Guernica

Mens tegen mens

9 februari 2018

Degelijke onderzoeksjournalistiek levert uiteindelijk het meeste op, dacht Erik Coelho toen hij in de lift van de Sequenskliniek stapte. Hij bekeek zichzelf in de spiegels. Grijsblauwe ogen tussen enkele vorsende kraaienpootjes, duidelijk geprononceerde jukbeenderen en een stevige kin. En dat zonder enige medische technologie. Toegegeven, op zijn tweeëntwintigste had hij nog iets laten doen met borsthaar, maar behalve de gebruikelijke hormoon-rehab toen hij de penopauze bereikte was dit honderd procent Erik Coelho. En zelfs Lysias Martens kon daar niet omheen. Toen de liftdeur op de zesde verdieping traag open schoof, streek Erik zijn zilvergrijze haar glad en ging de gang op.

Voor de oppervlakkige nieuwsvolger was het alsof Lysias Martens al van jongs af aan leed aan chronische levensonbekwaamheid. Waar andere mensen naar de universiteit gingen en een carrière begonnen, brak hij zijn studie medicijnen af en hield zich jarenlang in leven met allerlei onduidelijke baantjes. Zijn huwelijk met een bemiddelde vrouw had hem in staat gesteld om dure gentechnologische behandelingen te ondergaan, maar natuurlijk liep zoiets bij hem op niets uit. Na een stormachtige relatie was hij in 2041 met veel media-aandacht van haar gescheiden. Publicatie van een experimentele roman getiteld Maja robotica had hem dankzij een lucratieve reclamedeal enkele jaren financieel op de been gehouden. Daarna was het stil geworden. Maar Erik Coelho was niet voor niets de journalist wiens artikelen regelmatig de vijftig miljoen views haalden. Als Martens onder Eriks radar had willen blijven dan had hij op zijn buik over de grond moeten kruipen.

‘Techniek heeft altijd bijgedragen aan de menselijke waardigheid, en nu staan we toe dat techniek de menselijke waardigheid te gronde richt!’ had het aartsconservatieve Tweede Kamerlid Rooyaarts vorige maand nog geloeid toen de eerste berichten over Martens’ komende operatie de mainstream-media bereikten. Erik was toen al wekenlang op het spoor van ‘de gek die tegen zichzelf beschermd zou moeten worden’. Het had hem enigszins verbaasd maar ook tevreden gesteld dat Martens zijn verzoek om een interview meteen had gehonoreerd. Toegegeven, een kwartier was niet veel, maar meer had hij niet nodig voor zijn artikel.

De man in het ziekenhuisbed ging rechtop zitten toen hij binnenkwam. Hij was een jaar of twintig ouder dan Erik, mager en met de felle adelaarsblik die Erik van foto- en filmbeelden kende. Erik schoof een stoel bij en nam Martens grondig in zich op. Zo’n ascetisch type, besloot hij, van het soort dat zwakheid in zichzelf maar vooral in andere mensen niet tolereert. Arrogant. Een tikje bleek en doorschijnend, dat wel, maar dat was niet vreemd na een ingrijpende operatie. Zijn onderarmen waren ingezwachteld, er bungelde een infuus en verder was de schedel duidelijk op meerdere plekken geopend geweest, al waren de eerste rossige haarstoppels al weer aan het teruggroeien.

‘Erik Coelho,’ stelde hij zichzelf voor. ‘Hoe voelt u zich?’

Lysias Martens had Eriks inventarisatie rustig afgewacht. Hij knikte alleen even. Ze keken elkaar een paar seconden recht aan over het bleke landschap van beddenlakens. Toen glimlachte Erik. Hij had er zin in.

Martens wendde zijn blik af. ‘Erik Kullo,’ zei hij. ‘De man van de legendarische serie interviews met de chirurgen Lance McManus en Rashid Basilia. De man die de legaliteit van cyborgtechnologie analyseerde in de Journal of Law. De man die een lijst opstelde van de honderd meest invloedrijke implant-ups, een lijst die leidde tot nieuwe wetgeving en de sluiting van tientallen praktijken en ateliers.’ Hij keek Erik weer aan met zijn ene oog. De andere was vervangen door een gladde, bleekbruine kogel. Een Hondsrugkiezel, wist Erik, die Martens in 2039 had laten inzetten. Vroeger was het ding vast helder en sprankelend geweest, maar na enkele decennia waren de kwartskristalletjes dof geworden. Alsof de adelaar in één oog staar had gekregen.

Erik keek zonder knipperen terug. ‘Als de naakte waarheid gevolgen heeft dan is dat niet mijn verantwoordelijkheid,’ zei hij. ‘Ik ben journalist. Voor flauwekulverhaaltjes bent u bij mij aan het verkeerde adres.’

Martens lachte even. ‘Ik weet dat ik van jou een goed onderbouwd, rationeel verhaal krijg. Daarom heb ik jou gevraagd.’ Erik neeg even zijn hoofd. ‘Dat is wat ik van jou ga krijgen, Kullo. En jij krijgt van mij wijsheid.’

‘Laten we dan beginnen, meneer Martens,’ zei Erik goedgemutst.

Martens nam er ruim de tijd voor. In de stilte hoorde Erik de apparatuur brommen en vanaf de gang klonk zacht geroezemoes en het gerinkel van karretjes. Hij wachtte geduldig. Erik Coelho liet zich niet stangen.

‘Maandag en dinsdag ben ik geopereerd,’ begon Martens, ‘ruim een etmaal lang. De operatie is uitgevoerd door Lance McManus. Een chirurg met goede, ervaren handen, ondanks zijn gevorderde leeftijd. Dáárom heb ik voor hem gekozen, niet omdat ik hem respecteer.’ Het adelaarsoog keek Erik van opzij aan. ‘McManus begon zijn carrière als chirurg in de vroege jaren ’20. Een anoniem mannetje dat binnen keurig vastgestelde kaders erfelijke ziekten verwijderde en ouderdomsgebreken herstelde. Hij was als zo’n naamloze monnik, Kullo, die in de dertiende eeuw zijn leven lang hetzelfde gebed op perkament neerpende ter meerdere eer en glorie van de goddelijke orde.’

Maar wel eentje waar jij je maar al te graag door hebt laten opereren, dacht Erik. ‘In de jaren ’20 waren de meest verschrikkelijke ziektes nog wijdverbreid,’ zei hij. ‘En de medische technologie stond nog in de kinderschoenen.’

‘Voor jou gaat het om techniek en juridische kaders. Ik heb het over visie. Gijs Rooyaarts zei dat ik de menselijke waardigheid aan mijn laars lapte, toch? Alsof zelfreflectie niet tot de menselijke waardigheid behoort. Het vermogen om naar jezelf te kijken, de naakte waarheid tot op het bot te ontleden.’

‘Uw operatie heeft tot zelfreflectie geleid?’

‘Terwijl McManus en de zijnen zich nog altijd neerwierpen voor het altaar van de gezondheidsverbetering, kwam er een nieuwe beweging op gang. Een nieuwe manier van denken waarin niet langer de belangen van zorgverzekeraars voorop stonden, maar de mens zelf.’

‘Bedoelt u dat gezondheidsverbetering onmogelijk in het belang van de patiënt zelf kan zijn?’ Erik hoorde de sarcastische ondertoon in zijn stem.

‘Het lichaam begon centraal te staan, Kullo. Vervolmaking van schoonheid. Of juist onvolmaaktheid tot iets fraais maken. Eerst zagen alleen de implant-ups de waarde ervan in maar al gauw begrepen ook chirurgen wat het hen kon opleveren. Trendwatchers stortten zich erop, de media begonnen het interessant te vinden en ineens viel er geld te verdienen. En status. Rashid Basilia ontwikkelde zich tot mensverbeteraar. Want zo zag men het. Het individu moest verbéterd worden, moest voldoen aan stijltradities die door een kleine groep uitverkorenen werd bepaald. Het leverde Basilia de Nobelprijs op.’ Martens keek in de verte. ‘Ik herinner me een vrouw uit Montreal die geobsedeerd was door een hang naar perfecte symmetrie. Ze ontzag zichzelf jarenlang elke luxe om studenten te kunnen betalen voor het doen van voorstudies over licht- en schaduwwerking. Botten die hoger boven de huid uitstaken, dat soort dingen. Op haar vijftigste, toen ze financieel en relationeel gesetteld was, liet ze zich opleveren: een twee meter tien lange, ranke verschijning in schakeringen van vleeskleur tot diepbruin, en met verschillende Keltische spiralen in haar kaak en jukbeenderen verwerkt om haar afkomst tot uiting te brengen.’

Er waren inmiddels ruim vijf van de vijftien minuten verstreken. Het werd tijd dat ze ter zake kwamen. Over de geschiedenis van de medische technologie wist Erik genoeg en Martens’ mening over Basilia en McManus interesseerde hem geen jota. Hij had feiten over de operatie nodig die hij later door een arts kon laten toelichten, plus een paar uitspraken die pakkende quotes opleverden.

‘Zo gaat het altijd,’ zei Martens intussen. ‘Men ruikt geld en goedkope mediasensatie, en men neemt het over van de echte talenten. Van de implant-ups die al decennia lang een sleutelrol spelen in elke innovatie rondom cyborgtechnologie en gentech. De zogenaamd onverantwoordelijke ‘achterkamerprutsers’ waartegen jij zo graag op kruistocht gaat omdat dat jou volgers en adverteerders en drieduizend kruisverwijzingen in Wikipedia oplevert. Je bent blind, Kullo en daarom wil ik je nog wat wijsheid meegeven. Juist jou, en nu het nog kan.’

Ach ja, toe maar. ‘Want de operatie heeft delen van uw hersens –’

‘Alles op zijn tijd, Kullo. Ik had het over de kunstenaars die aanhoudend worden getreiterd en gehinderd met wetgeving en pietluttige scholingseisen en die daardoor nu pas hun volle potentieel hebben kunnen bereiken. De kunstenaars die nog altijd nodig zijn voor de finishing touches, want McManus en consorten blijven uiteindelijk ordinaire slagers. De kunstenaars die altijd weer het stokje verder dragen. Want dankzij hen kwamen we rond 2040 in de Romantiek.’

‘De Romantiek,’ herhaalde Erik geduldig. De marmeren kop en de aderige klauwen op de beddenlakens irriteerden hem ineens verschrikkelijk. ‘Natuurlijk. Maar uw operatie –’

‘Begrijp je het niet, Kullo? Wat we zien is een herhaling van de kunstgeschiedenis. Na de Middeleeuwen, Renaissance en Barok kregen we de Romantiek. Niet langer de goddelijke gezondheidsorde, niet langer perfectie en ‘mensverbetering’, maar emotie en fantasie. Eén oor groter dan het andere? Waarom niet. Ogen van een verschillende kleur? Geen probleem. En waarom zouden alleen bevoorrechte burgers hun historische wortels mogen tonen? Je herinnert je vast de rage in de vroege jaren ’50 rond kromme rachitisbenen. En de commotie toen steeds meer jongelui volledige lichaamsbeharing namen. Het zou schadelijk zijn voor de volksgezondheid, de deur openen voor de terugkeer van griepvirussen en baarmoederhalskanker, en dat soort smoezen. Want dat krijg je: de gevestigde orde raakt in paniek. Echte democratie en gelijkheid vindt men angstaanjagend.’

Een herhaling van de kunstgeschiedenis. Erik dacht vlug na. Het raakte natuurlijk kant nog wal, maar het kon wel een extra dimensie aan zijn artikel geven. Van kunstgeschiedenis wist hij niet zo veel, maar hij kon zich thuis rustig in het onderwerp verdiepen. Een kadertje met wat speculaties over toekomstige ontwikkelingen zou veel commotie in het Rooyaarts-kamp opleveren.

‘Vroeger had je horoscopen,’ zei hij nonchalant. ‘Je kunt altijd alles wel verklaren. U hebt het over de Romantiek, maar er zijn in die tijd ook heel veel operaties gedaan die zich nog steeds gewoon op gezondheidsbevordering richtten.’

‘Net als in de realiteit dus. We zijn geen machines, hè, geen robots die keurig voorspelbaar mee marcheren in de orde der dingen. Maar laat ik verder gaan. Zelfreflectie, dat wil ik graag bij je stimuleren, Kullo. Ziggy Jellersma. Die ken je wel, hè?’

‘Uiteraard.’

‘Uiteraard. Jouw artikel in de New York Times in 2069 droeg bij aan de sluiting van de beste implant-up op het westelijke halfrond. Ziggy Jellersma. De man die in datzelfde atelier zijn ene been twintig centimeter langer had laten maken.’

In gedachten legde Erik zijn vingers om die magere nek en wrong. Hij zuchtte. ‘Mijn artikel ging over belastingconstructies, niet over ethiek. Als u zelfreflectie bij me wilt –’

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Martens glad. ‘Laat ik doorgaan. Was het bijzonder wat Jellersma deed? Was het nou wezenlijk anders dan de rachitis-rage? Ja, Kullo, want het was een statement.’ Nu ging Martens rechter zitten, met een lichte blos op zijn bleke gezicht die hem er ineens veel ouder uit liet zien. ‘Niet dat been was het statement maar Jellersma zelf. Een twintig centimeter langer linkerbeen is niet uniek, maar hij deed het uit protest tegen de ronduit middeleeuwse situatie in een groot deel van de wereld, waar veel mensen door oorlog en armoede nog niet eens een antieke beenprothese kunnen kopen, laat staan fatsoenlijke medische hulp. Heb je wel eens iets van de schilder Goya gezien? Laat maar. Jellersma opende de poorten naar echte bevrijding.’

‘U denkt dat zijn actie iets heeft bijgedragen aan rechtvaardigheid in de wereld?’

‘Natuurlijk niet. Onrechtvaardigheid hoort bij de mens. Jellersma liet ons schijnheiligheid in zijn naakte vorm zien. Hij maakte duidelijk dat het bij medische technologie niet gaat om individuele zelfexpressie maar om waarheid.’

‘Begrijp ik goed dat u met uw operatie ook een of andere statement wilt maken? Is dat waar u heen wilt?’

‘Alles op zijn tijd. We zijn er nog niet. Orde en regelmaat, Kullo. Toch? Jellersma’s statement werd maar door weinig mensen opgemerkt. De massa’s hebben er natuurlijk geen boodschap aan. Die haken in op alle zin en onzin die ze ongemerkt via de media toegediend krijgen. Een mengsel van schoonheid, gezondheid en zogenaamde persoonlijke smaak. Persoonlijke smaak! Alsof dat niet ook zorgvuldig wordt gedoseerd. Op straat kun je via een app zien waar andere mensen in de buurt zijn met dezelfde oorvorm als jij. En als je je hormoonschommelingen niet aanpast om de momenten van inspiratie en uren van concentratievermogen op de juiste momenten van de dag te laten vallen, dan vindt men je een Neanderthaler. En alles gaat snel, floep-floep-floep, want het wordt poliklinisch geregeld. Je stapt een kliniek binnen en een uurtje later kom je uit de stoel overeind met armen die al over de vloer slepen. Alles kan. Bijna alles.’

Nu waren ze er. ‘En dat is wat u hebt laten doen: echt alles.’

Martens was even stil. ‘Ken je Picasso’s Guernica?’ vroeg hij toen.

Ze waren er nog niet. Erik onderdrukte een zucht. ‘Ongeveer,’ zei hij ongeïnteresseerd.

‘Op 26 april 1937 om half vijf ‘s middags vloog de eerste Dornier bommenwerper van het fascistische leger van Franco over het stadje Guernica in noord-Spanje en wierp brandbommen af. Drie uur en 22 ton bommen later waren er 250 doden in wat enkel een zinloze wraakactie was. Het riep wereldwijd weerzin en woede op, en Picasso maakte er dit beroemde schilderij over. Guernica was een protest, zoals Goya’s schilderijen en gravures een protest waren. Maar daar waar Goya realistisch te werk ging, verbeeldde Picasso het ongrijpbare en het onbegrijpelijke. Het verwoestende en het nachtmerrie-achtige. De pijn en de chaos, de vernietiging.’

Eriks hart begon sneller te kloppen. Martens was wel degelijk ter zake aan het komen.

‘Probeer je voor te stellen hoe dat was, Kullo. Die zonnige namiddag daar in dat slaperige Baskische stadje. Het gebrom van de vliegtuigen om 16.28 uur, dat eerst werd aangezien voor insecten, als een zacht kriebelen aan je gehoor en je bewustzijn. En dan ineens snel groeiende stippen in de bleke lucht, de verstijving. De eerste dreun, de rook en de vlammen, de waanzin en ontreddering. Dát verbeeld ik.’ Martens tilde zijn omzwachtelde armen even op. ‘Het gen dat aanzet tot beschadiging van huidcellen is al een tijd bekend maar ik ben de eerste die spontaan volledige brandwonden zal ontwikkelen. Twintig procent van mijn lichaam, niet meer, maar daarnaast heb ik ook een gangreen-ontwikkeling laten inbrengen. Zodra het infuus weg is kan het tot ontplooiing komen.

‘Dus door uw operatie bent u als het ware dat stadje geworden?’ Deze man was echt zo gek als een deur.

‘Nee, Kullo. Een stadje is een stadje. Ik ben een mens. Ik ben dé mens. Het belangrijkste is in mijn hersens gedaan. Mijn amygdala zijn verkleind en delen van de cortex die pijn registreren worden sneller geactiveerd. Ik zal aanhoudend pijn beleven, in golven, alsof er bommenwerpers door mijn schedel razen. Je herinnert je vast de stier op het schilderij van Picasso? Ik ben overgevoelig geworden voor prikkels. Daarvoor kan ik medicijnen slikken, maar die hebben verschillende bijwerkingen, zoals slaaploosheid, concentratiegebrek en apathie. Weet je wat een oorlogstrauma met je doet, Kullo?’

Erik schudde zijn hoofd en knikte ook. Leven in een hel – dat was waar Martens voor gekozen had.

‘Het gaat om het ongrijpbare en nachtmerrie-achtige,’ zei Martens. ‘Op paniekaanvallen en angststoornissen heb je geen grip, net als dat McManus en de andere artsen in deze kliniek niet op alles grip hebben. Ik ben ook overgevoelig geworden voor alle bekende medicijnen tegen dergelijke stoornissen.’

‘Bent u van plan om uw beleving te gaan verbeelden of verwoorden? Zodat mensen begrijpen wat er in u – woedt?’ Erik voelde ineens een diepe walging voor deze man, die op een dramatische manier wilde lijden en daarvoor gebeurtenissen uit de geschiedenis aangreep. Over goedkope mediasensatie gesproken.

Martens zat kaarsrecht in bed en keek Erik aan, nog steeds met die ziekelijke blos op zijn wangen maar met een vaste blik in zijn oog. Hij schudde zijn hoofd. ‘Je ziet nog steeds niet wat ik bedoel. Ik ben niet Picasso. Ik ben Guernica. Kunst hoort te verontrusten. Ik ben verontrustend. Andere mensen mogen dat verbeelden of verwoorden. Mensen als jij.’ Hij lachte nu zachtjes. ‘Je blijft zoeken naar begrip, hè, naar grip. Ik zie het aan je gezicht. Hoe passend voor een journalist die door miljoenen mensen wordt gelezen maar tegelijkertijd geen echt begrip van mensen heeft. Je jaagt een illusie na, Kullo. Voor elk ordelijk, netjes aspect van het leven waarop jij en die chirurgen grip hebben, zijn er tien nachtmerries.’

Er rammelde ineens een karretje over de drempel en Erik schokte op.

‘Goedemiddag, meneer Martens,’ zei de verpleger opgewekt. ‘Uw maag heeft wel trek in een hapje mechanisch eten, denk ik zo. Het is tijd voor uw bezoek om afscheid te nemen.’

‘Ik zou graag morgen nog een keer terugkomen,’ zei Erik terwijl hij opstond.

Maar zoals hij verwacht had schudde Martens zijn hoofd. ‘Wij zien elkaar niet meer,’ zei hij. ‘Schrijf jij je verhaal nou maar, dat is waar jij goed in bent.’

Erik zei gedag tegen Martens en de verpleger en ging naar buiten. In de lift bekeek hij zichzelf. Tot zijn ergernis was zijn gezicht rossig en wat bezweet.

Beneden in de hal was het druk, met balies waar opgewekt personeel patiënten en bezoekers te woord stond. Normale mensen die gezondheid en geluk zochten, die gewoon hun leven wilden leiden. Martens was echt walgelijk. En dan dacht hij ook nog dat hij een journalist als Erik voor zijn karretje kon spannen. Alsof Erik als een soort gewetensvolle persvoorlichter elke keer een toelichting zou gaan geven als Martens weer eens gedwongen werd opgenomen. Erik Kullo, de discipel die aan het bed van de grote Lysias Martens had gezeten en de miljoenen lezers van zijn artikel zou inwijden in diens eindeloze wijsheid. Hoe naïef kon iemand zijn.

Buiten was het zonnig, aangenaam. Hij deed zijn jas weer open en besloot om naar huis te wandelen. Het gesprek had een onprettige smaak bij hem nagelaten en de frisse lucht zou hem goed doen. Bovendien kon hij dan vast wat nadenken over Martens’ bespiegeling over de kunstgeschiedenis. Daar kon hij alle kanten mee uit, van ‘psychoot voert waanbeelden tot het uiterste door’ tot ‘gedesillusioneerde intellectueel hunkert naar zingeving’. Maar hoe hij het ook framede, het bracht gegarandeerd meer teweeg dan een heftig Kamerdebat. Met een goede formulering zou het een hernieuwde belangstelling voor de kunstgeschiedenis kunnen opleveren en cursus-instellingen overal ter wereld als paddenstoelen uit de grond laten schieten. Mensen zouden zich door kunstwerken uit het verleden laten inspireren. Vrolijker kunstwerken, natuurlijk, want alleen een zieke narcist als Martens koos voor zoiets als Guernica. Guernica – het klonk trouwens wel mooi, net als de woorden waanzin en ontreddering.

Erik kwam langzaam tot stilstand op het trottoir. Na een paar seconden van tevergeefs tasten naar begrip keek hij op zijn horloge. Het was 16.26 uur. Hij wist in beweging te komen. Zich om te draaien. Te gaan rennen, terug naar de kliniek. Hij was nog maar een paar honderd meter verder toen de steekvlam oplichtte en de explosie dreunde. Overal begonnen mensen te gillen.

Last modified: 20 oktober 2018

6 Responses to :
Guernica

  1. Carol schreef:

    Wow, dat is heftig…. Heel knap geschreven. Je weet mijn aandacht van begin tot eind stevig vast te houden, en dat einde had ik echt niet zien aankomen…

    1. deborahva schreef:

      Dat was ook de bedoeling 😬 Dank voor je complimenten! Dit verhaal is langer dan andere, en ik merkte dat ik meer kwijt kon over de karakters, dat ik meer de tijd voor dingen kon nemen, wat wel heel bevredigend was.

  2. Peter schreef:

    Bijzonder verhaal, een heel andere wereld waar je mij als lezer in brengt. Knap om dat zo te bedenken en verbindingen te leggen met ‘onze’ tijd, wat daarin speelt. En mij mee mee te nemen naar de gekte van de toekomst.

  3. deborahva schreef:

    Dit verhaal begon met het idee ‘de mens als kunstwerk’ en iemand die zegt: “Kunst hoort verontrustend te zijn. Ik ben verontrustend.” Dat vroeg om verdere uitwerking – hoe zit dat dan met kunst? – en vervolgens rolde de rest eruit, inclusief de karakters en de ontknoping. En een paar absurdistische details; dat ligt bij mij altijd wat op de loer, vrees ik. Of dit ooit toekomst zal worden – de tijd zal het leren en de lezer mag het zelf bepalen.

  4. mario schreef:

    jemig, dit verhaal plakt aan je ziel…luguber en sinister….via je lichaam als schilderij-doek de pijn, gekte en chaos uitbeelden….briljant Deborah! en dan het eind….ik ben onder de indruk…hoe een kort verhaal zo beklemmend kan zijn….!

    1. deborahva schreef:

      Dank je, Mario 🙂

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *