Ontstemd of wijzer

Tikje maf

16 maart 2018

Niet alleen de kiezer zweeft bij de gemeenteraadsverkiezingen. Aan de vooravond van een dodelijk duel zoekt een jonge ridder van Camelot naar wijsheid. Een tussendoortje voor wie zich afvraagt waar we het toch allemaal eerder hebben gehoord.

In het rossige licht van het haardvuur staarden ze naar elkaar. De ogen van de kluizenaar brandden als kolen in zijn ingevallen gezicht en de pels die hij over zijn ruwe hemd droeg leek uit steen gehouwen. Eeuwenoud. Ridder Brastias van Aerendon zat mager en nerveus tegenover hem. In de spartaanse hut viel hij in zijn kleurige tuniek en glimmende wapenrusting op als een pizzadoos tussen de struiken. Hij zweette als een otter. Zelfs met de ijzige kou buiten was het heet in de hut. Of zo leek het.

‘Zegt wat je van mij wilt,’ sprak de kluizenaar.

‘Wijsheid,’ bracht de jongeling uit. 

Toen vermande hij zich en begon te vertellen. ‘Zoals elk jaar aan het begin van de lente waren wij verzameld in Camelot: de koning en koningin en alle ridders van de Ronde Tafel. Nog maar net waren wij aan de dis begonnen toen de deur van de Grote Zaal open gestoten werd. Met de geur van lentebloemen kwam een jonkvrouwe naar binnen, geflankeerd door twee kamelen. Zij was wonderschoon, gelijk een bloem. Haar haar viel in gouden –’

‘Ja ja, duidelijk,’ zei de kluizenaar. ‘En toen.’

‘Eh – zij vertelde dat haar heer in de macht was van Wuduwale, een boosaardige tovenaar, en zij smeekte om hulp van de ridders van de Ronde Tafel. Mijn hart sprong op, want dit was mijn kans. Maar natuurlijk wachtte ik tot de anderen hun zegje hadden gedaan, want het past niet voor een ridder die zich nog nauwelijks heeft bewezen om zich op de voorgrond te dringen.’

‘Hm.’

‘Maar iedereen aarzelde, en de jonkvrouwe keek minachtend rond. Voordat ik op kon staan was ze ineens verdwenen. We gingen naar buiten. Daar zagen we dat de lentezon was verbleekt. Het hagelde en sneeuwde, en er lag rijm op de daken van het kasteel. Daarom zijn veel ridders op queeste gegaan om de tovenaar Wuduwale te zoeken, zodat de zomer weer terugkeert. Ook ik, al ben ik nog onervaren.’

De blik van de kluizenaar zakte naar zijn gladde kin en Brastias onderdrukte de neiging om er overheen te strijken. ‘Vanwege de kou overnachtte ik in een herberg in plaats van onder mijn mantel in het gras. Gisteren, voor de noene, kwam ik aan bij een dicht eikenbos, waarin ik onmiddellijk verdwaalde. Gelukkig zag ik een sneeuwwit vogeltje, dat voor me uitvloog en me de weg wees. En ineens was hij daar: Wuduwale.’

‘Had hij een gouden vederbos?’

Brastias’ hart begon te roffelen. ‘Ja, inderdaad! Zijn helm glinsterde in -’

‘Jodelde hij?’

‘Godzijdank niet. O, sorry. Nee – zijn helm – ik bedoel zijn paard was –’ Houd op met dat gestotter en gezweet, zei Brastias tegen zichzelf. Een onversaagde ridder van koning Arthur laat zich tijdens een avontuur niet van zijn apropos brengen door vreemde vragen. Hij ging verder en wenste dat zijn toon wat zelfverzekerder klonk. ‘Dus ik daagde hem uit. Ik, Brastias van Aerendon, daagde hem uit tot een jost, een steekspel met de speer. Driemaal zouden wij elkaar uit het zadel proberen te steken, en als ik daarin niet geslaagd was dan zou hij mijn hoofd mogen afslaan met zijn zwaard.’ Brastias staarde in het vuur. ‘Hij moet hebben geweten dat ik onervaren ben, want hij lachte. Maar zijn woorden waren hoffelijk. Of – nou ja, ik liet me wat afpoeieren. Hij nodigde me uit om naar zijn kasteel mee te gaan zodat ik kon rusten voor onze krachtmeting. Het was stervenskoud dus eigenlijk was ik wel blij. En zo hoort het bij een queeste, toch? Het gaat niet alleen om knokken, je moet ook de avonturen die op je pad komen met moed en nieuwsgierigheid begroeten. Gawain had het ook gedaan, en zelfs Lancelot, dat weet ik zeker.’

De kluizenaar knikte.

‘In de hal van het kasteel was het heerlijk warm. Bedienden waren gestadig voor het vuur bezig met het braden van allerhande wild en spijzen. Er werd gefeest, er waren schalmeien. En daarna werd het allemaal een beetje verward. De tovenaar leek met zijn hoofd te goochelen. Ik zag het hoofd nu weer hier en dan weer daar, en steeds rolden de ogen in het rond en grijnsde hij met blikkerende tanden naar mij. Maar misschien was het enkel een droom. Hoe dan ook, vanochtend werd ik wakker op een kale vlakte, verkleumd tot op het bot. Het eikenbos en het kasteel waren verdwenen. Er lag een briefje naast me.’ Hij haalde een rol perkament tevoorschijn. “Ik, heer Wuduwale, accepteer uw uitdaging. Zonder helm. Morgenochtend op deze plaats.” Brastias keek op naar de kluizenaar. ‘Ik ben niet bang voor een jost, maar ik vrees de streken van Wuduwale. Tovenaars zijn niet te vertrouwen en dat hoofd…’ Zijn stem stierf weg.

‘Dit is ook meer iets voor mannen met baarden, hè’ merkte de kluizenaar op.

‘Ja, maar – nee, dat is onzin! De jeugd heeft de toekomst en –’

‘Het maakt niet uit,’ viel de kluizenaar hem in de rede, en voegde er nog iets onverstaanbaars aan toe, op zangerig toon. ‘Laat ik alle feiten nog eens nalopen. Je ging met flinke pas op reis.’

De jongeling knikte.

‘Met stralend oog en blijde zin, en een goed gevulde tas.’

‘Ik had wat proviand bij me, ja,’ zei Brastias, gestoken.

‘Je werd niet moe, al wandelde je urenlang.’

‘Ik ben te paard. Anders had ik hem toch niet uitgedaagd voor een jost?’

‘Je overnachtte in een herberg. Beschrijf de kamer.’

Brastias kwam half overeind. ‘Neemt u mij niet serieus?’

‘Vertel mij: lag er een bezem?’

Wijze kluizenaars waren altijd een beetje vreemd, bedacht Brastias, en liet zich weer zakken. En een queeste was een beproeving. Straks in Camelot moesten ze niet denken dat hij zich als een domme page had gedragen.

‘Ja, dat zou kunnen,’ zei hij daarom maar. ‘In de hoek. Het was er niet echt proper.’

‘Je kreeg stokvis bij het ontbijt. Vertel me daar meer over.’

‘Een graatje schoot me in de keel.’ Brastias keek hem twijfelend aan. ‘Denkt u dat dat een slecht voorteken is?’

De kluizenaar negeerde de vraag. ‘De bezem.’

Brastias wachtte op meer, maar dat kwam niet. ‘Ja? Wat bedoelt u?’

‘Wat doe je ermee?’

‘Watte? Nou – vegen?’

‘Wat veeg je ermee?’

‘Eh, de vloer? Wat heeft dit ermee…?’

‘Er was toch een bezem in de herberg?’

‘Ja, maar –’

‘Ben je midden in de week ziek maar ’s zondags niet?’ Brastias kon hem alleen maar hulpeloos aankijken. ‘Je kunt straks aangeven wat je belangrijk vindt,’ zei de kluizenaar op vriendelijker toon.

‘Daar gaat het toch niet om, wat ik belangrijk vind? Ik moet weten wat ik morgenochtend moet doen!’

‘Je hoeft niet beslist aan te geven wat je belangrijk vindt. Ben je dood?’

Brastias schudde stil zijn hoofd.

‘Maar ’t graatje schoot je in de keel?’

Brastias haalde zijn schouders maar wat op.

De blik van de kluizenaar was hypnotiserend. ‘Schoon bloot gesteld aan sneeuw en wind, en soms ook wel met een lege zak,’ sprak hij, bijna dromerig. ‘Welgeschapen.’

Ik moet hier weg, dacht Brastias. Die vent is hartstikke gek.

‘Zat het sneeuwwit vogeltje al op een stekeldoorntje?’

‘Waar gáát dit over?’ viel Brastias uit. Tot zijn schaamte sloeg zijn stem over. ‘Ik moet weten of ik morgenochtend dat tweegevecht moet aangaan met Wuduwale!’

‘Alles op zijn tijd,’ sprak de wijze. ‘Ayay-yippie-yippie-jee.’

‘Hoezo ‘alles op zijn tijd’?!’

‘Je bent toch gekomen om mij om wijsheid te vragen?’

‘Ja, maar –’

‘Of ben je niet gekomen toen je kwam?’

Voordat hij had kunnen bedenken wat hij hierop moest antwoorden, boog de kluizenaar zich naar hem toe. Brastias onderdrukte de neiging om terug te deinzen en staarde naar het gegroefde gezicht voor hem. In de stilte hoorde hij het vuur knetteren. Er was een buitenwereld, buiten dit hutje. De gedachte kalmeerde hem. Dit was een avontuur. In de hal van Camelot zou hij verslag doen en vertellen over deze wonderlijke kluizenaar. Net als hij nu zouden de ridders met spanning afwachten.

‘Ja?’ vroeg hij moedig.

‘Zing nog eenmaal tot besluit,’ sprak de kluizenaar. ‘Tiereliereliere.’

‘Wát?’

‘Zing nog eenmaal tot besluit, tierelierelom.’

‘Ik begrijp u niet.’

‘Je hebt me toch verstaan?’

‘Ik moet tiereliereliere zingen voordat ik morgen de strijd aanga?’

‘Nou ja, het hoeft niet. Je kunt ook een varken aan het spit braden. Singing ayay-yippie-yippie-jee.’

Brastias knikte maar.

‘Of je versterken met ene kan goed bier.’

‘Bedoelt u dat ik me maar beter kan gaan bezatten?’

De kluizenaar kwam nu overeind. Staande was hij imposant, bijna een reus, en er kwam een golf van eeuwenoude dierlijkheid uit zijn pels. ‘Ik vraag me af of jij wel van zessen klaar bent. Schaam je!’

Het was de druppel voor Brastias. Hij schoot overeind van zijn kruk en rende naar buiten. Als de wind maakte hij zijn paard los, sprong erop en draafde weg. Pas toen hij de hut van de kluizenaar niet meer zag, hield hij beschaamd in. Dat hij gevlucht was ging hij niet vertellen, nam hij zich voor.

 

s Nachts droomde hij, over scharensliepen en kapers, en dat er gras op zijn buik groeide. Naar de zee, naar de zee, tratatata bom bom. Hij had zich inderdaad maar bedronken, want van de drie adviezen had hem dat nog de zinnigste toegeleken. Dingdongdijne. Bij ochtendgloren stond hij met barstende koppijn op. Ontbijten deed hij niet, want bij de gedachte aan varken aan het spit of aan coca cola werd hij beroerd. (Coca cola, hoe kwam hij daar nou weer bij?) Hij gespte met natte vingers zijn wapenuitrusting aan, koud en rillerig alsof hij griep had. (Ja, het was gewoon een doordeweekse dag.) Ook zijn helm deed hij op, voor alle zekerheid.

Op de vlakte stond Wuduwale al te wachten, in vol ornaat en met het gouden vederbos op zijn helm gloeiend in de ochtendzon. Toen Brastias naderde deed de tovenaar de helm af. Dat was hij dus niet vergeten, helaas. Brastias deed de zijne ook maar af. Hij voelde zich nog kwetsbaarder, maar deed zijn best om dat niet te laten merken. Trippeltrippeltrippeltrap, dacht hij toen hij naar de ene zijde van de arena reed en zijn paard keerde.

Aan de overzijde zag hij Wuduwale zijn lans aanleggen en zijn paard de sporen geven.

Kom op, jongen, dacht Brastias. Je bent een van de meest veelbelovende jonge ridders aan het hof, en je bent zo’n beetje de beste joster. ‘Voor Arthur!’ brulde hij toen hij naar voren stormde. ‘Camelot!

Hij richtte op het hoofd van de tovenaar. Even sloeg de twijfel toe. Linksom? Rechtsom? Maar nu niet twijfelen, Brastias! ‘Ayay-yippie-yippie-jee!’

Op het allerlaatste moment, vlak voordat de punt van zijn speer het hoofd van Wuduwale zou doorboren, was dat hoofd er ineens niet meer. Hijzelf wel, en Wuduwale’s speer beukte tegen zijn schouder. Bijna werd hij uit het zadel gesleurd, maar hij kon zich nog net vastklemmen. Toen hij tot stilstand kwam en zijn paard keerde, zag hij net hoe de tovenaar zijn hoofd terugzette op zijn nek. Zelfs van die afstand kon hij de ogen zien rollen en de mond blikkerend zien grijnzen.

De tweede keer gebeurde hetzelfde. Brastias kreunde, niet omdat Wuduwale’s speer deze keer meerdere ribben had gebroken, maar omdat hij nu nog maar één kans had. Vooruit, zei hij tegen zichzelf. Je bent de beste joster aan het hof. Maar hij kon alleen maar denken: tiereliereliere.

Toen hij voor de derde keer zijn paard in beweging zette bedacht hij ineens dat hij moest richten op de plek waar de tovenaar dat hoofd naartoe bracht. Maar waar was dat in vredesnaam? Hij had er bij de eerdere twee keren niet op gelet. Tijd om erover na te denken had hij niet meer. Tierelierelom, dacht hij, terwijl de hoeven onder hem roffelden. Zing nog eenmaal – en hij zag het ineens. Het was de perfecte plek. Als hij zelf tovenaar was, zou hij precies daar dat hoofd leggen. Hoofd of hoedje, wat je er ook neerlegde zou niet naar beneden vallen.

Op het allerlaatste moment, vlak voor het moment van treffen, bracht hij de punt van zijn lans naar de linkerarm van zijn tegenstander. Hij zag het hoofd in de holte van de elleboog verschijnen. Hij zag nog net de schrik in de rollende ogen en de blikkerende grijns die verstarde. Toen voelde hij zijn speer door de schedel breken.

 

Ze luisterden allemaal stil naar zijn relaas: Gawain, Parcival, Lancelot, Kay en alle anderen, en koning Arthur en koningin Guinevere. Toen Brastias zweeg, kon iedereen buiten de vogeltjes horen kwinkeleren. Zomer was weer in ’t land, of in elk geval tot een volgende queeste weer roet in het eten gooide.

‘Het was waarlijk een test, heer Brastias,’ sprak de koning.

‘Jazeker, sire.’ Maar niet voor het eerst sinds die ochtend op de vlakte vroeg hij zich af wat de test dan had laten zien. Dat je een tweegevecht alleen overleeft dankzij geraaskal? Dat de toekomst van het land anders uitpakt als een gek toevallig een goedwillende ridder op zijn deurmat treft? Dat je van het echte leven niet te veel zinnigs moet verwachten? En hoe moest je daar als ridder dan invulling aan geven?

‘Wat vinden mijn ridders van de Ronde Tafel?’ vroeg Arthur met luide stem.

Brastias’ hart ging sneller kloppen. Hij zag Lancelot zitten met zijn ernstige gezicht, Gawain met zijn vuurrode haardos. Zij waren beproefde ridders die stuk voor stuk door avonturen levenswijsheid hadden vergaard.

Als één man rezen de ridders van de Ronde Tafel uit hun zetels. ‘Diedejo! Diedeljo!’

Last modified: 20 oktober 2018

2 Responses to :
Ontstemd of wijzer

  1. D. Bakker schreef:

    Prachtig gewoon, jippie jee.
    Hummeltje

  2. Rias schreef:

    Beetje verwarrend, maar zeer humoristisch. Leuk dus.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *