl de trein Yaroslavl binnenratelde dromde iedereen om hem heen om hem te feliciteren, en hij had erop gestaan dat ze met zijn allen iets gingen drinken. Maar meestal stapte iedereen gewoon uit. En de bestemming mocht dan overal ter wereld kunnen zijn, eigenlijk leek alles op elkaar. Er was altijd horeca. Die kon de vorm hebben van een grand café met piano, een Wimpy met neon boven de deur, of een chai-stalletje van palen en tentdoek. Salesmen (die destijds nog vertegenwoordigers heetten) streken er in hun nette pakken neer om te wachten op interessante zakencontacten of, als het ergens in de bush-bush bleek te zijn, gelaten de ochtendkrant te gaan lezen. En er kwamen altijd gidsen en hotelaanbieders aangerend die de dagjesmensen luidkeels begroetten en hen meetroonden naar de stad, het strand of het plaatselijke eierdopjesmuseum.

Tycho ging altijd zijn eigen weg. In de trein en op alle denkbare stations schreef hij zijn liedjes en daar waar het kon zong hij ze – geen van beide erg bijzonder of succesvol, moet gezegd worden. Hij was ook nooit daar waar het gebeurde. Toen Mathias Rust met zijn vliegtuigje op het Rode Plein landde, stond hij op een boerenbruiloft in Peru. Toen de Eerste Intifadah losbarstte speelde hij in Goondiwindi. Zelfs aan de Zingende Revolutie droeg hij geen noot bij want de trein bracht hem nooit dichter bij de Baltische staten dan Turku. Het kon hem niet veel schelen. Hij was gelukkig.

Die ochtend stapte hij uit in een tropische wereld. Een perron was er niet en het regenwoud begon al een paar meter verderop. Het was zo ongelooflijk in the middle of nowhere dat er niet eens een kleinschalige economie rondom het stationnetje was ontstaan. Geen sigarettenverkopers, geen stalletjes waar je voor een habbekrats een spijkerbroek met scheve kontzakken kon kopen, geen domino-tafeltjes met duttende mannen waar je tegen betaling de dag kon doorbrengen. De horeca was een gebouwtje met een golfplaten dak. Tycho schatte dat er vijf vertegenwoordigers in pasten en dat de wc waarschijnlijk een emmer met deksel aan de achterkant was.

Toen viel de motor van de trein stil en hoorde hij de vogels. Muziek. Er was een langgerekt, gevarieerd rrrrrrrr dat dramatisch rees en daalde, versnelde en vertraagde. Een andere vogel floot daar met korte, eenvoudige dwarsfluittonen doorheen, alsof ze samen drums en bas vormden. Verschillende solisten floten en koerden, afzonderlijk of samen. Toen verhief de luidste vogel zich er bovenuit met een ongegeneerd, schaterend gelach. Het schalde in het rond en Tycho moest ook lachen.

Met de andere reizigers wachtte hij tot het tijdstip was vastgesteld waarop de trein weer terug ging. Ooit had hij de terugreis gemist, en omdat de eindbestemming van de eerstvolgende trein natuurlijk ongewis was, had hij drie weken de hele wereld doorkruist voordat hij in Zuid-Denemarken belandde en liftend en lopend thuis had kunnen komen. Dat was de enige keer dat hij eigenlijk echt een rondtrekkende singer-songwriter was geweest, want normaliter sliep hij gewoon elke nacht in zijn eigen bed.

Een paar minuten later hadden de machinist en de uitbater van het golfplaatcafé samen het tijdstip vastgesteld, zoals dat in internationale verdragen was bepaald. Tien over half vijf. Aan zijn gezicht te zien had de uitbater een veel later tijdstip gewild, maar internationale verhoudingen waren ook toen in het voordeel van de machtigste. Tycho vond het best. Geld viel hier niet te verdienen. Toen de vertegenwoordigers samen met de machinist naar het café liepen en de dagjesmensen met de haastig gearriveerde gids meegingen, koos Tycho voor de schaterlachende vogel.

‘Maar waar was je dan?’ vroeg ze.

‘Er hing een bord op het perron maar ik ben de naam vergeten. Eerlijk waar.’ Dat was echt zo. In de loop van de jaren had hij uren doorgebracht in bibliotheken en later achter internet, maar het was hem nooit gelukt om de plek te identificeren. Ergens in Afrika in elk geval.

‘Dus ik ging het woud in. Ik liep tussen struiken en hoge boomstammen. Fel groen en vochtig zwart, en alles rook nat en was modderig. Af en toe moest ik over een beekje springen dat zomaar over het pad liep, of over kluwens van boomwortels. Het gekke was dat het heel stil was toen ik eenmaal in het woud liep. Ik hoorde water klateren, maar geen vogels meer. Ze zaten in de takken boven mijn hoofd en hielden zich stil, ook de schaterlachende vogel. En steeds voegden zich kleine, overwoekerde paadjes bij mijn pad. Het gaf me het gevoel dat er iets spannends voor me uit lag.’ Alsof de wereld zich geruisloos om hem heen schikte. Als een Escherbol die alles weerkaatste en verdraaide.

‘En ineens zag ik een ander levend wezen. Klein en goudbruin, een soort woestijnratje met puntige oortjes en een staart. Het zat voor me op het pad stil naar me omhoog te kijken. Een gouden diertje tussen al die zwarte modder en kledderige vertrapte bladerslierten. Ik ging zachter lopen om hem niet bang te maken en hij bleef zitten, ook toen ik vlak bij hem was. Zelfs toen ik me bukte en mijn handen naar hem uitstrekte bleef hij zitten.’

Het ratje was zacht en warm als een kitten geweest. Tycho’s handen sloten zich voorzichtig om hem heen, en op hetzelfde moment werd hij duizelig. Alles draaide. Hij wankelde en de bosgrond kantelde naast hem naar boven. Hij viel naar links en landde met een klap op iets hards. Daar bleef hij liggen.

Water hoorde hij nog steeds klateren. Toen hij zijn ogen weer open durfde te doen, kneep hij ze meteen weer dicht. De wereld stond op zijn kant. Naast hem verrees de bosgrond als een onafzienbare muur en hij lag op de stam van een van de ontelbare bomen die er horizontaal uitstaken. Zijn maag golfde en hij klemde zich vast aan de schimmelige stam. Beneden hem was een eindeloos ravijn van andere horizontale boomstammen.

Ik ben gek geworden, dacht hij. Hij slikte en richtte zich voorzichtig wat op. Naar beneden moest hij niet kijken, wist hij, en ook niet naar de bleekblauwe lucht die hij links tussen de bladeren zag. Misschien kon hij terug klimmen naar de bosgrond met behulp van de wortels die deels boven de bosgrond uitstaken. Náást de bosgrond uitstaken – maar te veel nadenken over dingen was nu niet verstandig.

Ineens zag hij tussen de wortels het goudbruine ratje zitten. Op de een of andere manier stelde dat hem gerust. Als zo’n klein diertje rustig kon blijven dan kon hij dat ook. Hij bracht zijn hand naar zijn rug om de gitaarriem recht te schuiven terwijl hij zich, eigenlijk voor het eerst, afvroeg of hij misschien gebeten was door een insect en aan het hallucineren was.

Op het moment dat hij bewoog, maakte het ratje een schrikbeweging en begon alles weer te tuimelen.

‘Maar vertel dan verder!’

Tycho besefte dat hij al een tijdje niet meer praatte. Hij schraapte zijn keel. ‘Het kwam door het ratje,’ zei hij. ‘Dat wist ik toen.’

‘Wat kwam door het ratje?’

‘Dat de wereld gek werd. Want toen alles tot stilstand was gekomen en ik mijn ogen weer open durfde te doen, zag ik het ratje weer stil naar me zitten kijken, misschien een meter van me vandaan, nog steeds op de stam van de boom. Maar om ons heen had alles zich binnenstebuiten gekeerd.’

De bosgrond was nog steeds een muur aan zijn rechterkant geweest maar Tycho had gezien dat de bomen in de verte niet meer evenwijdig aan elkaar groeiden. Ze bogen een beetje naar elkaar toe. Hij zat binnenin een universumgrote bol, vastgeklemd aan een boom die aan de binnenwand groeide. Tussen de kruinen van de bomen kon hij nog steeds bleekblauwe lucht zien. Binnenin een bol had het stikdonker moeten zijn, maar het was gewoon klaarlichte dag. Zon en sterrenstelsels waren ook naar binnen geklapt.

‘Toen deed ik het stomste en meest onverantwoordelijke dat ik ooit in mijn leven heb gedaan.’ Voor het dramatische effect zweeg hij even. ‘Bij de gedachte dat ik hier in mijn eentje in die boom zat in een dolgedraaid universum werd ik helemaal gek. Dus ik deed een graai naar het ratje. Het lukte. Ik voelde zachte vacht tussen mijn vingers, maar ook een gespartel, zo heftig dat mijn benen het rondzwiepende universum niet meer konden vastklemmen. Ik viel. Ik was doodsbang, maar één ding wist ik zeker: ik moest dat warme lijfje vasthouden.’

‘En toen?’ vroeg ze geluidloos.

‘Muziek redde me,’ zei hij plechtig.

‘Ging je zingen? Werd het ratje daar rustig van?’

‘Nee. Mijn gitaar offerde zijn leven voor me op. Ik landde met een klap op mijn rug en de klankkast dempte de schok. Ik was wel even versuft, en daar maakte het ratje gebruik van. Het wrong zich uit mijn hand. En weer draaide alles om me heen. Deze keer zag ik boomschors en modder, maar ook steen, steden, zeeën en een sterrenhemel. Even had ik het gevoel dat ik zelf binnenstebuiten was gekeerd. Ik dacht: ik stik. Maar toen werd alles rustig en lag ik op het pad.’

‘En het ratje?’

‘Dat was nergens meer te zien. Ik liep terug naar het station, helemaal suffig en met de versplinterde gitaar in de hoes op mijn rug. Steeds als er een tak onder mijn voet kraakte, verwachtte ik dat het ratje ergens zou schrikken en de wereld weer ging draaien. Maar dat gebeurde niet. Ik was ontzettend blij toen ik weer op het stationnetje was.’

Achter het golfplaatcafé had hij overgegeven in de wc-emmer. Van de rest van de middag en de treinreis terug herinnerde hij zich niets meer.

De volgende twee dagen was hij in bed blijven liggen maar de dag daarna was hij weer op de trein gestapt. Niet om ergens te gaan zingen maar om zelf te beleven waar de hele wereld over praatte: treinen reden ineens naar een vaste eindbestemming. De trein naar Amsterdam CS kwam daadwerkelijk aan op Amsterdam CS. Het was een verbijsterende ervaring. Wetten en internationale verdragen moesten worden aangepast. Het kostte banen, carrières en handelsakkoorden, en de commotie duurde nog jaren.

‘En dat kwam door het gouden ratje? Omdat jij die had opgepakt?’

‘Ik denk het wel. Een andere verklaring kan ik niet bedenken.’ Hij keek haar afwachtend aan. Ze zat na te denken, fronsend. Ineens stond hij op. Wat kon het hem ook schelen, die verjaardagsdata. Het was zaterdag. Gisteren was ze na schooltijd gekomen en morgen ging ze weer terug naar haar moeder. Vandaag was de enige dag die helemaal van hen beidjes was.

Hij ging naar zijn slaapkamer en kwam terug met een klein, wat verstijfd warm diertje in zijn handen. Nu ging ze rechtop zitten.

‘Kijk,’ zei hij. ‘Een woestijnratje. Voor je verjaardag. Morgen laat ik je de kooi met zijn slaapnestje en het drinkbakje zien. Maar nu kun je alvast gedag tegen hem zeggen.’

Maar ze bewoog zich niet. ‘Is het waar?’ vroeg ze. ‘Van de magie die weg is en het gouden ratje?’

‘Ja natuurlijk is het waar.’

‘Jij verzint altijd dingen, zegt Mama.’ Ze keek verlangend naar het ratje. ‘Maar wat gebeurt er als…?’

‘Kijk maar wat er gebeurt,’ zei Tycho.

Heel aarzelend stak ze haar handen uit en keek, toen ze het vast had, behoedzaam naar haar knuffels en poppen en naar de Frozen-dingen waar ze wat te oud voor aan het worden was.

Alles bleef zoals het was.

‘Hij is ook niet echt goud,’ besloot ze.

Tycho schudde alleen maar een beetje zijn hoofd.

‘Hoe heet hij?’

‘Bedenk maar een mooie naam voor hem. Hij is helemaal van jou. Je kunt hem morgen in de kooi mee naar Mama nemen of je kunt hem hier laten. Dan zorg ik voor hem en dan zie je hem elke twee weken.’

Ze koesterde het warme, nog wat angstige diertje en volgde met haar vinger de glooiïngen van het lijfje. ‘Ik neem hem mee naar huis,’ zei ze.

Tycho knikte, een beetje weemoedig. Magie was iets van lang geleden.

 

 

(Het idee van de treinen zonder vaste eindbestemming komt uit The man who was Thursday (1908) van G.K. Chesterton.)

Last modified: 20 oktober 2018

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *