Eeuwige verliezers

Mens tegen mens

20 april 2018

Het begon om middernacht, blijkbaar omdat er iemand jarig was geworden. Harry Middendorp lag op zijn rug te luisteren naar de deurbel die steeds weer doordringend rinkelde, naar de voeten die de trap op klosten en steeds weer over hetzelfde obstakel struikelden. Dan overstemde gejoel even de muziekbeat en het gedrentel van harde hakken op de houten vloer boven hem, en ook de regelmatige ademhaling van Therese. Omdat hij wat snurkte sliep ze met oordopjes. Ze hoorde dus niets. Ze begreep het ook niet.

‘Je bent bevooroordeeld,’ zei ze vaak. ‘Je moet ze eens een beetje leren kennen. Er zit een enkele etterbak tussen maar meestal zijn het aardige jongens.’

Harry staarde met vermoeide, branderige ogen de duisternis in. Stadjers en studenten ontmoeten elkaar. Dat stond op posters waarop een bejaarde dame en een hippe jongeman op een stoepje in de zon koffie zaten te drinken. Koffie. Wie ging er nou koffie drinken met die klootzakken? Hoogstens als je er rattengif in mocht doen.

Hij ging overeind zitten en kwam uit bed, zachtjes zodat Therese niet van hém wakker zou worden, en dronk in de badkamer een glas water. Popeye zou het ook wel zwaar hebben, dacht hij. Het feest had zich inmiddels onder een brullend Lang zal hij leven verplaatst naar het dakterras en hij wist dat de kat dan niet graag door het keukenraampje naar buiten ging.

Als het vóór drie uur stil is nodig ik ze uit voor koffie, besloot hij. Wie weet voorkwam een uurtje zelfverloochening een paar van dit soort nachten. De meeste studenten bleven een jaar en gingen dan weg. Naar China of Silicon Valley of de maan, en dan verkochten de ouders de bovenwoning weer door aan andere ouders. Het was een eindeloze lus die steeds weer opnieuw begon. Een jaar was lang. Bij de koffie konden ze het dan ook even hebben over Popeye. Dat de kat bij de bovenwoning hoorde betekende niet dat die studenten maar met hem konden sollen.

Het werd tien over half vijf. Na het ontbijt liep Harry de tuin in. Het was een zonnige ochtend in september en de wereld was vreedzaam stil. Vanaf het dakterras boven was deze keer maar één object naar beneden gevallen, zag hij: een open blikje tomatenpuree. Hij pakte het op, boog voorzichtig het scherpe dekseltje naar binnen en liep terug naar de keuken om het in de pedaalemmer te doen. Daarna ging hij terug met keukenpapier en pakte de klodders tomatenpuree uit het gras op. Ook die bracht hij naar de pedaalemmer. Hij pakte de gieter en ging de bloembakken aan de schuurmuur bewateren.

‘Dag jochie,’ zei hij zachtjes tegen Popeye, die van onder zijn vaste struik naast het schuurtje naar hem staarde. Aaien moest je nu niet proberen, daar was de kat nog te onrustig voor.

In de studentenwoning bewoog niets. Een scheve lap donkerrode stof, van het soort dat een junk gebruikt als hij een gordijn nodig heeft, hing voor de ramen. Op het dakterras zag hij meer stoelen dan gebruikelijk. Door de opening in de balustrade – die was een jaar of twee geleden ontstaan – kon hij flesjes, glazen en lege verpakkingen zien staan. In elk geval was er geen krat bier door de opening gevallen, zoals eerder dit voorjaar, toen zelfs Therese wakker was geworden van de klap en het gerinkel. Ook daar had ze weer zo laconiek op gereageerd. De volgende middag was Harry de tuin in gekomen en had een stuk of vier van die etterbakken aangetroffen, jongens en meisjes, die met een opgewekt pratende Therese de glasscherven uit het gazon aan het vissen waren. Toen ze hem enthousiast begroette had hij kort geknikt en was weer naar binnen gegaan.

‘Zijn ze dat dan uit zichzelf komen doen?’ had hij later sarcastisch gevraagd.

‘Dat maakt niet uit. Jongelui denken niet zo snel aan dat soort dingen. Het zijn eigenlijk nog kinderen. Je moet ze een beetje opvoeden. En het was een perfect excuus om met ze in gesprek te komen en een appèl te doen op hun sociale gevoel.’

Blijkbaar hebben die ouders geen moeite gedaan om ze op te voeden, dacht Harry. Van mij krijgen ze geen druppel koffie. Hij zette de gieter neer met een klap die Popeye deed opschrikken en ging naar binnen.

Het waren er dit jaar twee. Jongens, helaas, want meisjes lieten zich nog wel een beetje bijsturen. Die met de grootste bek heette Christiaan, zo ving Harry op. Na een maand of anderhalf wist hij dat het tweetal veel kletter- en schuifgeluiden produceerde, zowel overdags als ‘s nachts, maar dat ze niet van de zeer frequente feestjes waren. Therese vond het rustige jongens. Ze had het te druk met de vrijwilligersorganisatie waar ze coördinator was om ze op de koffie te vragen. Zelf kwam Harry ze af en toe tegen op het pad naar de voordeuren. De hoeveelheid computerapparatuur die ze naar binnen brachten leek niet op te houden. Straks zakte de vloer door onder het gewicht, dacht hij als hij zwijgend aan de kant ging. Ze zeiden altijd gedag met dat kleinerende enthousiasme waarmee jonge mensen gepensioneerden groeten. Alsof je een demente ouwe lul bent.

En die ellendige stuiterbal. Ook dat leek Therese niet te merken. Soms vroeg hij zich af of ze doof aan het worden was. Zelf kon hij iedere plok op de houten vloer horen. Hij hoorde de plok bij het achteloos jongleren en vervolgens misgrijpen. Hij hoorde het plók, plok-plok-plok bij het felle keilen dwars door de woonkamer heen, soms gevolgd door glasgerinkel en luid gelach. Hij hoorde het fanatieke dribbelen (plok-plok-plok-plok) en de dreun van twee landende voeten die bewees dat het basketbalnet dat hij door het raam kon zien hangen gebruikt werd. Het kon de hele middag duren of tien seconden, om half drie ‘s middags of midden in de nacht.

Op een zaterdag besloot Harry dat hij er genoeg van had. Het was ‘s morgens om een uur of elf begonnen: een harde plók gevolgd door een serie zachter en sneller wordende plok-plok-ploks – en dat aanhoudend herhaald. Om half vier trok hij een jasje aan, ging naar buiten en belde aan bij de bovenwoning.

Toch koffie? vroeg hij zich nog even af toen hij stijf en wat trillend in aanloop naar de confrontatie stond te wachten tot er werd opengedaan. THE HORNY BUGGERS. 3X BELLEN stond er. Alsof één keer niet volstond in een gehorig gebouw. Geen koffie. Hij belde nog een keer en wachtte, nerveus en ook kwaad op zichzelf. Rattengif, dacht hij. Jongen, laat je niet zo terroriseren door die asociale snotneuzen.

Er werd niet opengedaan. Hij drukte een derde keer, seconden lang, met zijn duim op de bel. Op de holle houten trap achter de deur bleef het stil. Wat draaierig van de onuitgesproken gebleven woede maar ook van opluchting ging hij maar weer zijn eigen voordeur binnen. Uiteindelijk was je hier de verliezer, altijd weer.

In de gang bleef hij staan. Boven hem klonk onveranderd het plók-plokplok-plokplokplok van de stuiterbal. Of van de geluidsinstallatie, bedacht hij ineens. Ze waren gewoon niet thuis en een van die imbecielen had de radio aan laten staan. Housemuziek of hiphop of hoe die ellendige herrie ook heette. Waren ze het hele weekend bij hun ouders om hun vuile was te laten wassen en zich in de watten te laten leggen? Zouden ze pas zondagavond laat met veel geklos weer thuiskomen en de radio achteloos uitzetten?

Een paar minuten later had hij de huishoudtrap onder het dakterras gezet. Met krakende knieën klom hij omhoog. De ladder reikte niet helemaal tot boven maar hij kon zonder veel moeite door de opening in de balustrade het dakterras op klimmen. Hij deed het rustig en met aandacht. Twee jaar geleden was er een student doorheen gevallen tijdens een afstudeerfeestje. Ze waren wakker geworden van consternatie in de tuin en tien minuten later liep Harry in zijn pyjama meubilair aan de kant te schuiven en deuren open te houden om het ambulancepersoneel met de brancard door te laten. Hij dacht aan het bleke, bewusteloze gezicht van de jongen op de brancard, aan de slapeloze uren tot de ochtend waarin hij en Therese stil naast elkaar hadden gelegen. Niemand had de moeite genomen om de volgende dag even te komen vertellen hoe het met dat joch was, dacht hij, niet voor het eerst, terwijl hij over het dakterras naar het raam liep. En zet je radio dan ook uit als je weggaat.

Het junkengordijn was weggeschoven. Harry tuurde door het glas. Boekenkasten zag hij niet, maar boeken schenen de studenten van tegenwoordig ook niet meer te hebben. Een deel van de kamer was vrijgemaakt van meubels, die aan een kant van de kamer waren neergezet. Dat was zeker omdat ze ruimte nodig hadden voor dat ellendige stuiterballen. Computers, laptops en allerlei apparaten stonden werkelijk overal, de meeste met brandende en knipperende lampjes alsof de wereld niet schoon en leefbaar hoefde te blijven voor de volgende generatie. En aan de overkant van de kamer stond een enorm televisiescherm, bijna zo hoog als het plafond, waarop iets bewoog op de maat van het plók-plokplok-plokplokplok.

Harry stak zijn hand door het openstaande raam en draaide de sleutel van de terrasdeur om. Dat idioot grote televisiescherm, daar moest hij wezen. Niet te geloven, dat je met een ladder bij de buren moest binnen klimmen om hun tv uit te zetten.

‘Vollúk!’ riep hij voor alle zekerheid. Maar het bleef stil. Daarom liep hij naar het televisiescherm, tussen meubels en dozen door waarop vuile glazen, koffiemokken en borden in wankele torens stonden opgestapeld. De tv stond niet eens heel hard aan maar het plok-plokplok-plokplokplok was zo doordringend dat de vloer meetrilde.

Nog voordat dat hij er was zag hij dat het geen televisiescherm was. Hij bleef staan en keek.

Er stuiterde een echt balletje, van links naar rechts. Het landde met kracht, sprong omhoog en landde weer met een boog, stuiterde weer omhoog en landde weer. Bij elke landing was de boog iets lager en de plok zachter. Een keer of zes kwam de bal neer. Daarna leek hij te verdwijnen, abrupt. Op hetzelfde moment landde aan de linkerkant een nieuwe bal, met kracht, en begon weer aan zijn stuitergang naar rechts.

Behoedzaam kwam hij dichterbij. Bewoog erom heen. Bukte zich om van dichtbij te kijken. Minutenlang zag hij de bal stuiteren, rechts abrupt in het niets oplossen en links weer tot leven komen. De beweging was elke keer exact gelijk. Het balletje was ook hetzelfde, dat zag hij aan het blauw-groene kringelpatroon van het rubber. Aan het begin- en het eindpunt van de stuiterbaan glommen twee platte zwarte apparaten zacht in het middaglicht. Overal lagen snoeren, soms tot enorme bundels samengebonden, en de computers en machines knipperden. Krukjes. Open schrijfblokken met cijfers en kriebels. Half leeggedronken waterflesjes. En in dat landschap stuiterde dat balletje maar door, hypnotiserend, steeds abrupt weer terugkerend naar het begin van zijn traject.

Na een lange tijd strekte Harry zijn hand uit, en trok hem meteen weer terug. Wie weet kreeg hij een elektrische schok als hij het balletje tegenhield. Wat wist hij van dit soort dingen af?

Hij stond zo gebiologeerd te kijken dat hij de stommelende voetstappen op de trap pas hoorde toen ze al bijna boven waren. Hij schokte in beweging en begon naar de terrasdeur te rennen. Maar tijd om naar buiten en naar beneden te gaan was er niet meer, laat staan om de huishoudtrap in te klappen en naar uit het zicht te zetten. Daarom zwenkte hij naar de weggeschoven meubels en kroop onder een bureau. Hij had zijn krakende benen net in veiligheid gebracht toen de kamerdeur openging.

‘Hij doet het nog steeds,’ zei Christiaan tevreden. ‘Loepzuiver. Thomas Koenis zou me deze worp niet verbeterd hebben.’

Giel liep naar de hoofdcomputer toe, trok een kruk naar zich toe en liet een rapport over de afgelopen – hij checkte het even – vijf uur genereren.

‘Ziet er goed uit,’ zei hij na een minuut. ‘Gisteren hadden we hier al een foutmelding.’

Christiaan kwam naast hem staan. Samen keken ze naar de regels tekst, getallen en bestandsnamen die over het scherm gleden. En vloekten tegelijkertijd toen de eerste foutmelding kwam, direct gevolgd door een tweede en derde.

‘Fuck! Fúck!’

‘Nee hè!’

‘Maar globaal klopt het nu,’ zei Giel toen ze uitgeraasd waren. ‘Over het hele traject loopt de frequentieverspringing nu synchroon met de data, en met de juiste snelheid. Veertien kanalen functioneren nog niet, maar de overige achthonderdzevenentwintig wel. Blijkbaar is dat genoeg voor een werkende tijdlus. De vraag is nu: kunnen we al gaan uitbreiden naar meer kanalen of moeten we die veertien kanalen eerst aanpakken?’

‘Ho, niet zo snel,’ zei Christiaan. Hij ging naar het einde van het traject en hurkte neer naast de receiver. ‘Trek de stekker eruit als ik het zeg. Even wachten, even wachten – nú!’

Hij graaide het balletje uit de lucht, vlak voordat het weer naar het eerdere tijdstip teruggekeerd zou zijn. ‘Whoah! Moet je kijken.’ Hij kneep het balletje als een spons in elkaar en liet het meteen uit zijn handen vallen. ‘Holy shit! Gloeiend heet. Dat moet echt beter.’ Hij bracht zijn gezicht naar de grond, pakte iets op en bracht het naar zijn neus. ‘En deze haar heeft een beetje liggen fikken.’

‘Ga er dan maar vanuit dat je volgende week weer zo perfect zal moeten gooien,’ zei Giel toen hij het balletje ook had bevoeld. Hij trok een laptop naar zich toe en begon te typen. ‘Ik heb zo het gevoel dat het hem niet enkel zit in die foutmeldingen en daar gaan we onze handen al vol aan hebben. Achthonderdeenenveertig kanalen is gewoon te weinig. Die berekening van vorige maand gaf al aan dat we er minstens elfhonderd nodig hebben.’

‘Goed dat we nu thuiskwamen, anders hadden we hier een rokende ruïne aangetroffen. We moeten maar een rookmelder kopen.’ Christiaan kwam overeind en liet zich op de bank vallen. Hij staarde naar het plafond en draaide daarna zijn hoofd naar Giel toe.

‘Een stomme stuiterbal van de Bart Smit,’ zei hij peinzend. ‘Weet je dat ik steeds weer overvallen word door het besef van de enormiteit van dit alles? Twee studenten vinden op een zolderkamertje in Groningen de eerste tijdmachine uit. Je zou denken dat ik er zo langzamerhand aan gewend ben, dat ik in mijn hoofd al een beetje aan het voorsorteren ben op een leven van interviews, prijzen, subsidies, lezingen, de hele wereld over reizen. Maar ik ga er op de een of andere manier van uit dat ik nog een hele tijd in deze middeleeuwse situatie aan het pielen ben.’

Giel bromde wat.

‘Besef je dat deze stuiterbal over een jaar of twintig ergens in een vitrine zal liggen? Duizenden museumbezoekers per dag schuifelen er langs en verbazen zich. Het rubber wordt speciaal behandeld door de beste conservatoren in de wereld, zodat hij behouden blijft voor het nageslacht. Hier begon het.’

‘Dan moet het hier wel beginnen. Elfhonderd kanalen, man, besef je wat dat betekent? We hebben elke minuut van de komende week nodig. En beduidend meer power.’

‘Heeft Antwerpen al gereageerd op jouw mail over een extra generator volgende week?’

‘Ja. Die krijgen we niet. We moeten maar samenwerken met mensen die iets met zonne-energie doen, was zo’n beetje de boodschap.’

‘Natuurlijk. Alexander de Grote was ook een groot voorstander van samenwerken. Daarom bereikte hij zo veel.’

Giel draaide zich op zijn kruk om. ‘We móeten hier een oplossing voor vinden,’ zei hij. ‘Allereerst moeten we die foutmeldingen oplossen. De vraag is of dat voldoende is om te voorkomen dat onze stuiterbal een gekookt ei wordt. Als er toch meer aan de hand –’

‘Hé, dat zou nog wel leuk kunnen zijn: een ei in plaats van een balletje. Onderweg kookt hij zichzelf, spat misschien wat uit elkaar met veel eierdooier, en is dan weer rauw en zonder barsten. Dat laat ook goed zien –’

‘Maar de kans is groot dat we toch meer kanalen moeten gebruiken,’ ging Giel onverstoorbaar verder. ‘Om het gekookte ei-effect te voorkomen, én om de tijdlusruimte breed genoeg te maken voor een ordentelijke demonstratie. Tenzij jij je de komende dagen tot zo’n perfecte pitcher ontwikkelt dat je bij de demonstratie geen uur nodig hebt voor een worp, zoals vanmorgen.’ Hij overstemde Christiaans protesten. ‘Een alternatief is nog de lengte van de baan te verkorten, maar voor het effect moet je het voorwerp echt wel een paar seconden zien bewegen. Als het naar het nulpunt floept voordat je goed en wel gezien hebt wat er gebeurt dan is het niet zo indrukwekkend.’

‘Het gaat juist om het effect, om hoe het lijkt. Mensen moeten er zich iets bij kunnen voorstellen. Ze moeten het gevoel hebben dat ze eigenlijk naar magie kijken.’

‘Het moet goed genoeg zijn,’ zei Giel verbeten. ‘Alles. Onze hele demonstratie.’

Ze wisten allebei dat dat waar was. De volgende Students Science PoC was pas volgend jaar – en in Osaka. Voor de rest waren er alleen maar demonstratiemogelijkheden binnen formele onderzoeksprogramma’s.

‘Ik verdom het dus echt om aan de leiband van een professor te gaan lopen,’ zei Christiaan. ‘Dit is van ons en van niemand anders.’

‘Ophouden met leuteren dan. Actie.’

De uren verstreken en de zon zakte terwijl ze ingespannen werkten. Giel liet berekeningen los op de instellingen voor de condensatoren en ze deden nieuwe tests, met de stuiterbal en ook met een papieren vliegtuigje. De bal haperde weer, net als een paar dagen eerder, en het vliegtuigje scheurde halverwege het traject uit elkaar. Sommige snippers vatten vlam. Ze zetten de transmitter uit, trapten de vlammen uit, veegden de rommel onder de bank en gingen met de foutmeldingen aan de slag. Rond zeven uur ‘s avonds hadden ze het aantal niet-functionerende kanalen teruggebracht van veertien naar zes. Ze vierden het met afgeleverde taco’s.

‘Misschien ontdekken we uiteindelijk dat de Tiplercylinder moet bestaan uit niet-rekenkundige data,’ zei Christiaan met volle mond. ‘Misschien blijkt porno een perfecte data-structuur te hebben. En passant ontdekken we dan de vijfde fundamentele natuurkracht in het universum: blond, langbenig en onderdanig. Met een beetje pech worden we gelyncht door de goegemeente.

Giel bromde wat.

‘Weet je dat ik zo ziek wordt van al dat gezeik?’ ging Christiaan verder. ‘Ik bedoel maar, wat is nou één generator? Wat is er mis mee dat je niet in harmonische samenzang – Al-le Mensch-en wer-den Brü-der! Wo dein sanft-er Flü-gel weilt! – bezig bent maar in je eentje fantastische dingen zit te doen?’ Hij gebaarde om zich heen. ‘Christiaan de Haan en Giel Tijsterberg doen hier op een zolderkamertje in een of andere achterlijke straat dingen die de wereld voor goed zullen veranderen. Maar ja, zonder ‘participatie’ en toestemming van het dorpshoofd mag het niet, want dan raken de middeleeuwertjes van streek.’

Giels kaken kwamen tot stilstand. ‘We zouden kunnen kijken of we stroom van de buren kunnen aftappen. Dan weten we in elk geval zelf wat het effect van meer power is. Als we met een goed verhaal komen dan kunnen we misschien een generator via de faculteit regelen. Als jij de onderzoekscoördinator een beetje masseert.’

‘Eén probleempje: weet jij hoe we bij de elektra van dit huizenblok komen?’

‘Er staat vast wel ergens zo’n grijs elektriciteitshokje. Tegen de tijd dat ze de oorzaak hebben gevonden, zijn onze kabels al weer van de aardbodem verdwenen.’

Christiaan zette de taco-verpakking op de armleuning van de bank en kwam overeind. ‘Maar hoe breed is de trajectbaan nu?’

Nog weer later hadden ze de breedte van de baan van het object tot ongeveer zeventig centimeter kunnen oprekken. Er was kwaliteitsverlies omdat het aantal foutmeldingen meteen weer toenam, maar de bal stuiterde naar tevredenheid heen en heen en werd nog maar een klein beetje warm.

‘We hoeven ons in elk geval niet meer druk te maken over een perfecte worp,’ zei Giel toen ze laat in de avond de stad in gingen, moe maar triomfantelijk. Ze discussieerden over de vraag of ze ook een voetbal zouden kunnen nemen – ‘Nee,’ zei Christiaan, ‘die is aan het einde van de baan lek en dat komt niet echt heel succesvol over, zal ik maar zeggen’ – tot er vrienden en medestudenten aanschoven. Christiaan was uitgelaten en debatteerde vurig, over het universiteitsbestuur, over het Europese vluchtelingenbeleid en over het effect van peulvruchten op je erectiele vermogens. Giel zat zwijgzaam en ontspannen te luisteren, tikkend met een bierviltje op de tafel. Het besef van de enormiteit van wat ze hadden bereikt deed hem steeds weer perplex staan. Een tijdlus van ruim vier seconden, niet op deeltjesniveau maar met het blote oog zichtbaar. De eerste echte tijdmachine in de geschiedenis. Af en toe kruiste zijn blik die van Christiaan die, wist hij, datzelfde gevoel ook steeds had.

Er volgden nog enkele dagen van koortsachtig werken maar op donderdagavond konden ze het vieren met vrienden en een paar kratten bier. Steeds weer stond iemand op om naar dat stuiterende balletje te gaan kijken dat in een eindeloze, magische lus terug in de tijd reisde en weer opnieuw begon. Vrijdagochtend stonden ze bijtijds op om het busje van Giels broer uit Vlagtwedde op te halen. Terugrijdend naar de stad spraken ze voor de zoveelste keer het demonstratieproces door. Zoals altijd hamerde Christiaan erop dat ze twee uitlegversies paraat moesten hebben: een wetenschappelijke voor de vakbroeders en een simpele voor de eikels en de domme blondjes thuis achter de televisie.

‘Het moet meteen aanslaan,’ zei hij steeds weer. ‘Besef dat dit allereerst gaat over eerste indrukken. Een enkele zin kan het verschil maken tussen de Nobelprijs en een baantje als onderzoeksassistent.’

‘Nou, doe je best dan. Vlot lullen is jouw specialiteit.’

Ze parkeerden het busje voor het huis. ‘s Morgens hadden ze het parkeervak voor de deur al afgebakend met plasticband zodat ze niet te ver hoefden te sjouwen met alle spullen.

‘Hoe moet dat trouwens met Popeye als we weg zijn?’ vroeg Christiaan toen ze het plastic in een grijze container hadden gedaan en naar de voordeur liepen.

Giel begreep even niet waar het over ging. Hij liep de laatste dagen met zijn hoofd in de wolken en kon niet stoppen met grijnzen. ‘Watte? O ja. We zetten gewoon drie dagen voer in de keuken neer.’

‘We kunnen ook dat mens van beneden vragen, maar dat kost dan meteen weer tijd.’

‘Zo’n kat redt zich wel,’ zei Giel en deed de voordeur open. ‘En anders vangt hij maar een muis.’

‘We moeten in elk geval het keukenraampje openzetten,’ zei Christiaan terwijl hij naar het lichtknopje tastte. ‘Kut, wat gaan die gloeilampen tegenwoordig snel kapot. Waarom laat de wereld het afweten net als je het druk hebt?’

Giel grijnsde weer. Dat het druk ging worden stond vast. Hij liep de trap op. Twee uur om alle apparatuur in het busje te pakken, en dan in een uurtje of vier naar Antwerpen. Opwinding golfde weer door hem heen en hij ging sneller lopen. Overnachten in een hotel, al zou hij de halve nacht wakker liggen van de spanning. En morgenochtend voor dag en dauw naar de evenementenhal om de opstelling neer te zetten, zodat ze om negen uur klaar waren voor hun demonstratie.

Hij draaide zich half om naar Christiaan achter hem in het donker. ‘Wat denk je, Chris? Morgen om deze tijd, waar zullen we dan – fúck!’

Zijn voet ramde onverwacht een bierkrat op een van de treden en hij struikelde naar voren. Zijn hand graaide naar de trapleuning maar schraapte alleen maar langs de muur. Even was hij in perfect evenwicht, als een bal op zijn hoogste punt. Toen tuimelde hij met maaiende armen naar achteren en voelde Christiaans warme lichaam onder zich. Dit kan niet, dacht hij. Dit kán niet. Ik ga niet vanwege een lullige bierkrat op de trap mijn been breken, uitgerekend op de dag voor de Students Science PoC. Toen hoorde hij Christiaan kreunend schreeuwen, en op hetzelfde moment was het alsof er overal messen door zijn lichaam gestoken werden. Glasscherven, dacht hij verdwaasd. Nee, dat –

Het duurde een paar seconden prutsen met het schakelaartje voordat Harry de schemerlamp had aan gekregen. Tegen de muur gedrukt keek hij naar de scene beneden zich. De bovenste jongen sperde zijn mond en ogen wijd open terwijl hij met maaiende armen, bijna theatraal, achterover begon te vallen en de onderste meesleurde. Vlak voordat zijn tanden zich ontblootten in een grijns van pijn, hoorde Harry van onder hem een vreemd gesmoord gekrijs komen. Met een doffe dreun neerkomen op de treden deden ze net niet, maar ze lieten een veeg van wazige rode sliertjes in de lucht achter. Daarna begon de lus opnieuw.

Na een paar minuten kijken checkte Harry de transmitter bovenaan de trap nog een keertje, deed de schemerlamp uit en bracht die terug naar de woonkamer. Morgen middag kon hij de transmitter op verschillende momenten in de tijdlus uitzetten, bedacht hij. Kort na het achterover tuimelen, of net even later. Het was een genoegelijke gedachte die het vage gerommel van die struikelende voeten een beetje compenseerde.

‘Zo jochie,’ zei hij in de keuken tegen Popeye. Hij tilde de kat op, wierp een laatste blik op de borden met etensresten op het aanrecht en ging terug naar de woonkamer. De keukendeur en ook de deur tussen de overloop en de woonkamer trok hij goed dicht. ‘Tijd voor iets lekkers na al dat ontmoeten. Jij een schoteltje melk, en ik en Therese een kopje koffie.’

Last modified: 20 oktober 2018

2 Responses to :
Eeuwige verliezers

  1. mario schreef:

    Tita tovenaar is back! Leuk herkenbaar verhaal (tot halverwege…..) en prachtige wendingen! ik heb genoten! En nu snel naar het werk, anders kom ik te laat! 🙂

    1. deborahva schreef:

      Ik begrijp dat jij in elk verhaal een lijk in de kast zou willen hebben, maar ‘t moet niet té morbide worden allemaal! Dank voor je reactie, en ik hoop dat je op tijd was 🙂

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *